Categorie archieven: Gastcolumns & blogs

Door de Atacama woestijn naar de Andes

Dit is een artikel in de serie van Hans den Ouden. Hij schrijft over zijn motoravonturen (die hij samen met Dia beleeft) over de hele wereld. Wij mogen zijn verhalen met jullie delen. Tussen december 2025 en maart 2026 reden ze op hun Suzuki V-Strom Motoren 22.000 km door Chili, Argentinië en Peru. Je kunt de reisverhalen trouwens ook volgen als je de groene TAGS onderaan het artikel selecteert. Zit je toevallig op Facebook, dan kun je ze ook lezen via deze groep op Facebook.

De Atacama woestijn en dan naar de Andes van Peru

Van San Pedro de Atacama rij je door de woestijn (Atacama) naar Tocopilla over een lange, vrijwel rechte weg. Het is 225 km. Onderweg kom je langs Calama.
Dat is de droogste stad op aarde. In de afgelopen 450 jaar heeft het er één keer geregend, in 1974.

De stad bestaat bij de gratie van de kopermijnen en de lithiummijn. De lithium wordt gewonnen op de zoutvlakte en eigenlijk gaat het op dezelfde manier als de zoutwinning, middels verdamping door de zon. Het lithium winnen op deze manier heeft wel consequenties voor het milieu en de inheemse bevolking. Tegelijkertijd is het zeer belangrijk voor de economie van Chili.

De weg gaat over een aantal zandheuvels, tot op een hoogte van 3300m en je kan dan in de verte de weg tientallen kilometers verderop nog zien. Ik zag een windturbine park verderop liggen. Het duurde wel een half uur voor we er uiteindelijk langs reden. Tocopilla is een plaatsje met wat visserij en een kopermijn. We liepen naar de visafslag en op de pier.

Er waren veel zeehonden, die joegen op de school vissen die er zwommen. Later ontdekten we een terras aan het strand. Het eten was er goed. Hotel Iquique heeft goede kamers en de motoren staan voor de deur van de kamer, op de binnenplaats.

Van Tocopilla reden we over Ruta 1 richting Iquique. De kustweg is van goede kwaliteit en met links de Stille Oceaan en rechts de bergen is het volop genieten op deze slingerende kustweg. Al gooide een mist van zee wel wat roet in het eten. Iquique is een grote stad, met de uitstraling van Benidorm.

Veel hoogbouw en een dicht bevolkt strand. In de parkeergarage van het Ibis hotel ontmoetten we twee Canadese motorrijders. Ze waren op weg naar Ushuaia. Een van hen was van Nederlandse afkomst. Zijn grootouders waren, net als mijn tante, in de vijftiger jaren naar Canada geëmigreerd. Er werden natuurlijk de nodige verhalen uitgewisseld.

De volgende dag  reden we via Ruta 5 naar Arica. De weg loopt door prachtige kloven en valleien. Het is 315km, dus een flinke afstand.

Het bleek carnaval te zijn in Arica en daardoor zaten vrijwel alle hotels vol. Gelukkig vonden we nog een kamer in een eenvoudig hotelletje met een binnenplaats voor de motoren.

Ik regelde de SOAT voor Peru gisteren via Whatsapp met een lokale agent. Vorige keer kregen we een boete omdat we dat vergeten waren (€100 samen). Dan is de SOAT voor €28 per motor goedkoper. Het is een verzekering voor aansprakelijkheid jegens derden. Je eigen voertuig, of schade aan een voertuig van de tegenpartij is er niet bij inbegrepen. Dat kennen ze hier niet.

Van Arica rij je een klein stukje naar de grens. In Peru hebben ze een andere tijdzone. Het is er twee uur vroeger dan in Chili. Het was al lekker druk aan de grens. En ook Peru heeft zo zijn eigenaardigheden. Je moet een formulier invullen. Het heet Relacion de Pasajeros. Gewone reizigers krijgen een formulier met twee doorslagen. Ouderwets carbonpapier. Maar buitenlandse motorreizigers krijgen een A4tje waarop ze drie keer onder elkaar dezelfde informatie moeten vullen.

En dan mag je in de rij gaan staan en geduldig de vier loketten afwerken, waar je een stempel krijgt en ze een exemplaar van het A4tje handmatig afscheuren. Na deze exercitie mag je nog langs de douane, om te kijken of je eten bij je hebt. Gelukkig was de mondelinge verklaring dat we geen groente en fruit bij ons hadden voldoende. Tot slot mag je langs het loket om het formulier, met inmiddels 5 stempels, inleveren. Anderhalf uur kostte de hele grensovergang.

We reden door de woestijn naar Moquegua. Een klein plaatsje, maar wel een universiteitsstad. Het hotel dat ik had uitgezocht vonden we niet. Moquegua heeft veel zeer smalle en steile straatjes. Gelukkig vonden we Hotel Moquegua, bij toeval en voor €30 waren we onderdak. De eerste taak is dan een simkaart scoren. Dat lukte niet, zelfs niet bij het belangrijkste verkooppunt van Claro. Sinds vorig jaar moet je je registreren en je ID tonen met je identiteitsnummer. Maar dat moet een Peruaans nummer zijn en een Europees paspoort vonden ze niet goed. Officieel is dat wel goed, maar ik heb geleerd dat in kleinere plaatsen de regels niet goed bekend zijn. Zelfs voor de e-sim van Airalo moest ik vervolgens mijn paspoort en een pasfoto uploaden. Dat lukte gelukkig wel, anders wordt navigeren wel lastig. De PanAmerican naar Arequipa loopt door een indrukwekkend woestijnlandschap en over flinke heuvels. De laatste vijftig kilometer was het erg druk op de weg. Overigens is het een tolweg, maar motoren hoeven niet te betalen. Arequipa is een grote stad met een historisch centrum. Het hotel Andari ligt net aan de rand van dat historisch centrum. Het was opvallend afgeprijsd en dat komt doordat de weg er voor is opgebroken en je er eigenlijk niet kan komen. Maar wij hebben wel voor hetere vuren gestaan, we reden door het voetgangersgebied en het laatste stuk over een smal stoepje. De man van het hotel wilde de deur vervolgens niet open doen, want naar zijn mening konden we er niet komen. Tot ik hem het bericht van zijn collega liet zien waarin hij had uitgelegd hoe we er moesten komen. Afijn de motoren staan binnen. We liepen vast een rondje door de stad en aten een Alpaca. Dat smaakte prima! We regelden een illegale simkaart bij Entel vandaag. Wonderlijk genoeg kan je er zelfs mee bellen. Kosten €7 voor 10GB voor 30 dagen. En we tankten de motoren vol voor €1.- per liter. We blijven hier een paar dagen.

Peru is groot, van noord naar zuid is het ruim 2600km. Dat is dus verder dan van Amsterdam naar Malaga. Het is 31 keer zo groot als Nederland en hoort bij de 20 grootste landen ter wereld. Arequipa heeft ruim 800.000 inwoners. Het historisch centrum staat op de werelderfgoedlijst.

We bezochten het Santa Catalina klooster, daterend uit 1580. Ooit waren er 400 nonnen. Sinds 1970 kan het bezocht worden en zijn er nog maar 20-23 nonnen over. Die laatsten wonen in een, voor bezoekers, niet toegankelijk deel. Het is absoluut een bezoek waard, want het geeft een inkijkje hoe mensen hier de afgelopen eeuwen leefden.

Daarna bezochten we de overdekte markt. Een bruisend geheel, je kan er van alles kopen, maar het leukste vonden we de groente en fruitafdeling. Op de terugweg kwamen we een dweilorkest tegen op het Plaza de Armas. En dan de Colca Canyon. Uiteraard kan je daar met de motor ook zelf heen rijden, maar we dachten dat het leuk zou zijn om een dagtrip te doen.

We werden om 03:00  uur opgehaald. Het busje moest uiteraard nog meer hotels langs en dan begint de lange rit naar de canyon, zo’n 160km verderop. Het eerste stuk buiten de stad gaat over de Interoceanic Highway. Die weg loopt van Lima in Peru naar Bolivia en dan naar Brazilië om te eindigen in Buenos Aires. Over die weg, met een lengte van 5500km gaat heel veel, tergend langzaam, vrachtverkeer. Daarna gaat de tocht verder de bergen in tot een hoogte van 4880m. De uitzichten zijn fenomenaal en de gids vertelde allerlei wetenswaardigheden over de vroegere culturen. In de regio, langs de Colca rivier woonden drie verschillende volkeren. Vanaf de tijd van de Inca’s vond er landbouw plaats op de terrassen. Daar zijn er 60.000 van. Iedere Inca kreeg een stukje grond van 3,3 hectare dat ze moesten bewerken. Van de opbrengst mochten ze dan 20% houden en 80% ging naar de koning, om Inca’s elders in het enorme rijk te voeden.

De grond in deze vallei was erg vruchtbaar. De Inca’s waren verplicht om te trouwen en kinderen te krijgen. Lukte dat trouwen niet, dan besloot de koning wie je partner werd, geen discussie. De Colca Canyon is een van de diepste kloven ter wereld en is inderdaad indrukwekkend diep: op het diepste punt is hij ongeveer 3.270 tot 4.160 meter diep. Ter vergelijking: dat is ongeveer twee keer zo diep als de Grand Canyon in de Verenigde Staten.

Juist in het gebied waar de condors vaak vliegen hing helaas een laaghangende bewolking die de hele kloof vulde. We zagen wel condors, maar heel ver weg. We stopten onderweg bij een dorpje waar juist een processie aan de gang was.

De kleurrijke bevolking is prachtig om te zien. Een overvloedige lunch met lokale gerechten was een mooie afsluiting.

Waarna de terugreis begon en zo waren we net na 18:00 uur weer terug in Arequipa.

We hebben meteen nog een dagje bijgeboekt in het hotel, want we waren best wel moe.

Voor de liefhebbers nog een video van Hans.

Van Nederland naar India op een Suzuki V-Strom

(Mark schreef aan Suzuki Motoren een avontuurlijk en indrukwekkend reisverhaal en dit mogen we publiceren op Ikzoekeenmotor)

Samen met een vriend is Mark in 9 weken van Nederland naar India gereden met zijn Suzuki V-Strom 650.

“We zijn heel 2005 bezig geweest met voorbereidingen. Routes maken, visa regelen. Met name Iran was lastig, autoriteiten wilden exact weten waar en wanneer we zouden rijden, wat met een motor lastig gaat.

Uiteindelijk wisten we met de hulp van een Iraanse studente een visum te regelen.”

Meer dan 15.000 kilometers in 9 weken

“Begin 2006 zijn we op pad gegaan en hebben totaal 15.480 kilometer gereden in 9 weken. Duitsland, Oostenrijk, met de trein naar Bolsano in Italië, dan met de nachtboot naar Griekenland, vanaf daar door Griekenland, Turkije, Iran, Pakistan naar India en daar rondgetrokken. In al die 15.000 kilometer niet een keer problemen gehad. Geen slag verkeerd geslagen. In Iran en Pakistan kun je niet ‘zomaar’ rondrijden, omdat het gevaarlijk kan zijn. Je moet je reis aanmelden. Je wordt dan bij de grens opgewacht en tijdens je rit door het land geëscorteerd. Maar daar hadden we niet altijd zin in. Alleen tijdens de rit door de woestijn in Iran hebben we in een begeleide kolonne gereden, want dat was echt te gevaarlijk.


Soms hield een weg gewoon op.

Turkije en Iran vielen echt in positieve zin op. Het landschap is daar onvoorstelbaar mooi, met fantastische vergezichten. De wegen zijn er alleen soms erg slecht… vaak gingen we om de beurt voorop rijden, want als je reed kon je niets zien vanwege de stofwolken. En soms hield een weg gewoon op. Dan moesten we dwars door een rivier heen om onze weg te vervolgen.”

Van zijn indrukwekkende verhaal heeft Suzuki Motoren een mooi video-portret gemaakt. Bekijk Mark zijn Suzuki Story in onderstaande video.

Tobias bereidt zich voor op de zwaarste motorrit van zijn leven

In 18 maanden tijd bereidt Tobias zich samen met zijn Suzuki DR-Z4S voor op de ultieme test van mens en machine: de Baja 1000. Waarom? Om te ontdekken of moderne dualsports nog steeds het Dakar-dna hebben. In overleg met Suzuki Motoren mogen we dit artikel met jullie delen op Ikzoekeenmotor.nl.

Screenshot van de website van Suzuki Motoren

Lees het Suzuki Avontuur van Tobias:

In de Baja 1000 heb je 48 uur om 1000 mijl (1600 kilometer) aan ongetemde woestijn te trotseren, terwijl de trophy trucks je met 200 km/u om de oren vliegen. De gedachte alleen al doet ervaren rallyrijders duizelen, laat staan een leek als ik.

Hoe train je voor zoiets? En dan ook nog in Nederland, waar dergelijke wilde natuur in de verste verte niet te bekennen is. Het eerlijke antwoord is dat ik geen flauw idee heb, maar met wat Nederlands pragmatisme komen we hopelijk een heel eind.

Ik heb geleerd dat je een groot project het beste in behapbare brokken kunt opdelen. Voor de Baja 1000 ziet dat er zo uit:

  • je rijdt honderden kilometers door mul zand en de beruchte ‘silt beds’, een sliblaag van zand zo fijn dat het op bloem lijkt;
  • je kruist opgedroogde rivierbeddingen vol keien in voetbalformaat;
  • je slingert urenlang over verraderlijke singletracks die worden omzoomd door cactussen met keiharde, vlijmscherpe stekels;
  • je rijdt twee nachten door het pikkedonker met niets anders dan je motorverlichting en een hoofdlamp om de weg te vinden;
  • je deelt de route met twee- tot driehonderd andere voertuigen, soms schouder aan schouder, die allemaal zo snel mogelijk de finish willen halen;
  • je ziet de helft van de tijd geen hand voor ogen door het opwaaiende stof;
  • en als kers op de taart beginnen solorijders na 20 tot 24 uur te hallucineren als gevolg van slaapdeprivatie.

De individuele brokken klinken niet minder intimiderend, maar het zijn tenminste concrete dingen die je kunt oefenen.

Motortraining

Zonder goede basis komen we nergens, dus first things first. Gedurende deze eerste 12 weken richt ik me met name op het leren rijden in zand, het wennen aan lange ritten en het opbouwen van een goede fysieke conditie. Woestijn is in Nederland niet te vinden, maar wat wij wél veel hebben zijn crossbanen, inclusief een paar hele zanderige. Jeffrey Herlings staat in de motorcross niet voor niets bekend als de Koning van het Zand.

Een Nederlandse woestijnracer raadde me de banen in Berghem, Boekel, Budel, Nunspeet en Lommel aan. Die zijn het zwaarst en moeilijkst, zei hij in iets minder beschaafde krachttermen. De komende 16 maanden zal ik daarom wekelijks op deze banen te vinden zijn.

Zestien maanden klinkt lang, maar als je het trainingsschema uitschrijft, wordt duidelijk hoe snel de tijd voorbij vliegt. Alles in mijn training is daarom gericht op snelle progressie en een stevige opbouw. Na 12 weken is het doel om vier moto’s van 40 minuten te kunnen rijden. Ter vergelijking: dat is meer dan het dubbele van wat er in officiële MXGP-races wordt gereden.

De motorcrosstraining wordt aangevuld met wekelijkse trailritten. Ook die ritten bouwen snel in duur op: van 3 à 4 uur in de eerste vier weken tot 8 à 9 uur na week 12. Het doel tijdens deze ritten is om een gemiddelde snelheid van 40 km/u vast te houden. Dat klinkt langzaam, maar dit is inclusief alle technische passages, pauzes en pitstops. Als ik die snelheid tijdens de Baja 1000 weet vast te houden, zou ik er precies 40 uur over doen. A man can dream…

Belangrijk tijdens deze trailritten is om de stilstand zo veel mogelijk te beperken. Dat betekent slim gebruikmaken van het terrein en dingen als eten, drinken en actief herstel zo veel mogelijk op de motor doen.

Fysieke training

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat de Baja 1000 boven alles een uitputtingsslag is. Ja, het terrein is pittig, maar de grootste strijd voer je tegen je lichaam en de vermoeidheid. Tijdens een van mijn late-night researchsessies stuitte ik op deze post op het forum ThumperTalk:

“Personally I’m good for racing 500 miles, or 11 or so hours on the bike. After that I start to forget where I’m at and what I’m doing. Then I slowly begin to fade. Then fatigue sets in. And then I wished I never rode motorcycles in the first place. I’m blown away by the guys who Ironman Baja. They are sick individuals who love pain. After hundreds of miles on a dirtbike, racing at high speeds is truly, very difficult. The miles just don’t go by very fast. You try not to look at mile markers, because it’s just a reminder of how much farther you have to go. What torture.”
— Dan Lorenze

De enige manier om die vermoeidheid tegen te gaan, is door fysiek én mentaal in topconditie te zijn. Fitness is nooit mijn hobby geweest en ik heb geen idee hoe je je brein traint om te floreren in tegenspoed. Daarom heb ik de hulp ingeschakeld van de meest actieklare mannen ter wereld: de Special Forces.

Voor dit project werk ik samen met Unbreakable Academy, dat zich specialiseert in weerbaarheidstrainingen en wordt geleid door Nederlands best getrainde teamleider van de Special Forces en Ridder in de Orde van Oranje-Nassau met Zwaarden, Sander Aarts (bekend van het Videoland-programma Special Forces VIP).

Middels trainingsprogramma’s en coachingsessies gaan Sander en zijn team mij leren het maximale uit mezelf te halen en door te zetten wanneer mijn lichaam niets liever wil dan opgeven. Voordat ik aan die trainingen kan beginnen, moet ik eerst ‘basisfit’ worden. Natuurlijk is wat de Special Forces basisfit noemen, helemaal niet zo ‘basis’.

Wil je weten wat het inhoudt? De eerste officiële aflevering van The Dualsport Experiment kun je hier bekijken:

Van Cafayate naar San Pedro de Atacama op de motor

Dit is een artikel in de serie van Hans den Ouden. Hij schrijft over zijn motoravonturen (die hij samen met Dia beleeft) over de hele wereld. Wij mogen deze verslagen publiceren op Ikzoekeenmotor.nl. Je kunt de reisverhalen trouwens ook volgen als je de groene TAGS onderaan het artikel selecteert. Zit je toevallig op Facebook, dan kun je ze ook lezen via deze groep op Facebook.

Cafayate to San Pedro de Atacama (januari 2026)

Tussen december 2025 en maart 2026 reden we op onze Suzuki V-Strom Motoren 22.000km door Chili, Argentinië en Peru.

Vanaf Cafayate reden we een eind naar het noorden en doorkruisten de Andes richting San Pedro de Atacama.

Gisteren reden we in een druilerige, regenachtige dag naar Monteros. Een klein stadje ten zuiden van Tucumán. Het hotel, Las Hortensias, vroeg, omgerekend €72 voor de kamer. Op Booking stond hij voor €45. De man van de receptie zei dat hij er niets aan kon doen. Meestal is de prijs hetzelfde of lager als je direct bij het hotel boekt. Nu boekte ik dan maar via Booking. De kamer was overigens uitstekend en in de parkeergarage onder het hotel stonden de motoren veilig en droog. Het heeft ontzettend veel en hard geregend in deze regio waardoor er veel modder op de weg ligt.

We zagen het zelfs op het nieuws en in de kranten op de voorpagina staan. De weg van Monteros door de bergen naar de Ruta 40 ten zuiden van Cafayate is prachtig, maar de eerste 80km reden we weer in de regen. Eenmaal boven de wolken scheen de zon. Op de pas El Infiernillo rij je op 3042m hoogte. Boven op de pas liepen veel Lama’s en Alpaca’s. Dia kocht er twee paar sokken van Lama wol. Eenmaal op de Ruta 40 weer beneden in het dal stroomde het vele water aan weerskanten met de weg mee. Op sommige plaatsen zijn er, wat ze in de UK ‘fords’ noemen, waar de weg lager ligt, zodat het water weg kan stromen. Maar daar moet je dan wel door de modderstromen rijden.

Tegen de middag kwamen we aan in Cafayate. Op de bergpas was het 13°C en het stadje was het 25°C, met het regenpak nog aan, pfff. Cafayate is een toeristisch dorpje met een park/plaza in het midden waaromheen talloze restaurantjes zijn gevestigd. We vonden een hotel (Plaza) vlak naast deze plaza. Gelukkig weer een ruime kamer voor €39 per nacht. We blijven hier twee nachten.

Van Cafayate naar Salta loopt de Ruta 68. Een prachtige weg door de bergen. Cafayate ligt op 1680m, Salta op 1152m De uitzichten en de bergen zijn schitterend. De RN68 is zonder meer een van de mooiste wegen van het noorden van Argentinië. Vooral vanuit Salta worden de toeristen met busladingen daarheen gereden om te genieten van de bijzondere plekken langs de weg. Zoals de Garganta del Diablo, the Devil’s Throat, een kloof met steile wanden.

Er lag nog veel modder op sommige plekken van de regen van de afgelopen dagen, maar gelukkig is het nu droog en lijkt het ook wel even zo te blijven. Salta is een grotere stad, met 450k inwoners, gesticht in 1582. Het is levendig met veel activiteiten. We streken er neer in Hotel de la Linda. Het hotel is prima, maar er is geen parkeerplaats voor de motoren. Die staan daarom in een parkeergarage ernaast voor, omgerekend €9 per dag per motor.

Na het avondeten liepen we het centrum nog eens rond, we hadden gezien dat er een band op zou treden en genoten van de muziek en de levendigheid. De bevolking deed volop mee met de volksdansen. Het concert werd door de gemeente georganiseerd trouwens.

Er zijn hier diverse, zeer grote, kerken. We liepen er bij enkele naar binnen. Overigens blijven we hier nog een dag en gaan dan door naar Susques, richting San Pedro de Atacama. Susques ligt op 3900m.

We reden vanaf Salta richting Susques. Het ging meteen al mis met de route en dat leidde tot een flinke omweg. De navigatie had er geen zin in vandaag m. Uiteindelijk zaten we op de juiste route en na een paar uur, gaf de navigatie dat Ruta 51 afgesloten was en suggereerde het apparaat dat we een omweg van 190 km moesten nemen. We vroegen het na aan een agent en een paar motorrijders die van de andere kant kwamen. De meningen waren verdeeld.

Uiteindelijk besloten we de omweg toch maar te nemen. Een dorpje verderop was geschikt voor een tankstop. Daar meldde de navigatie dat de 51 weer open was, dus besloten we de 20km naar de afslag terug te rijden. Zodoende reden we de prachtige route langs enorme bergen, tot op een hoogte van 3800m. Susques ligt op 3600. Het is nog 120km naar de grens met Chili. De weg loopt over de Paso de Jama, tot op een hoogte van 4800m. En inmiddels weten we dat de pas gesloten is bij de grens vanwege sneeuwval aan de Chileense zijde. Dat blijft in ieder geval tot maandag zo.

Gelukkig hebben we een kamer in hotel Pastos Chicos en die hebben we meteen tot maandag gereserveerd. Het hotel ligt in de bergen en er is hier verder niets. Zodra we aankwamen begon het te regenen en te bliksemen. Er is een kans dat de grens maandag open is, maar zeker is dat niet en de weersverwachting is dat het dinsdag weer slechter wordt. Maandag gaan we onze opties bekijken, want hier in de buurt is er geen alternatief. Dus dan moeten we terug naar het zuiden en kijken waar we de Andes over kunnen steken.

Na het karige ontbijt reden we net na 09:00 weg uit Susques, richting de grens bij de Paso de Jama. Alle andere gasten waren al vertrokken. De grens is op 90km en dan is het nog een flinke rit richting San Pedro de Atacama. Voor de grens stond een paar kilometer file van vrachtwagens. De auto’s en motoren kunnen daar langs rijden en de motoren zelfs tot vooraan. Er stonden ongeveer 70 auto’s. De grens zou om 13:00 opengaan, maar gelukkig begonnen ze al om 11:30 met het ‘verwerken’ van alle wachtenden. Sommigen waren hier al vanaf donderdag, de 22e. Het duurde overigens toch wel anderhalf uur voor we weer verder konden.

De grens ligt op 4200m en een aantal mensen, vooral kinderen, kregen er last van. Er viel er een flauw en er werd flink gebraakt. Vooral het staand wachten helpt niet. Na dat de formaliteiten afgehandeld waren reden we verder omhoog, tot ruim 4800m. De weg is niet echt uitdagend, maar de weidsheid van het land en de besneeuwde bergtoppen zijn indrukwekkend. Overigens was het beslist niet warm onderweg, de temperatuur zakte tot onder de 10°C. Op 4800m vloog er opeens een flamingo naast ons en met ons mee. Vliegend kom ik hem niet fotograferen, maar eenmaal geland gelukkig wel. Ook lopen er hier veel lama’s langs de weg en soms erop. Ik begon ook wat last te krijgen van de hoogte, maar gelukkig niet zo heel erg.

Aangekomen in San Pedro, gooiden we eerst de tanks weer vol en daar kwam opeens een man aanlopen, die we ontmoet hadden bij het ophalen van de motoren in Valparaiso. Zijn motor was kapot gegaan en niet te repareren. De motor was inmiddels terug gestuurd naar Valparaiso. Hij had daarom een auto gehuurd en reed nu wat rond. Gelukkig was het mooiste stuk, Patagonië, wel gelukt. Maar nu ging hij toch maar naar huis, zes weken eerder dan gepland. Zo sneu.

San Pedro is een gat, 10k inwoners, die vooral hun geld verdienen aan de toeristen. Die zijn talrijk en maken veel uitstapjes hier in de omgeving. Het ligt overigens op ruim 2500m en het is hier warm, 29°C. Morgen gaan we naar de kust en rijden dan verder naar het noorden over de Ruta 1, de kustweg.

Nog wat plaatjes en een youtube video eronder

Wil je de video bekijken van Hans?

Gezag is goed!

(Een column van Dolf Peeters)

De Autoroute du Soleil. Te heet voor de motor en zijn berijder. De vakantiestroom loopt weer noordwaarts. Massa’s gele kentekens, vut-rekken vol fietsen en caravanisten. Doorgaand vrachtverkeer. Maar de tijd om de terugweg te rijden is te kort voor de schilderachtige route over de Routes Nationaux.

De lederen broek blijft aan. Het motorblok straalt te veel warmte uit voor een korte broek. Boven de gordel: een valveilig T-shirt met de tekst “The KGB is still watching you” Pfahhh. Hebben ze zeker nog niet van de AIVD gehoord. En onze eigen Poesjkins. De ROOF boxer helm staat helemaal open. De zonnebril met holografische oogbollen houdt de meeste wind uit de ogen. Met 140 op de teller draaft de oude Moto Guzzi braaf door. Moet ook. Hij heeft bijna twee en een halve ton de tijd gehad om het te leren.

Het wordt weer tijd voor een stop. Op de Aire de Tournalet. Het is er – met excuses voor het taalgebruik – Godallejezus druk. Een miljoen Nederlandse caravanisten. Tweehonderdvijftigduizend trucks van alle nationaliteiten. Duizenden Fransen die het ook even niet meer trekken. Her en der staan motorfietsen geparkeerd. Nederlandse kinderen uit de caravantrekkers zwalken rond en zijn het levende bewijs dat hun ouders feitelijk elk recht op voortplanting ontnomen moet worden. De helm is nog niet af of een Kevin of Kjelt zit al aan het gashendel van de motor te draaien. Het kind krijgt een tik. “Opzouten kutkleuter!”. De hitte maakt korzelig.

Terwijl de brand net in de sigaar is gestoken komt er een boos ouderpaar met de Kevin of Kjelt plus een Anita of Kimberly. Of ik hun kind heb geslagen? Jazekers. “En ik sta nu op het punt om jullie af te rossen”. De familie trekt zich bescheiden terug. De vrouw gilt tegen haar man “Dat laat je je toch niet zeggen!? Lul!” Gilt tegen mij: “Asociale kanker motorrijder!”. Daar wordt vanavond weer geruzied in plaats van gevreeën. Zo komt er geen derde kind. Goed zo.

De sigaar brandt. Nicotine verdrijft vrije radicalen. Prima. Want radicalen zijn slecht. Erg slecht. Een colonne Russische vrachtwagens verlaat de Aire. Dat maakt plaats voor een stationair draaiende Portugese koel oplegger en een blauwgele combinatie van Betz met zijn twee ex oostblokchauffeurs voor de prijs van een. Een overstekende moeder met kind wordt bijna overhoop gereden door een Duitser op een KTM die op zijn achterwiel vertrekt. Er komen twee motoragenten de Aire op gereden. Op BMW’s. Ze stoppen. Zetten de motoren op de zijstandaards. Doen hun Ray Ban zonnebrillen af. Zetten hun helmen af. Doen hun zonnebrillen weer op. Twee doodkalme gespierde mannen in uniform met korte mouwen en kort geknipte haren. Ze laten hun loodzware blikken over de aire dobberen. Ze heersen.

Met hun tweeën hebben ze de totale overmacht over minstens vijfhonderd mensen. Een moeder raapt gauw een lollypapiertje van de grond. Een motorrijder loopt de volle vijf meter om zijn sandwichverpakking in de vuilnisbak te doen. In sommige landen is een agent nu eenmaal niet iemand om gekkigheid mee uit te halen.