Tag archieven: Hans den Ouden

Hans en Dia gaan weer op motorreis

We lazen op onze site de afgelopen jaren regelmatig mooie reisverslagen van Hans den Ouden. Het is weer zover. Hans en Dia gaan weer samen op reis. Van het Zuiden van Zuid-Amerika naar het Noorden van Canada. Uiteraard gaat Ikzoekeenmotor.nl hen volgen en regelmatig een verslag publiceren. Hans schrijft ons:

Zo de tijd van vertrek is aanstaande. Alles is ingepakt en klaar voor de grote reis. Dinsdag (vandaag) nog even een oliewissel bij Eric van Sabra Motorbandenservice en dan gaan de motoren richting Hamburg om naar Valparaiso in Chili verscheept te worden.

We vertrekken zelf pas over een paar weken want de motoren zijn er dan eind oktober.

Daarna kan de grote reis beginnen, eerst naar het zuiden richting Tierra del Fuego door Patagonie en dan keren we om en gaan naar het noorden tot uiteindelijk in het noorden van Canada. Ik heb er al maanden voorbereiding inzitten en ondanks onze eerdere reizen in andere werelddelen is dit toch wel weer spannend en een uitdaging. Maar goed je moet telkens je grenzen een beetje verleggen. De Himalaya dit voorjaar was vast een goede voorbereiding. Ik maakte inmiddels zo rond de 47k km aan routes (waar natuurlijk ook vanaf kan worden geweken) dus het is een heel project. De Darien Gap tussen Colombia en Panama, doen we waarschijnlijk per vliegtuig, want een andere aantrekkelijke oplossing vond ik nog niet. De Stahlratte vaart er niet meer en de Wild Card schepen transporteren alleen van Panama naar Cartagena en niet omgekeerd. En zo’n bootje langs de kust, daar peins ik niet over. Wil je weten hoe het verder gaat, kijk dan eens op de facebook groep Motorcycle Travels.

Hoe ziet een dag op de motor door India eruit?

Onze lezer en schrijver Hans den Ouden, was eerder dit jaar (in mei/j́uni ruim 3 weken) een motorreis door India (in Kashmir en Ladakh) aan het maken met zijn vrouw Dia en vriend Bas. Zijn verhalen zijn te volgen via hun Facebookgroep Motorcycle Travels. We mochten een verslag van 22 mei j.l. publiceren hier… lees maar mee. Hans schrijft ons:

De wekker liep af om 04:30. De afgelopen twee dagen hebben we veel tijd besteed aan het verkrijgen van de permits die nodig zijn in het buitengebied van Leh, zoals in de Nubra Valley en het Pagong Tso meer. De permits kan je alleen kopen via een reisbureau, je moet ook nog eens met een groep zijn van minstens drie. Het kantoor van de overheid waar het reisbureau zaken moet doen, was steeds gesloten.

Gisterenmiddag is het eindelijk gelukt. Dan is er nog het punt van de huurmotoren. Je mag hier eigenlijk alleen rijden met lokaal gehuurde motoren. Dat is geen overheidsbeslissing maar een afspraak, na eindeloze ruzies tussen de verhuurdersorganisaties.

Dus moet je hier in Leh een motor huren en natuurlijk ook weer inleveren, de lokaal te huren motoren zijn ook nog eens 80% duurder dan de motoren uit Delhi, waarvan de huur dan ook gewoon doorloopt. Het reisbureau, dat de permits voor ons verzorgde, is ook een verhuurbedrijf. Het was ons bekend dat de verhuurbedrijven doorgeven aan de checkpoints dat je op een Delhi motorrijdt en als je dus wordt tegengehouden, kost dat natuurlijk een hoop tijd en geld. Maar het is IndiaDus als je vroeg op staat en langs het checkpoint bent voor ze open zijn, dan kan je je gang gaan.

Daarom zaten we dus vroeg op de motor. Het checkpoint, hadden we gezien op Google, is een half uurtje buiten Leh. We wisten alleen niet hoe laat ze daar zouden staan. Om 05:30 zaten we op de motoren en gingen op weg. Bij het checkpoint was het volledig uitgestorven en we konden zo door rijden, daarna hebben we nergens meer controle gehad.

De Khardung La pas is hoog, op de Highest motorable road in the worldaldus India. En inderdaad is 5359 meter hoog serieus hoog. Leh light op 3800m en dat is al pittig. We zijn daar twee dagen geweest om te acclimatiseren en de kans op hoogteziekte te beperken. We hadden overigens wel medicijnen meegenomen, mocht het toch zo ver komen.

Doordat we zo vroeg vertrokken waren, hadden we de weg voor onszelf. We hoorden later dat anderen, die later vertrokken waren, beneden waren tegen gehouden en een uur moesten wachten voor ze verder mochten. Bij het monument boven op de pas was het daarna vechten om een foto te maken. Wij waren er alleen.

De weg naar de top is aanvankelijk goed van kwaliteit, maar het laatste stuk, dat twee jaar geleden nog geasfalteerd zou zijn, is weer een zandpad met keien en natuurlijk haarspeldbochten. Dat zijn, als het asfalt weer verdwenen is, extra uitdagingen als je handen niet meer goed meewerken door de kou. De zuurstofspanning is erg laag boven op de pas, dus je kan er ook niet erg lang blijven als laaglander.

Dat we zo vroeg waren had dan wel weer een nadeel en dat was de kou. Het was er echt stervenskoud. De Himalayans hebben wel een thermometer aan boord, maar die zit te dicht bij de motor en is dus onbruikbaar. Op de telefoon hadden we in dit gebied sowieso geen bereik.

Mijn handen waren zo koud dat ik mijn vingers niet kon bewegen, mijn handschoenen uittreken ging al helemaal niet en de camera bedienen lukte ook niet. Met de dikke winterhandschoenen kan ik de Gopro niet aanzetten en de handschoenen uittrekken lukte me niet. Ik had overigens twee paar over elkaar aan. Gelukkig kon Bas wat fotos maken. We reden door diverse sneeuwbuien, maar een paar honderd meter lager ging de zon schijnen en was het weer aangenaam.

De weg naar beneden reden we gemiddeld 15 km/uur.

Na de pas rij je de Nubra Valley in, daar was het druk. Het was vakantietijd in Delhi. Ook omdat het in Delhi erg warm was, gingen veel mensen naar de bergen om wat verkoeling te zoeken. Toen wij uit Delhi vertrokken was het er 49ºC. Veel mensen gebruiken er taxis en die rijden erg wild en als motorrijder, sta je onderaan de pikorde.

We reden naar het guesthouse in Diskit (3300m hoog) waar we kamers hadden besproken en lieten onze bagage achter. Het was nog vroeg, dus we besloten die middag de rest van de Nubra Valley ook te gaan verkennen, dat scheelde dan weer een dag, die we wellicht later zouden kunnen gebruiken. We reden door tot voorbij Turtuk, daarna is er nog een dorpje en dan kom je bij de grens met Pakistan en kan je niet verder. Je kunt er nog wel een steil zandpad op, maar dat trok ons niet zo. Na controle van onze permits, gingen we weer terug. We vonden de vallei wel mooi, maar de weg is wat saai en er was veel verkeer met, dieselwalm uitbrakende, busjes. De volgende dag reden we aan de andere kant van de rivier naar de hot springs bij Panamik. De hot springs zijn zo warm dat je er niet echt lang in kan blijven zitten. De mannen en vrouwen hebben daar ieder hun eigen badhuis.

Je kan er ook lunchen, zie de koks op de fotos.. Deze kant van de Nubra valley is leuker om te rijden trouwens,

De volgende dat zouden we vertrekken naar Paging Tso een enorm bergmeer dat deels in China ligt. Het meer ligt op 4500m.

Dit filmpje hoort bij bovenstaand artikel:

 

Onderweg in India/Kashmir en Ladakh Srinagar to Kargil

Onze trouwe lezer én schrijver Hans den Ouden is momenteel met Dia en Bas op reis in India. Met regelmaat publiceert hij verhalen over hun motorreis in onze Facebook groep PASSIE VOOR MOTOREN en ook in de groep MOTORCYCLE TRAVELS. In beide groepen kom je zijn reisverhalen dus tegen, we hebben hier voor jullie even een verhaal geselecteerd van gisteren…

2022-05-22 Onderweg in India/Kashmir en Ladakh
Srinagar to Kargil.

We vertrokken om 07:00 uit een stil Srinagar. Een geweldige rit door de bergen tot op 3200m. De lengte was 214 km maar we hadden een uurtje oponthoud door wegwerkzaamheden, gecombineerd met het Indiase rijgedrag.

Als er een file staat gaat een aantal daar langsrijden tot ze vooraan staan. Juist tegenover de vrachtwagen die niet verder kon. Die kan daarna dus helemaal niet verder en alles staat gedurig stil in twee richtingen. Met de motor kom je soms er nog wel langs, maar soms is het kansloos omdat zelfs een voetganger er niet meer door kan. In het verkeer zijn de overigens heel aardige en rustige mensen totaal dwaas hier. Na deze knoop reden we Ladakh in en werd het weer stil op de weg en reden we over redelijk asfalt verder. Inmiddels is het 14:45 en hebben we nog 50 km te gaan.

Nu zijn we bij het Kargil War Memorial waar in 1999 hevig gevochten is tussen India en Pakistan, hetgeen een paar duizend doden tot gevolg had.

India won de slag klaarblijkelijk en daar wordt hier uitgebreid bij stil gestaan.

Wil je alle verhalen over hun motorreizen lezen via de Facebook groep van Hans en Dia op Reis? Ga dan naar Motorcycle Travels via //www.facebook.com/groups/HansenDiaopReis

Cannonball

Voor de liefhebbers van motoren en muziek, even een lekkere “motorcycle song” van de Doobie brothers. Pat Simmons is een enthousiaste motorrijder. Met dank aan onze motorreiziger en schrijver Hans den Ouden voor de tip.

Cannonball

It’s cold outside and I know it’s time
Pack up my heart it’s a long hard ride
There’s a wind that’s blowin’ such a lonely prayer
Gotta keep goin’ now I’m halfway there

Faces in the windows of the cars drivin’ fast
Are holding onto memories and the moments flying past
I got ten more miles, and I’m there at last

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball

Well I stopped all alone at the top of the hill
I looked across the valley at the world so still
All the friends I’ve been missin’ and the ones I love
They shine like the diamonds from the sky above

Faces in the windows of the cars drivin’ fast
Are holding onto memories and the moments flying past
I got ten more miles, and I’m there at last

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball
Soul searchin’

Well it hurts inside, but I know I’m fine
Time to pick up the pieces, life’s a long hard ride
There’s a wind that’s blowin’ such a lonely prayer
I gotta keep goin’ now I’m almost there

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball….

Met je hond op motorreis

Jij en je vrouw hebben allebei een prachtige motorfiets. En dan besluit je voor vrienden een hond op te vangen en tja, die moet natuurlijk mee. Dan laat je bij DCA Motorcycles aan een prachtige Yamaha FJR gewoon een zijspan bouwen. Want de hond moet toch ook mee kunnen op je motorreizen? We kijken naar een filmpje van onze trouwe lezer en schrijver Hans den Ouden:

Hans den Ouden vanuit de Pyreneeën

Zojuist krijgen we op de redactie een foto binnen van Hans Den Ouden, motorvriend en verhalenmaker op Ikzoekeenmotor.nl. Vanuit het prachtige Frankrijk een plaatje wat we met jullie mogen delen. Net gemaakt vlakbij Laruns in de Franse Pyreneeën. De motorreis van Hans en zijn verhalen zijn te volgen via Motorcycle Travels, een leuke Facebook groep over motorreizen! Met prachtige verhalen. Ideaal ook voor motorrijders die reisplannen hebben maar nog net over iets te weinig ervaring beschikken. Of gewoon leuk om te lezen voor mensen die genieten van reisverhalen. Wees er welkom!

De laatste tien dagen in Canada


De afgelopen maanden hebben we kunnen genieten van de reisverhalen van Hans en Dia. We hebben genoten van al hun routes door Noord-Amerika (Canada en Alaska). Namens de redactie@ikzoekeenmotor.nl willen we Hans en Dia enorm bedanken voor al hun verhalen! Hier het 15e verslag:

“Aan alles komt een eind, zo ook aan deze reis. Dia en ik reden in totaal 26.000 kilometer in een krappe drie maanden. Het was een fantastische reis, we hebben er dubbel en dwars van genoten. Ik zou het zo weer doen.

Na deze reis zijn we een maand thuis geweest en toen naar Nepal vertrokken. Het volgende grote reisplan is om de motoren naar Valparaiso te verschepen en dan eerst naar het zuiden te rijden tot Tierra del Fuego en dan naar het noorden door Zuid-Amerika, Midden-Amerika en dan naar de USA en Canada. Dat hadden we gepland voor het najaar van 2020, maar nu hopen we in het najaar van 2021 te kunnen vertrekken.

Maar nu eerst het verslag van de laatste tien dagen in Canada.

Op 4 september reden we weg uit Lytton richting de Rocky Mountains. We wilden nog een rondje over die prachtige wegen rijden en naar het prachtige Lake Louise.

De kilometerteller stond inmiddels op ongeveer 23.000 km. We wilden gaan kamperen in het plaatsje Golden. Wachtend op een ferry, die hier allemaal gratis zijn, spraken we een aantal andere motorrijders. Een er van was een ex-leraar, geboren in Nicholson.

Hij vroeg waar we heen gingen en hij adviseerde ons om door te rijden naar Nicholson, omdat de camping in Golden vlak naast een spoorcomplex lag en daar zou het erg lawaaiig zijn door de diesellocomotieven.  De camping stelde inderdaad niet teleur. We waren er vrijwel alleen.

Eveneens op zijn advies reden we de volgende dag naar het Bugaboo National Park. De weg daarheen is een Forest Service Road. De eerste 15 km waren prima, maar daar het de nacht er voor flink geregend had, was de weg een enorme modderpoel. Er kwam nog bij dat het landschap  minder spectaculair was dan er was voorgesteld. Daar hadden we geen trek in, het moet tenslotte niet op werken gaan lijken.

We keerden terug richting Highway 95 en reden langs de Kootenai River. In de namiddag bleek dat het bij Lake Louise nog drukker was dan in juni. We hadden geen zin om in de file te staan voor het parkeerterrein, dus wederom hebben we het gelaten voor wat het was. Ook in Banff was het vreselijk druk met zeer veel toeristen.

Over de Highway 93 reden we richting het Jasper Park. We wilden het rustig aan doen en stopten al om 11:30 uur bij de “Mosquito Campground”. Er waren gelukkig niet veel muggen. We waren precies op tijd om het laatste plekje op de camping te bemachtigen.

Tijdens een wandeling in de middag ontmoeten we een ouder Duits echtpaar met een camper, ze konden de camping niet vinden. De bewegwijzering was ook niet erg duidelijk. We zeiden tegen hen hoe ze moesten rijden, maar dat de camping waarschijnlijk vol was en dat ze desgewenst bij ons op de plaats konden komen staan. Bij toeval wist ik het nummer nog uit mijn hoofd. De plaats was zo groot, dat er makkelijk drie tenten op konden staan, zonder dat je mekaar in de weg stond. Het is opvallend hoe groot de plaatsen zijn op de campings, maar het aantal plaatsen is beperkt. Toen we later terugkwamen bleken ze er inderdaad te staan. We werden beloond met een paar koude biertjes en het aanbod dat zij de plek zouden betalen. Het bier hebben we aanvaard, maar de plaats was niet duur en toch al betaald.

Op 6 september reden we weer naar Jasper. Het eind van de tocht begon te naderen, hierna zouden we weer richting Vancouver gaan. Het was erg koud ’s nachts en mijn slaapzak begon wat oud te worden. Dan is een temperatuur rond het vriespunt toch wel wat frisjes. Ik heb die slaapzak al weer een jaar of 15. Met een Cordurahoes om de slaapzak, een muts op en een extra laag motorondergoed aan, kroop ik al vroeg onder de wol.

Dia ontmoette de volgende morgen een groep “elk” dames (elanden) die de ingang naar het toiletgebouw blokkeerden. De parkwachters kwamen ze wegjagen, zelfs van de camping af. De kudde was hiervan duidelijk niet onder de indruk, want een half uur later waren ze weer terug, maar nu bij onze tent. Ik kon ze mooi fotograferen. Ondanks dat ik afstand hield vond de heer van de kudde dat niet voldoende.

Met zijn imposante gewei kwam hij in gestrekte draf op me af. Ik voelde een stevige adrenaline stoot en rende een stukje voor hem uit, tot ik achter een boom kon schuilen. Hij bleef staan en liet zich fraai fotograferen. Ik moet zeggen dat ik meer onder de indruk was van het optreden van deze eland, dan van de beren en bisons die we onderweg waren tegengekomen.

We verlieten de camping om richting Sorento te rijden waar neef Norman met zijn vrouw Pauline woont aan het meer (Lake Shushwap). Ze hebben er een prachtig plekje, pal aan het meer. We zouden met hen, de volgende dag de omgeving gaan verkennen en het meer in de rondte rijden. Maar het weer zat tegen, dus lieten we dat achterwege. De Triumph van Norman kon op stal blijven. Wel hadden we een gezellig diner, ook neef Doug met zijn vrouw Ruth waren aanwezig. De volgende dag vertrokken we alsnog in de regen, gelukkig klaarde het al vrij snel op. Verder hebben we geen regen meer gehad.

We namen de prachtige Highway 99 richting Lillooet, langs de Fraser River. Onderweg stopten we om foto’s te maken en we spraken met een jong Frans stel. Ze waren op hun motoren vanuit Frankrijk naar Zuid-Korea gereden en daarna hadden ze de motoren verscheept naar Japan. Vandaar uit waren ze met het vliegtuig naar Vancouver gevlogen en nu waren ze drie dagen in British Colombia. Wat een reis! We begonnen meteen ook te filosoferen over onze volgende reizen want het reisvirus zit inmiddels diep in ons geworteld.

Vancouver kom je aan de noordkant de stad binnen en daar bleek dat het stadsverkeer erg druk te zijn. Op elke straathoek staan er verkeerslichten en we deden er drie kwartier over om het Richmond te bereiken waar het vliegveld vlak naast ligt. We hadden daar een B&B geboekt zodat we de volgende dag gemakkelijk de motoren konden inleveren,

De B&B bleek midden in “China Town” te liggen en de dame van de B&B was ook Chinees en sprak geen Engels. Google Translate bracht uitkomst. De kamer was zeer ruim en kostte nog geen €40.-

De thuisreis verliep verder ongecompliceerd. Vanaf Vancouver duurt de vliegreis naar Nederland 9 uur en er is een tijdsverschil van eveneens 9 uur. Alles bijeen is dat tamelijk vermoeiend. Het inklaren van de motoren in Nederland verliep redelijk vlot en de laatste 80 km naar huis, waren na de 26.000 km aan de overkant eigenlijk zo voorbij.

Zes weken later zaten we in het vliegtuig naar India om vandaar naar Nepal te rijden op Royal Enfields.”

Wordt vervolgd…

Wil je alle verhalen van Hans en Dia lezen, klik dan op deze link.

Vancouver Island

In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.

Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.

Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.

Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met  ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.

Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.

Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.

De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.

Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat  je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.

De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.

De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.

Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.

De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.

We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.

Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.

De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de www.kumsheenrafting.com company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.

Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.

We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.

Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:

Norton’s en BSA’s op de bodem van de zee

Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.

Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.

Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.

 Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.

 Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.

Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.

Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.

Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.

Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.

De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.

Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.

Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.

De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.

De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.

Go West Young Man

Go West Young Man

Juist nu we niet kunnen reizen, niet mogen reizen, is het een troost om reisverhalen te kunnen lezen. Gewoon even dat gevoel alsof je de prachtigste routes langs indrukwekkende Amerikaanse kusten rijdt. Hans en Dia den Ouden reizen al jaren over de hele wereld en in hun motorreis-verhalen op Ikzoekeenmotor.nl delen zij met ons hun belevenissen. En of je deze verhalen nu leest als motorrijder, of als reiziger in het algemeen, het blijft genieten….        Hier weer een verhaal van Hans:  

Na het buitenaardse traject door Utah kwamen we aan in Nevada. Achteraf hadden we vanuit Utah nog Arizona in moeten rijden en dan vooral richting de Grand Canyon. Want dat is natuurlijk ook een schitterende omgeving. Dat hebben we dan nog te goed voor een volgende reis. Het stuk door Nevada was tamelijk leeg en er waren weinig campings en hotels langs onze route. Zo reden we 1200 km in twee dagen en we hebben geen enkele foto gemaakt. Soms reden we 200 km door een totaal leeg gebied. Een deel van dit traject ging langs de oude Route 66.

Bij een supermarkt kwam er een andere motorrijder aangereden op een KTM 1290. Hij keek naar onze nummerplaten en zoals iedereen wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Zijn openingszin was: “I can tell  by your face that you’ve been on the road a long time.” En zo voelde het ook wel na 18.000 km.

De man was 76 en vertelde dat hij pas een off-road trip had gemaakt met zijn zoon en kleinzoon. Hij kreeg last van warmtestuwing (een zonnesteek) en hij belandde daardoor in het ziekenhuis. Het was dan ook flink warm. Ik heb hem onze “Cooldown” vesten laten zien en de werking uitgelegd. We zijn gestopt in Carson City, de hoofdstad van Nevada en hebben onze plannen aangepast. We besloten om richting Sacramento te rijden en dan langs de kust over Highway One naar het noorden te rijden.

We waren erg moe van de afgelopen twee dagen rijden en sliepen mede daardoor ook nog eens slecht. Daarnaast moest er gas gekocht worden voor het kooktoestel en die winkel ging pas om 09:00 uur open. De timing om daar gas te gaan kopen bleek goed, want het oude blik was die zelfde avond leeg. We reden een heel stuk langs Lake Tahoe, een iconische plek. Het meer is prachtig en is omgeven door bergen. Tegen de wanden staan veel enorm grote huizen tussen naaldbomen. Het deed ons denken aan Paris Plage.

Van dit stuk had ik geen route gemaakt en dus gebruikte ik de functie “kronkelroute” van de Garmin Navigatie. In Nederland werkt dat niet geweldig maar hier wel. Behalve 10 km snelweg ging het inderdaad alleen maar over kleine bochtige weggetjes. Wel werd het weer erg warm, de temperatuur liep op tot 38ºC.

Na Lake Tahoe volgende nog Lake Donner, ook een mooi meer in de heuvels. We kampeerden in Oroville op weg naar Ford Braggs aan de kust.

De volgende dag reden we een leuke slingerweg door Napa Valley, tussen de wijngaarden door en daarna alleen maar bochten tot we aan de kust waren. Het werd in de middag wederom 38ºC en ondanks de Cooldown vesten was het samen met het intensieve rijden erg vermoeiend. Gelukkig ging de weg in de middag door een bos met sequoia bomen. We vonden een camping die vol stond met deze bomen.

Het bordje bij de camping meldde dat er geen plek was, de ervaring heeft geleerd dat het toch vaak loont om dat nog even na te vragen. De dame aan de balie meende in eerste instantie ook dat ze geen plek had, maar uiteindelijk bedacht ze dat er toch nog een klein plekje beschikbaar was. Op de foto kan je zien dat klein een relatief begrip was.

De volgende dag reden we op de kustweg en daar was het een comfortabele 21ºC. Op de parkeerplaats bij de supermarkt kwam een zeker Larry naar me toe. Hij wilde alles weten van onze reis en wilde met ons op de foto. Hij reed ook op een GS, maar hij was nog nooit op reis geweest. Hij bleek een pastor te zijn, na het gesprek kreeg ik een boekje van hem, zie de foto, nu zou het vast goed komen met ons…

Vanaf Gualala reden we langs de kust noordwaarts over een prachtige weg, grotendeels met uitzicht over de oceaan. Na een half uur kwamen we bij wegwerkzaamheden waar we tien minuten moesten wachten op de tegenliggers.

Tijd genoeg dus voor een babbel met de verkeersregelaar en de agent die er toezicht hield. Uiteraard werd er uitgebreid gevraagd waar we vandaan kwamen en hoe we de motoren getransporteerd hadden.  Na wat selfies over en weer konden we weer verder rijden. De temperatuur vlak aan zee was wederom perfect met 21ºC. Na 150 km boog de weg, Highway One af landinwaarts en liep de temperatuur snel op naar 32ºC.

We kwamen langs de sequoiaboom waar je met de auto onderdoor kan rijden. Dat kost $10.- voor twee motoren. Het staat daar echter vol met van die bomen, daar kan je dan weer niet onderdoor, maar ach.  Highway 1 gaat over in de 101 en die loopt weer terug naar de kust, alleen dat is dan 150 km verder. We besloten te stoppen na slechts 185 km gereden te hebben en vonden een camping met zwembad.

We zijn twee uur gaan wandelen in St. Patricks Point State Park. Vlak aan de kust was het met 12ºC aan de frisse kant,

 

De volgende dag reden we Oregon in. Californië is een dure staat. De camping daar kostte $39 gemiddeld en in Oregon $16. De benzine was in Oregon $0,70 per gallon goedkoper. De camping in Humbug Mountain State Park was wat meer ingericht op tentkamperen i.p.v. RV’s.

Grappig is dat Amerikanen op een camping altijd onmiddellijk in de weer gaan met hout om een kampvuur te maken, dat zorgt kennelijk voor het “outdoor” gevoel of is het “survival”? In ieder geval zit je dus vaak in de rook en kerosine lucht. Iedereen heeft minstens twee honden bij zich. De buren hier waren continu in de weer met hun bedoeninkje. Het was verbazingwekkend om te zien wat ze meegesleept hadden. Ze hadden bijlen bij zich waar je een sequoia mee kon omhakken.

We reden verder langs de kust richting de ferry naar Vancouver Island. Onderweg zagen we veel arenden en in de zee zeehonden. Het was moeilijk om een camping te vinden want het was het laatste weekend van de schoolvakantie en dan trekken velen er nog even op uit, Uiteindelijk vonden we een KOA camping in Astoria, met nog een plek waar je de tent op een vlonder moet neer zetten. Dat paste maar net.

De volgende dag waren we in Washington en ook daar waren de campings erg vol. Bij een visten we net achter het net en werd de laatste plaats aan iemand anders vergeven. Het was inmiddels 16:30 uur en de dame van de camping zei dat er 100 mijl naar het noorden nog wel een camping was, dat is dus 160 km. We zagen er kennelijk moe en hopeloos uit, een van de mensen die wel een plekje hadden gekregen kreeg medelijden met ons en we mochten hun plekje hebben, zij zouden dan nog een eind naar het zuiden door rijden. Geweldig!

->> Volgende keer: Vancouver Island