Tagarchief: Hans den Ouden

Hans en Dia, onderweg naar Alaska

“Let’s go North- The Northern Rockies & de YukonTerritories.”

Hier het volgende reisverslag van onze vaste columnist Hans den Ouden, die samen met zijn vrouw Dia deze reis maakte in 2019:

In 2019 reden we vanuit Vancouver naar het noorden. Van Teslin naar Takhini Hotsprings en voorts naar Dawson City.

We reden rustig aan, een kleine 250 km. We kwamen langs de Miles Canyon, vlak voor Whitehorse. De Miles Canyon is een prachtige plek waar je leuk kan wandelen, zoals we dan ook gedaan hebben. De wanden bestaan uit gestolde lava. De lavawand is 110 meter diep en 8.5 miljoen jaar gelden ontstaan. Een indrukwekkend stukje van de Yukon Rivier.

Grappig was dat er midden in het bos een stel muziek zat te maken, een gitarist en een violiste. Niet voor het geld, maar gewoon voor de lol.

 

Iets noordelijker rij je dan Whitehorse binnen en na korte tijd kom je langs de SS Klondike II. Dat was het tweede schip met die naam. Deze schepen werden gebruikt op de Yukon voordat de weg van Whitehorse naar Dawson City er was. Begin jaren 50 werd het schip overbodig en werd er een cruiseschip van gemaakt, alleen daar bleek geen vraag naar. Uiteindelijk werd het, net voor de sloop, gered en nu is het een National Historic Site of Canada.

Whitehorse ligt op km 1426 van de Alaska Highway in het zuiden van de Yukon. Het is de provinciehoofdstad en de plaats waar veel mensen komen om boodschappen te doen. Er zijn veel buitensportzaken en andere winkels.  Er zijn ook meerdere motordealers (o.a. Honda en Yamaha).

De eerste (westerse) bewoners in dit gebied waren overigens Russen en Aziaten. Dat waren pelsjagers.

Weer een klein stukje noordelijker kom je bij de Takhini Hotsprings waar we gingen kamperen en in het warme water wilden dobberen.

Een leuke camping met veel ruimte.

Er liep zelfs een vosje over de camping. In de middag gingen we in de Hotsprings liggen. Nu waren we reeds in de Liard Hotsprings geweest waar je echt in een natuurbad ligt en dit is meer een zwembad met warm bronwater. Een deel was zo warm dat je het er maar een paar minuten volhoudt, dan zwem je naar het volgende bad waar het wat minder heftig is. De bron is al ruim 100 jaar bekend en in gebruik om in te baden. Al luierend daar spraken we twee dames die onderweg waren naar het zuiden en net van de Dempster Highway afkwamen. De Dempster is een onverharde weg en Dia moest daar tot dan toe niet zoveel van hebben. Evenwel, het enthousiasme van de dames was zo groot, dat we besloten die weg te gaan rijden. De Dempster is 740 km lang en eindigt in Inuvik.

Dan kan je nog een eindje verder naar de Arctic Ocean, daar ligt Tuktoyaktuk (in de volksmond Tuk geheten). Grappig is dat Tuk vroeger Port Brabant heette. Er wonen ongeveer 1000 mensen in 283 huizen, vrijwel allemaal mensen van inheemse stammen. Dit stuk van 140 km werd gepland in de jaren 70 van de vorige eeuw, maar was uiteindelijk pas in November 2017 klaar, het kostte $300 miljoen!

Hoe de tocht over de Dempster verliep beschreef ik reeds in een andere column.

Na twee nachten op de Takhini camping gingen we verder de Alaska Highway op richting Dawson City, na korte tijd buigt de Alcan af naar het westen en ga je verder op de Klondike Hwy. Onderweg zagen we grote bosbranden en zelfs vlak langs de weg. Best wel spannend als het zo dichtbij komt.

Er zijn veel bosbranden in Canada. De grootste oorzaak daarvan is de hogere temperaturen tegenwoordig, vooral in de winter. Daardoor gaan de “Mountain Pine Beetles” niet dood en deze kevers hebben veel naaldbomen gedood, die dan vervolgens makkelijk afbranden.

Tegenwoordig zijn er regelmatig bosbranden ten noorden van de poolcirkel, dat kwam vroeger zelden voor. Je ziet ook hele bossen die er bruin uitzien, je denkt het lijkt wel herfst, maar het zijn dus dode bomen. Het viel me trouwens deze zomer in Frankrijk ook op dat er daar ook zo veel dode naaldbomen waren. Naar ik begreep is dat ook het gevolg van een kever.

De afstand van Whitehorse naar Dawson City is 532km over de Klondike Highway.

Dawson City is een goudkoorts stadje. De Klondike Goldrush. Nu wonen er nog 1375 mensen maar in 1898 waren hier kampen van goudzoekers met 40.000 mensen. Een van de beroemdste inwoners was Jack London, die er The Call of the Wild schreef (dat stond op mijn eindexamen boekenlijst Engels op de HBS). Er wordt nog steeds goud gedolven overigens, maar niet zoals vroeger.

Het stadje leeft nu vooral van het toerisme. Het is nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. Door het ontdooien van de permafrost zijn er wel flink wat huizen aan het wegzakken, die staan daardoor helemaal scheef. Je kan je in de zomer nauwelijks voorstellen dat het 9 maanden per jaar winter is en de temperatuur daalt tot rond de -25°C en zelfs -40°C.

We zagen toevallig een aankondiging van een lezing in het dorpshuis van een gezin met drie jonge kinderen, dat een jaar in het achterland had gewoond. We besloten om er heen te gaan. Ze toonden veel prachtige natuurfoto’s en vertelden over hun belevenissen.

Het gezin besloot om een jaar samen in de wildernis te gaan wonen, in een zelfgebouwde hut om eens goed tot elkaar te komen en omdat het kon. De hut moesten ze zelf bouwen en de reis er heen werd gemaakt in een paar rubberbootjes. Indrukwekkend.

Vlak buiten Dawson City kan je een stukje de heuvels in rijden en daar vind je nog een gouddelfmachine. De Dredge No.4, zie foto, was de grootste van deze drijvende fabrieken. Het principe is hetzelfde als zeven met een pan, alleen dan in het groot want deze “dredge”kon 4.000 m3 per dag zeven. In totaal werd er met deze machine 8 kubieke ton goud gedolven in 46 jaar. Op het hoogte punt wasten ze 23kg goud uit per 3 à 4 dagen.

Er zijn twee campings in Dawson, de ene is in het stadje zelf maar die is totaal ongeschikt om te tent-kamperen. Wel kan je er douchen voor $2.- Het is gewoon een geasfalteerd parkeerterrein voor RV’s. De andere camping is aan de overkant van de Yukon en je moet dus met de pont naar de overkant. Daar is dan een camping zonder faciliteiten, zelfs geen kantoortje of park ranger. Je moet een formulier invullen op een enveloppe met de data van aankomst en vertrek en het verschuldigde geld stop je in die enveloppe. Een stukje scheur je er af en dat bevestig je aan de paal bij je plek zodat iedereen weet dat die plek bezet is.

De hoeveelheid muggen was ook hier weer heftig. Daarom gingen we snel koken en dan de tent in. Door die muggen lagen we dan wel weer vroeg in bed.

Het plan was om hier vandaan de Dempster Highway op te rijden. Daarom gingen we naar het Tourist Office voor advies en ontmoeten daar een Fries die er werkte en tevens een motorrijder bleek te zijn.  Over de Dempster schreef ik een aparte column. Een van de dingen die we leerden was dat de afstand tot de eerste benzinepomp 400 km was- in Eagle Plains. Daar we niet zeker wisten of Dia dat zou redden op een tank, stelde hij voor dat we na zijn werk bij hem thuis kwamen om een jerrycan op te halen voor 5 L reservebenzine. Na de tocht zouden we hem weer terugbrengen. Zo gemakkelijk zo als dat gaat met alles daar en hoe bereid iedereen is om te helpen, dat vind je in West-Europa zelden meer.

Volgende keer: Alaska!

Van Vancouver naar Alaska op de motor

“Let’s go to the other side. We’re going all the way up!”

Weer een prachtig reisverslag van onze vaste columnist Hans den Ouden, die samen met zijn vrouw Dia deze reis maakte in 2019:

Veel familie van mij emigreerde na WO II naar Canada en allen gingen in het westen wonen. Het gevolg is dat ik nu in BC zo’n 50 familieleden heb, zowel van mijn vaders als moederskant. Dus we gingen eerst uitgebreid op familiebezoek en dat was dan ook meteen goed voor de jetlag. We kregen veel hulp met het afhalen van de motoren en er werd ons onderdak geboden, waar we uiteraard graag gebruik van gemaakt hebben. Uiteraard moesten er ook nog wat boodschappen gedaan worden want voor het koken moest er gas gekocht worden en we wilden ook een spuitbus “Bearspray” meenemen. Bearspray is hetzelfde als traangas, maar dat is dan weer verboden in Canada. We hebben het steeds bij ons gehad maar nooit nodig gehad al zagen we wel beren, zelfs van dichtbij.

Na een kleine week gingen we noordwaarts, uiteindelijk was dat de reden van onze reis.
Vanuit Vancouver reden we de Sea to Sky Highway, een leuke slingerende bergweg richting Whistler en daarna naar Lytton. Ooit was ik daar met mijn kinderen om te raften met Kumsheen Rafting op de Thompson River. Dat is echt “White Water Rafting”, erg spectaculair om te doen. Alleen toen we er aankwamen bleek dat ze tot eind juni alleen met motorboten voeren en de concurrent was gesloten. Jammer, maar daarom hebben we dat rondje later nog een keer gereden en de tweede keer ging het wel door en wat meer is, dat was op Labour Day en konden we voor de halve prijs mee. Dat was wel fijn want het is niet goedkoop.

Gelukkig is er wel een camping. De campings in de National Parks zijn veelal vrij primitief. Er zijn geen toiletgebouwen en alleen chemische toiletten, dat is geen feest want ze stinken enorm. Gelukkig is er meestal wel water, maar meestal alleen een kraan en geen douche.

De volgende dag deden we rustig aan, immers stond er geen raften op het menu. In Spences Bridge ontbeten we in een leuk zaakje aan de rivier en kwamen daar iemand tegen die onderweg terug was uit Alaska. Hij had er 24 dagen getoerd op zijn KTM en hij was er nog stil van.

We reden naar het noorden langs Kelowna en Lake Okaganan naar Shuswap Lake. Daar woont ook familie. Tegenover mijn neef Norm woont iemand die oude A Fords verzamelt en restaureert. Van alle ooit uitgebrachte modellen heeft hij er een en de meeste zijn inmiddels klaar.

Na een gezellige avond met Norm en Pauline gingen we verder richting Nakusp. We kregen onderweg een paar flinke buien over ons heen. Tegen de avond zagen we wel veel bliksem en regen in de bergen maar wij kampeerden droog. De volgende dag echter was zo nat dat we in Golden besloten om een hotel te nemen. De ferry’s die we onderweg namen waren allemaal gratis want in Canada maken die gewoon deel uit van het wegennet, zo is de filosofie.

Na 4 dagen van gemiddeld 400 km rijden waren we in Jasper. De week voor we aankwamen op 30 juni, bleek het er nog gesneeuwd te hebben. Onderweg kwamen we langs de Columbia Icefields aan de Icefields Parkway. Uiteraard was het daar erg druk. Grappig was het om te zien hoeveel mensen zich voor serieus geld (CA$ 87 pp) de gletsjer op laten vervoeren waar ze dan een kwartier een rondje mogen lopen. Na het boodschappen doen zaten we op het terras met twee andere bikers, ze hadden er zelfs Hefeweizen van de tap. Gezelligheid alom. We verbleven er in een cabin bij Beckers die €150 per nacht kostte. De campings waren er allemaal vol en het was ook de laatste cabin die we konden boeken.

Onderweg van Jasper naar Hythe zagen we de eerste beer, een Grizzly, kariboe’s en een elk. De kariboe’s zijn de neefjes van de rendieren.

 

De elk was net zo schuw als de elanden in Noorwegen, dus die was al weg voor ik de camera had getrokken.
In Hythe was de camping dan weer helemaal leeg en inclusief gratis hout voor een kampvuur betaalden we €10.-

Na een stevige regenbui in de nacht, met een kleddernatte tent tot gevolg, klaarde het ’s morgens op en bleef het verder droog die dag. Voor we erg in hadden waren we Mile Zero van de Alaska Highway gepasseerd. Zo’n plek waar iedereen een, die er langs komt, een foto van maakt.

De Alascan Highway is 2237 km lang. De eerste 450 km is tamelijk desolaat. Je komt er een benzine pomp en een winkeltje tegen, maar verder niets. Dan arriveer je in Fort Nelson, een dorpje met 4500 inwoners. Grappig is dat je steeds dezelfde motorrijders tegenkomt bij elke benzine pomp. Voorts door naar de Liard Hotsprings weer 500 km. Op dat hele traject is geen enkele winkel dus we konden ook geen eten in slaan. Gelukkig is er wel een indiaans restaurant waar je een buffalo burger kan eten. De tijd heeft daar flink stil gestaan. Bij de benzinepomp moet je zelf onthouden hoeveel liter je getankt hebt en dan binnen gaan afrekenen. Warbij met zo’n jaren 80 rekenmachientje vastgesteld wordt hoeveel je moet betalen.

Na een dagje relaxen in de Liard Hotsprings (waar de week daarna een aantal mensen werd vermoord door een stel gekken) gingen we naar Teslin Jct. Een spectaculaire rit want we zagen buffalo’s, meerdere beren, een wolf, herten en een racoon. Allemaal vrij dicht langs de kant van de weg. Helaas zijn sommigen dieren zo schichtig dat je niet de kans hebt om de camera te pakken voor ze verdwenen zijn.

Onderweg naar Teslin kom je langs Watson Lake waar het Signpost Forest is. Dat werd gestart door de bouwers van de Alcan Highway in 1942 en bevat nu duizenden nummerplaten en andere bordjes uit de hele wereld, een leuke lunch plek.
De camping daar in de buurt was vergeven van enorme muggen, die door je motorbroek heen steken. Daarom zijn we verder gereden en na 200 km kwamen we een hotel tegen.

De Mustang Valley

Trouwe bezoekers van ikzoekeenmotor.nl kennen inmiddels de prachtige reisverslagen van onze vaste motorcolumnist Hans den Ouden. Hans heeft momenteel, door de pandemie weinig ruimte om te reizen, maar via zijn motorverhalen van de afgelopen jaren laat hij ons meekijken in de prachtige motorreizen die Hans en Dia samen gemaakt hebben. Hier een verslag van De Mustang Valley.

De Mustang Valley

Nadat we half september 2019 terug waren uit Canada, resteerde er nog een reis dat jaar. We hadden ergens onderweg besloten dat deze reis er ook nog bij kwam dat jaar. Met Siem Edink en Daviprasad Sahoo besloten we naar Nepal te gaan.

Eind 2018 had Siem een oproepje gezet op de Facebook groep “de motorrijder” met de vraag of er mensen belangstelling hadden voor een reis door India en eventueel ook Nepal. Zo gingen we in het voorjaar naar India en in het najaar naar Nepal.

Siem en David zijn gestart met een bedrijf (Bikers for India) om motorreizen naar India en Nepal te organiseren.  O.a. te vinden op Facebook: //www.facebook.com/groups/389844315144464/

De reis naar Nepal begint in New Delhi omdat daar de motorfietsen gehuurd worden. Het zijn Royal Enfield Motoren. Je kan zelf kiezen met welk model je wil rijden. Ik koos voor de Himalayan, maar mijn vrouw, Dia reed op een Classic 350. De Himalayan is een Adventure model en de Classic is een laag model. Verder waren Gertjan en Gerry mee, op respectievelijk een Thunderbird en een Classic. De reis begint in Delhi omdat Nepal een enorme importheffing op motoren van meer dan 250cc hanteert en daardoor is huren daar veel duurder dan in India.

Je ziet veel van het land met Siem, hij weet heel erg veel te vertellen over de cultuur en het land en hij kan je meenemen naar plaatsen waar buitenlandse toeristen zelden komen. Hij trekt al jaren rond in India en Nepal en de afgelopen jaren deed hij dat op de motor. Mocht je pech krijgen, dan neemt David het op zich om dat op te lossen en je kan dan op zijn motor verder rijden. Zodoende hebben de reizigers geen oponthoud. Er is dus geen volgauto en dat scheelt aanzienlijk in de kosten.

Dit verhaal gaat over de Mustang Valley om precies te zijn het stuk van de weg van Pokhara tot aan Kagbeni. Je kan nog verder noordwaarts, naar de Upper Mustang, maar voor dat laatste stukje van 50-75 km moet je een entree betalen van US$ 500. Voor het eerste stuk moet je ook wel betalen, maar dat is maar €35.-

De reis duurde 28 dagen en bevatte enkele reserve dagen voor het geval er oponthoud zou zijn. De weersvoorspelling was dat er veel regen werd verwacht in de Mustang Valley en dus werd het programma aangepast en bezochten we eerst Katmandu. Desondanks was de weg nog erg nat en modderig.

In Pokhara is een gezellige wijk aan het meer waar je prima kan eten en ook leuk kan winkelen want er zijn heel veel buitensport zaken. De Annapurna ligt in de buurt en veel trekkings in dat gebied beginnen in Pokhara. De prijzen zijn van een andere orde dan in Europa.

Eenmaal op weg verandert na korte tijd het asfalt in een waar off-road traject met grote keien en ook, doordat het immers kort tevoren flink geregend had, veel modder. We waren om 6:00 u. opgestaan en hadden om 17:00 u. 60 km afgelegd. De weg doet denken aan een wat breed geitenpad. Vroeger was er ook nog een rivier waar je door heen moest, maar daar is nu een omweg en een brug voor gemaakt. Overigens zal over enkele jaren de weg geasfalteerd zijn en dan is er weer een stukje spektakel minder.

De reis verliep niet zonder problemen, de Himalayan heeft geen kickstarter i.t.t. tot de Classic en ergens halverwege hield de dynamo van mijn motorfiets het voor gezien zodat de accu leeg liep.Het starten lukte dan ook niet meer. Gelukkig heb ik bij de Bush Mechanic training bij //berrt.nl geleerd hoe je een motor aan kan slepen, want aanduwen is in de modder geen optie. Een sleepkabel hadden we dan weer niet. Siem ging op onderzoek uit en kwam na tien minuten terug met een stevig stuk elektriciteitskabel. Dat hebben we tussen de steps vastgemaakt en daarmee de motorfiets aangesleept. Dat lukt wonderwel vlot. Later, na het tanken startte hij natuurlijk weer niet. Er kwam toevallig een local aangelopen, die zei dat hij dat wel voor elkaar kreeg zonder de sleep. En inderdaad, met een kleine run sprong hij er op ende motor sloeg aan en we konden weer verder.

Tegen zonsondergang waren we nog niet op de bestemming aangekomen en rijden in het donker is te gevaarlijk en ik had natuurlijk ook geen licht meer. Op de plek waar we stonden waren twee hotels. We besloten naar het White Mountain hotel te gaan dat door twee Nepalese zussen werd uitgebaat. Ze hadden voldoende kamers en zorgden voor prima eten. Bishnu de oudste was een gezellige dame. Ze nodigde ons uit om op de terugweg weer bij haar te komen en dan zou ze ons meenemen naar een hotspring. Dat hebben we inderdaad gedaan. We hebben trouwens nog steeds contact op Facebook.

In Kagbeni zouden we twee dagen blijven, dus dat gaf de mogelijkheid om de motor te laten repareren zonder tijdsverlies.

Wel reed er nog iemand lek en de Royal Enfields hebben tubes, dus even een plug steken gaat niet. Er zijn echter overal mensen die snel een band kunnen repareren, alleen moet je de motor daar dan wel zien te krijgen. Dat gaat daar niet met de wegenwacht. Je houdt een vrachtwagentje aan en de motor wordt ingeladen en vervoerd naar een reparateur, dat kost maar een paar euro.

Tussen Kagbeni, waar we sliepen, en Muktinath, het verste punt van deze reis, ligt opeens weer een prachtige asfaltweg. Muktinath is een heilige plek voor hindoes en boeddhisten. De afstand is maar 12 km vanaf Kagbeni maar het is wel 800 meter hoger. Muktinath ligt op 3800 meter. Zo hoog kan je in Europa nergens komen met de motor. En je rijdt in een betoverend landschap. Tussen bergen van meer dan 8000 meter. De laatste 2 km reden we te paard, een noviteit voor mij.

De terugweg verliep makkelijker dan de heenweg want de weg was nu een stuk droger. We kwamen langs het Dutch Café. Sinds 1998 woont de Nederlander Patrick Maas daar met zijn Nepalese vrouw Purda. Je kan er Douwe Egberts koffie drinken en appeltaart eten. Grappig hoe je die dingen toch weer waardeert als je een tijd alleen maar Indiaas en Nepalees eten hebt genoten.

Ook op de terugweg verbleven we in Pokhara en reden daarna door naar Butwal om daarvandaan naar Kailai te vertrekken. De weg tussen Pokhara en Butwal is een prachtige bergweg met strak asfalt. De weg meandert langs een rivier en heeft fraaie uitzichten. Na de overnachting in Butwal reden we verder westwaarts over een mooi geasfalteerde weg, het traject was 335 km. Echter na 38 km besloot een tegenligger in een blinde bocht 4 vrachtwagens te gaan inhalen. Ik reed voor en uiterst links aan de buitenkant van de bocht naar rechts en zag de auto op eens recht voor me. Ik dacht “wegwezen en bermvlucht”, maar op min of meer hetzelfde moment lag ik voorbij de motor op mijn buik in de berm. Ik zag pas later dat ik de auto op het rechter voorspatbord geraakt moet hebben. Zelf mankeerde ik gelukkig weinig anders dan wat schaafplekken en een gekneusde duim. Het pak met goede bescherming en motorlaarzen bewees zijn dienst. Aan de motor was aanzienlijke schade, die was niet meer rijdbaar.

De politie kwam snel ter plaatse en stelde vast dat de Nepalees de enige schuldige was en dat ik schadeloos gesteld moest worden. Naast de politie kwam ook het leger en er liepen uiteindelijk zo’n 20 man rond. Er werd een vrachtwagen aangehouden en zowel de motor als ik werden naar Butwal gebracht naar de Royal Enfield dealer waar de motor gerepareerd zou worden. Onderdelen daarvoor moesten echter uit Kathmandu komen en daar ging een week mee heen.

Uiteraard hebben we die dag een rustdag ingebouwd want ik was er behoorlijk van slag van en mijn hand was flink gezwollen evenals mijn linker knie.  De volgende dag gingen we weer verder. Het kostte wat moeite om mijn handschoen aan te krijgen over de zwelling van mijn hand maar verder ging het rijden goed.

De arme David heeft daar een week op moeten wachten, terwijl wij met zijn motor doorreden.

De reis naar Delhi verliep verder ongestoord. We brachten nog een dag door in Delhi en daarna vlogen we weer naar Nederland.

Wil je nog wat bewegende beelden bekijken over het rijden in India en Nepal? Check dan deze Youtube filmpjes:

en

 

 

Je motor verschepen naar Noord-Amerika, hoe doe je dat?

Met regelmaat publiceren we verhalen van vaste columnisten. Vandaag weer een leerzaam verslag van Hans den Ouden:

“Ik wilde graag een rondreis maken in Canada en Alaska en daarna nog naar de andere staten van de VS. Ik heb heel wat tijd besteed aan het uitzoeken wat de beste manier was omdat te doen. De eerste gedachte was natuurlijk om dan daar een motor, of in ons geval twee motoren te huren. Dia, mijn partner rijdt zelf en gaat niet achter op. Bovendien zijn wij kampeerders en voor twee personen een complete kampeeruitrusting en overige bagage op een motor meenemen, dat is een uitdaging. Huren blijkt echter erg kostbaar, vooral als je langere tijd gaat. Het goedkoopste adres wat ik kon vinden was een verhuurder in Seattle. De prijs kwam dan op US$18.000 voor twee GS’sen 75-800 voor drie maanden.

Een alternatief is natuurlijk kopen, maar dat heeft ook zo zijn problemen want op de meeste plaatsen moet je een lokaal adres hebben om de motorfiets te naam te stellen. Ook is verzekeren voor buitenlanders langere tijd vrijwel onmogelijk geweest. Ook daarvoor moest je een lokaal adres hebben. Inmiddels in 2020 gaat dat weer makkelijker, maar in 2018-2019 was het erg moeilijk, zo niet onmogelijk. Ook moet je die motor weer zien te verkopen onder de tijdsdruk van je vertrek. Of je moet de motor terug kunnen verkopen aan een dealer waar je hem gekocht hebt. Dat zijn allemaal zaken die best lastig zijn.

Ik wilde uiteindelijk het liefst op mijn eigen motor kunnen rijden want die ken ik en ook waren de motoren opgetuigd voor lange reizen en met extra bescherming voor off-road gebruik. Een aantal dingen daarbij zijn in Europa wellicht overbodig, maar je moet er rekening mee houden dat schade aan een cilinderkop, of een lekke radiator door steenslag niet eenvoudig is op te lossen als de afstanden groot zijn. Immers in de VS en Canada is er bijv. meestal maar één BMW dealer per staat en dat geldt voor veel andere merken ook. Dus je kan zomaar 500 km moeten rijden naar een dealer.

Nadat het besluit genomen was de motoren te verschepen naar de overkant, volgde uiteraard de vraag: hoe dan? Je kan het per schip doen (dat lijkt goedkoper), maar ook per vliegtuig. Dat laatste kan zelfs meestal in hetzelfde vliegtuig als waar je zelf zit. Doe je dat, althans vlieg je met die zelfde maatschappij als waarmee de motor is verscheept, dan krijg je vaak korting.

Per schip moet de motor meestal in een kist in een container, hetgeen tot extra kosten leidt, zowel aan de ene kant van de oceaan als aan de andere. Wil je ook weer terug, dan moet die kist immers ergens opgeslagen worden. Ook krijg je te maken met de onregelmatigheid van het scheepsvervoer. Schepen krijgen nog al eens te maken met omwegen omdat ze elders nog een vracht moeten ophalen. De kosten van opslag in de haven van aankomst en de kosten voor de douane zijn ook hoger dan bij reizen per vliegtuig. Het is meer dan eens voorgekomen dat een motor pas arriveerde toen de reiziger al weken in het land was. Dat soort ongerief heb je niet bij luchtvracht. Immers het vliegtuig gaat van A naar B- dat is tegelijk een voorwaarde want er mogen geen tussenstops gemaakt worden met “dangerous goods” aan boord.

Kies je voor het overvliegen, dan ga je met je motor naar de luchthaven (ook Amsterdam Schiphol is mogelijk), je geeft de motor af en gaat naar de vertrekhal en vliegt naar de overkant. Daar ga je weer naar de luchtvrachtafdeling en je haalt je motor op. Het meest aantrekkelijk is om te vliegen naar Canada en niet naar de VS. Dat is qua papieren en tijdelijke import veel makkelijker. Je kan dan wel gewoon de grens over en daarvoor hoef je ook niet tevoren een ESTA aan te vragen. Als je aan de grens komt, dan wordt e.e.a. geregistreerd en krijg je een Visa Waiver in je paspoort waarmee je voorts zonder problemen de grens iedere keer over kan. Je moet er wel opletten dat je die bij de laatste grensovergang achterlaat, anders heb je bij een volgende reis een uitdaging. Het is overigens wel handig om een ESTA te hebben, want wordt je a priori geweigerd, dan kan je je de moeite verder besparen.

Uiteraard zitten er wel wat haken en ogen aan de procedure van de luchtvracht. Er mag maar een paar liter benzine in de motor zitten en soms moet de accu losgekoppeld zijn. De motor moet huishoudelijk schoon zijn, maar hoeft niet ontsmet te worden. Wij hebben ze door de wasstraat gehaald de dag tevoren, zoals we ze altijd schoon maken. Ook is er wat papierwerk. Het belangrijkste is de Airway Bill en een aantal stickers die je op je motor moet plakken. Die papieren worden allemaal verzorgd door de transporteur. Je motor wordt op een pallet neer gezet en vastgemaakt met spanbanden zoals eigenlijk ook op een ferry gebeurt. De bagage mag er op blijven, maar er mogen geen batterijen en ook geen spuitbussen in de bagage zitten.

Het kostte ons in 2019 ongeveer €2500 per motor voor een retour en dan natuurlijk nog je eigen ticket. Maar daarvoor kan je dan ook ongelimiteerd rijden en net zo lang als je zelf wilt, binnen de voorwaarden van je toelating zonder Visum. Voor Canada moet je wel een ETA aanvragen en dan mag je er 180 dagen blijven, in de USA onder het VISA waiver programma mag je 90 dagen blijven.
Wij maakten gebruik van motorcycleexpres.com een bedrijf dat niet anders doet dan motoren over de wereld over laten vliegen en het bleek ook nog eens de goedkoopste optie. Ze verzorgen desgewenst ook de verzekering. Dat was toen wij weggingen nog even moeizaam, want er waren toen geen verzekeringsmaatschappijen die zgn. Foreign Nationals wilden verzekering. Die situatie was het gevolg van de Europese Privacy wetgeving. Twee weken voor vertrek was het rond. In Canada is een WA verzekering verplicht, in de VS wisselt het per staat.

Hou er rekening mee dat veel Amerikanen niet verzekerd zijn en dat een Casco (All Risk) verzekering de moeite waard is. Voor relatief weinig geld kan je er ook nog Roadside Assistance bij nemen. In geval van pech of schade is een Tow truck niet goedkoop.
Een andere bekende motor transporteur is JamesCargo.com, maar dan vertrekt je motor van uit de UK. Ik weet niet of en hoe dat gaat na de Brexit.”

Motorreizen is leren

Onderstaand verhaal is geschreven door motorreiziger Hans den Ouden, één van de vaste motorcolumnisten van Ikzoekeenmotor.nl. Samen met zijn vrouw Dia maakt Hans prachtige reizen!

LET’S GO TO THE OTHER SIDE: De Dempster Highway in Canada

(Reizen is leren.) Eind 2018 ging ik met pensioen na bijna 40 jaar gewerkt te hebben als kinderarts. Ik kom uit familie met veel reizigers.

Dia houdt gelukkig ook van reizen en motorrijden. Ik had al jaren het plan om na mijn pensioen op reis te gaan en het leek ons fantastisch om dan om te beginnen een reis te maken naar Canada en Alaska. Maanden van plannen en routes bedenken gingen vooraf aan dit project. Nou ja, we kwamen eerst nog een maand in India terecht, dus helemaal gepland was alles ook niet.

De motoren werden overgevlogen naar Vancouver in BC, Canada en na enkele familiebezoeken gingen we naar het noorden. Dit verhaal gaat over de Dempster Highway in de Yukon.

De motoren waren van nieuwe banden voorzien toen we vertrokken en de reis verliep zonder problemen. In een andere column zal ik daar over schrijven.

Op een middag zaten we in een hotspring en raakten aan de praat met twee dames die helemaal enthousiast waren over de Dempster Highway en vonden dat we die zeker moesten rijden.

Bij aankomst in Dawson City hadden we er inmiddels 5000 km opzitten. We gingen naar de Tourist Information Center en spraken daar uitvoerig met een van de medewerkers. Het bleek een Fries te zijn, die ook nog eens motorreed. Hij reed de Dempster elke jaar wel een keer. Het is een 740 km lange gravelweg en je moet de zelfde weg terug. De weg eindigt in Inuvik en dan kan je nog een kleine 150 km verder naar Tuktoyaktuk aan de Arctic Ocean. Dat laatste stuk is diepe gravel en er zijn geen hotels, dus je moet dezelfde dag weer terug naar Inuvik.

De eerste benzinepomp bleek in Eagle Planes te zijn, na 400 km. Op de hele weg is er geen telefoon ontvangst, er woont ook niemand op dat stuk. De Fries leende ons een jerrycan met 5 liter benzine, voor het geval Dia’s R1200 GS tekort zou komen. Mijn R1200 GSA had uiteraard voldoende actieradius.

De volgende ochtend vroeg gingen we vroeg op pad want 400 km gravel op een dag is een beste afstand.

Eagle Plains haalden we zonder problemen. We hadden besloten een hotelkamer te nemen, maar het hotel bleek vol. Er naast ligt ook een camping, dus sloegen we de tent op. De volgende dag reden we verder en al vrij snel hadden we de eerste lekke band en daar zouden er nog een aantal van volgen.

We hadden ons verkeken op wat de gewone all-road banden konden verdragen op de scherpe gravel en waarschijnlijk hebben we ook wat te hard gereden, hetgeen de kans op lekrijden vergroot. Het landschap is overigens betoverend en ik zou het zo weer doen, maar dan wel beginnen met verse banden.

Op het laatste stuk van de terugweg ging het mis. Dia had een gat in haar achterband dat zo groot was dat het niet meer geplugd kon worden. Ook twee pluggen hielden het niet, het bleef lekken. We reden een uitwijkplaats op en gingen onze opties afwegen. Na korte tijd reed er een campertje de parkeerplaats op. De camper was van Oskar en zijn vrouw Ursula. Zij hadden hun spullen achter moeten laten tijdens een trektocht en gingen die ophalen, dat was een tocht van 4 dagen lopen. Ze waren al drie jaar onderweg met hun Toyota Landcruiser camper vanuit Ushuaia naar Alaska.

Ursula kookte voor ons en we mochten hun camper lenen, zodat we enigszins mugvrij de dag door konden brengen terwijl we wachtten op de tow-truck. Die tow-truck ben ik gaan bellen in het wegwerkers station, 160 km verderop. Ze kwamen de volgende dag om 17:00 uur en we waren zodoende om 23:00 weer in Dawson City, op een vrijdagavond.  Gelukkig was er nog een hotelkamer voor een nacht beschikbaar. Uiteraard was er geen band van de juiste maat te krijgen in Dawson. Wel in Whitehorse, 400 km verderop.

Op maandag zou die besteld worden en dan zou hij er dinsdag zijn met de lijnbus. Alleen stuurde de jongen van de bandenservice in Whitehorse een goede en een verkeerde maat op. Daar Dia’s band er het ergst aan toe was hebben we die vervangen en zijn we naar Whitehorse gereden. Onderweg moest er nog een keer een plug in mijn achterband gestoken worden, het was het zevende lek. Gelukkig werden de banden vlot vervangen en konden we onze reis voortzetten. Uiteindelijk zijn een week zoet geweest met dit probleem. Daarna zijn er geen lekke banden meer geweest, ondanks dat we nog flink wat gravel hebben gezien. Een, eventuele, volgende keer gaan er dus eerst verse banden op de motoren alvorens we aan de Dempster beginnen en zeker geen all-road banden. We hebben in Whitehorse gekozen voor Heidenau Scout 60’s met Ride-on er in. Die hebben ons in de volgende 20.000 km geen problemen meer gegeven.

Vanaf Whitehorse zijn we de Alaska Highway opgereden richting Fairbanks, Alaska en we hebben de route dus wat verlegd.

Wil je de beelden ook via Youtube bekijken, dat kan via:

 

Hans den Ouden leed aan MMS (het Multiple Motorcycle Syndrome)

Wie ben jij? Waar kom je vandaan?

Ik ben Hans den Ouden en ik ben geboren in Rotterdam in 1953. Ik ben getogen op Curaçao en door toeval weer in de buurt van Rotterdam terecht gekomen. Ik ben sinds anderhalf jaar met pensioen, dat had ik jaren eerder moeten doen. Ik kom uit een reislustig nest. Mijn ouders waren allebei gaan varen na de oorlog. Mijn vader voer zo’n negen keer van Nederland naar Indonesië als scheepsarts. Mijn ouders hebben elkaar op een schip ontmoet en zijn in Indonesië getrouwd in 1949. Na een korte interval in Nederland zijn we vervolgens naar Curacao verhuisd. De rest van mijn familie is ook vertrokken in die jaren, deels naar Canada en een broer van mijn moeder woonde jaren in Japan en later in Hong Kong.

 Ik was altijd meer met de zee bezig dan met het land. In mijn jeugd was ik vooral aan het zeilen en later aan het duiken. Mijn toenmalige schoonvader was duikinstructeur en ik werd dus al gauw ingezet als assistent.  Ik wilde in die tijd marien-biologie studeren, maar een bezoek aan de Calypso van Jacques Cousteau deed mij daar van afzien. Dat ging uiteindelijk negen maanden per jaar om olieboren. Vervolgens wilde ik met een zeilboot de wereld over. Maar daar kwam gezin en werk tussen. Ik vaar nog wel steeds graag en dan vooral op schepen van anderen op de Noordzee, maar ik heb ook wel op de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee gevaren.

Daarna wilde ik in de ontwikkelingshulp gaan werken in Kenia. Maar dat verhaal liep ook dood.

Op enig moment had ik een collega en diens man was helemaal lyrisch over motorrijden en zo sloeg de vonk over en ben ik ook gaan rijden. Daarnaast las ik veel reisverhalen, zoals Zen and the Art of Motorcycle Maintenance van Robert M. Pirsig en het boek van Ted Simon, Jupiter’s Travels. Dat leidde er allemaal toe dat ik ben gaan rijden.

Heb je vroeger eerst brommer gereden? Wat voor bromfiets was dat toen?

Ja ik heb een NSU gehad met drie versnellingen en daarna nog twee andere waarvan ik me niet meer kan herinneren van welk merk ze waren. Een was groen en de laatste geel. Dat brommer rijden had niets met motorrijden te maken maar meer met onafhankelijkheidsdrang. We woonden toen op Curaçao waar nauwelijks openbaar vervoer was en fietsen was niet te doen in de warmte. Dus tussen 16 en 18 reed bijna iedereen in mijn vriendenkring op een brommer. Velen hadden er een NSU want dat waren afdankertjes van de Shell.

Wanneer kocht jij jouw eerste motorfiets en wat voor een motor was dit?

Mijn eerste motor was een BMW K100, de “flying brick” van 1984. Ik kocht hem in 1993. Eigenlijk vond ik het niks, topzwaar en hij reed ook niet fijn. Na een jaar begon er van alles aan te mankeren en dacht ik “weg ermee” Ik was een keer ergens en daar hing zo’n grote poster van een nieuwe motor, een BMW R1100 RS, een fel rode. Dat was de nieuwe boxer toen, begin jaren 90. Ik kreeg die poster mee en die heb ik in mijn werkkamer opgehangen. Nadat ik er een jaar naar gekeken had, heb ik hem gekocht, inderdaad een rode. Dat is de motor die ik het langst gehad heb, acht jaar. Op een gegeven moment ging ik met een Amerikaanse vriendin een tocht maken van 8000 km aan de oostkant van de VS, ik mocht van een vriend van daar een BMW R1100 GS lenen. Toen ik thuiskwam heb ik meteen mijn toenmalige motor ingeruild voor een BMW R1200 GSA en sindsdien is dat “mijn” motor. Ik ben inmiddels aan de zesde bezig, want er zijn er twee gestolen uit mijn eigen garage nota bene.

Ben jij een “mooiweer-rijder” of een “door-rijder”?

Ik heb jaren lang woon-werk gereden, het hele jaar door en daarnaast nog de pretkilometers. Zodoende kwam ik aan 50-55.000 km per jaar. Soms was het lastig want ik hield er nooit zo van om te rijden als het sneeuwde en het gebeurde wel eens dat je na een nachtdienst naar huis moest en dan het intussen gesneeuwd. Dan is het wat  minder leuk. Ik had wel een pekelfiets in die tijd. Nu ben ik een mooiweer rijder, mits we niet op reis zijn. Want we zijn eigenlijk meer reizigers op de motor dan toerrijders of toeristen.

Stel: je wint een flinke prijs in de loterij. Wat voor motorfiets zou je dan kopen?

Ik heb een fantastische motor. Weliswaar een Jack of all Trades, Master of none. Een BMW R1250 GSA. Toen ik jonger was had ik altijd meerdere motoren, want ik leed aan het MMS, ofwel het Multiple Motorcycle Syndrome. Maar ik kan er toch maar op een tegelijk rijden, dus daar beperk ik me nu toe en ze zijn duur genoeg. Vorig jaar zijn we in totaal vijf maanden onderweg geweest.

Wat was de mooiste rit die je ooit reed?

Ik ben al op veel plekken geweest in Europa en daarbuiten zodat dit een lastige vraag is om te beantwoorden. Onze reis door Canada en de USA vorig jaar, 26.000 km in drie maanden- daar waren wel heel mooie stukken bij. Vooral Monument Valley en de Valley of the Gods waren spectaculair. Maar ook de tochten met Siem Edink in de Himalaya waren heel bijzonder. Eigenlijk zouden we nu ook in India zijn, in Himachal Pradesh en Kashmir, samen met Siem en David. Maar ja de corona crisis maakt dat onmogelijk.

Je maakt wel wat mee zo onderweg, in India sprong er een kalf voor mijn motor met wat blikschade tot gevolg. Toevallig was net iemand ons aan het filmen dus ik heb er ook nog beeld van. In Nepal trof ik een tegenligger, die in blinde bocht, vier vrachtwagens inhaalde. Dat was pijnlijker en gaf wel wat gedoe en pijn.

Op de Dempster Highway in het noorden van de Yukon in Canada reden we in twee dagen 7 keer lek. We kunnen nu dus heel goed banden pluggen en ook langs de kant van de weg de banden vervangen als het nodig mocht zijn.

Staat er nog een bijzondere toertocht op je bucket-list?

Wat ik heel graag wil doen is van Tierra de Fuego naar Alaska rijden. Het plan was om dit najaar te vertrekken als het voorjaar begint in Patagonië. De overtocht van de motoren is al geboekt. Alleen zit ook hier de corona in de weg.  Er zit eigenlijk geen tijdslimiet aan deze reis want we komen aan als we aankomen en we kunnen desnoods altijd de reis een tijdje onderbreken, mocht dat noodzakelijk zijn.

 

Denk je al aan een volgende motorfiets?

Ik heb serieus gekeken om de volgende reis te gaan maken met de Yamaha Tenere 700. Maar de totale investering voor twee motoren er bij vond ik te ver gaan en de BMW’s hebben we nu eenmaal. Ik had het idee om die Yamaha’s dan bij mijn familie in Canada te stallen, zodat we nog eens terug kunnen. Ik heb veel motorrijdende neven daar, dus dat zou wel lukken. Maar uiteindelijk staan de BMW’s in Nederland  weer af te waarderen als we daar zijn.

Wat heeft motorrijden jou gebracht in je leven?

Motorrijden is voor mij een manier van reizen, geen enkele andere manier van reizen brengt je het zelfde. Ik heb ook wel eens naar een campertje gekeken, maar het probleem is dat ik aan autorijden weinig plezier beleef. Ik zal nooit een stukje gaan toeren met de auto. We hebben een tijdje een cabrio gehad, we zijn er een keer mee weggeweest naar de Eifel. Het was prachtig weer en ik zat continu te denken, waarom ben ik hier niet met de motor? Vroeger reed ik veel harder dan nu, ik heb nu meer plezier in het reizen dan alleen maar zo hard mogelijk te rijden. Reizen is geen wedstrijd en een ongelukje tijdens een reis in  een afgelegen gebied heeft heel andere consequenties dan in Europa. Ik ben erg blij dat mijn vrouw net zo dol is op reizen en motorrijden als ik. En ook niet voor een kleintje vervaard is, zowel op de motor als daarbuiten.

Wat heb ik je niet gevraagd, en wil jij mogelijk toch nog kwijt?

Het is heerlijk om te rijden, maar daarnaast hebben we ook nog andere hobby’s. We duiken samen en deden al menige duikreis, ook naar verre buitenlanden. Ook proberen we onze conditie op peil te houden door veel te lopen en te fietsen, want hoe ouder je wordt, hoe belangrijker het is om op kracht te blijven. Ik wil me ook nog eens meer toeleggen op off-road rijden. Immers 80% van de wegen buiten Europa is onverhard en zo’n zware all-road is ideaal voor reizen, maar vergt wat meer van je techniek en rijvaardigheid dan een lichter apparaat.

Wie onze reizen wil volgen kan terecht op de FB pagina “Motorcycle Travels” (ook wel hansendiaopreis)

Je kunt ook terecht op mijn Youtube Kanaal.

Tipje van de redactie:
Wil jij meer lezen over motorreizen?
Ga dan naar deze rubriek voor meer artikelen.