Tagarchief: Hans den Ouden

De laatste tien dagen in Canada


De afgelopen maanden hebben we kunnen genieten van de reisverhalen van Hans en Dia. We hebben genoten van al hun routes door Noord-Amerika (Canada en Alaska). Namens de redactie@ikzoekeenmotor.nl willen we Hans en Dia enorm bedanken voor al hun verhalen! Hier het 15e verslag:

“Aan alles komt een eind, zo ook aan deze reis. Dia en ik reden in totaal 26.000 kilometer in een krappe drie maanden. Het was een fantastische reis, we hebben er dubbel en dwars van genoten. Ik zou het zo weer doen.

Na deze reis zijn we een maand thuis geweest en toen naar Nepal vertrokken. Het volgende grote reisplan is om de motoren naar Valparaiso te verschepen en dan eerst naar het zuiden te rijden tot Tierra del Fuego en dan naar het noorden door Zuid-Amerika, Midden-Amerika en dan naar de USA en Canada. Dat hadden we gepland voor het najaar van 2020, maar nu hopen we in het najaar van 2021 te kunnen vertrekken.

Maar nu eerst het verslag van de laatste tien dagen in Canada.

Op 4 september reden we weg uit Lytton richting de Rocky Mountains. We wilden nog een rondje over die prachtige wegen rijden en naar het prachtige Lake Louise.

De kilometerteller stond inmiddels op ongeveer 23.000 km. We wilden gaan kamperen in het plaatsje Golden. Wachtend op een ferry, die hier allemaal gratis zijn, spraken we een aantal andere motorrijders. Een er van was een ex-leraar, geboren in Nicholson.

Hij vroeg waar we heen gingen en hij adviseerde ons om door te rijden naar Nicholson, omdat de camping in Golden vlak naast een spoorcomplex lag en daar zou het erg lawaaiig zijn door de diesellocomotieven.  De camping stelde inderdaad niet teleur. We waren er vrijwel alleen.

Eveneens op zijn advies reden we de volgende dag naar het Bugaboo National Park. De weg daarheen is een Forest Service Road. De eerste 15 km waren prima, maar daar het de nacht er voor flink geregend had, was de weg een enorme modderpoel. Er kwam nog bij dat het landschap  minder spectaculair was dan er was voorgesteld. Daar hadden we geen trek in, het moet tenslotte niet op werken gaan lijken.

We keerden terug richting Highway 95 en reden langs de Kootenai River. In de namiddag bleek dat het bij Lake Louise nog drukker was dan in juni. We hadden geen zin om in de file te staan voor het parkeerterrein, dus wederom hebben we het gelaten voor wat het was. Ook in Banff was het vreselijk druk met zeer veel toeristen.

Over de Highway 93 reden we richting het Jasper Park. We wilden het rustig aan doen en stopten al om 11:30 uur bij de “Mosquito Campground”. Er waren gelukkig niet veel muggen. We waren precies op tijd om het laatste plekje op de camping te bemachtigen.

Tijdens een wandeling in de middag ontmoeten we een ouder Duits echtpaar met een camper, ze konden de camping niet vinden. De bewegwijzering was ook niet erg duidelijk. We zeiden tegen hen hoe ze moesten rijden, maar dat de camping waarschijnlijk vol was en dat ze desgewenst bij ons op de plaats konden komen staan. Bij toeval wist ik het nummer nog uit mijn hoofd. De plaats was zo groot, dat er makkelijk drie tenten op konden staan, zonder dat je mekaar in de weg stond. Het is opvallend hoe groot de plaatsen zijn op de campings, maar het aantal plaatsen is beperkt. Toen we later terugkwamen bleken ze er inderdaad te staan. We werden beloond met een paar koude biertjes en het aanbod dat zij de plek zouden betalen. Het bier hebben we aanvaard, maar de plaats was niet duur en toch al betaald.

Op 6 september reden we weer naar Jasper. Het eind van de tocht begon te naderen, hierna zouden we weer richting Vancouver gaan. Het was erg koud ’s nachts en mijn slaapzak begon wat oud te worden. Dan is een temperatuur rond het vriespunt toch wel wat frisjes. Ik heb die slaapzak al weer een jaar of 15. Met een Cordurahoes om de slaapzak, een muts op en een extra laag motorondergoed aan, kroop ik al vroeg onder de wol.

Dia ontmoette de volgende morgen een groep “elk” dames (elanden) die de ingang naar het toiletgebouw blokkeerden. De parkwachters kwamen ze wegjagen, zelfs van de camping af. De kudde was hiervan duidelijk niet onder de indruk, want een half uur later waren ze weer terug, maar nu bij onze tent. Ik kon ze mooi fotograferen. Ondanks dat ik afstand hield vond de heer van de kudde dat niet voldoende.

Met zijn imposante gewei kwam hij in gestrekte draf op me af. Ik voelde een stevige adrenaline stoot en rende een stukje voor hem uit, tot ik achter een boom kon schuilen. Hij bleef staan en liet zich fraai fotograferen. Ik moet zeggen dat ik meer onder de indruk was van het optreden van deze eland, dan van de beren en bisons die we onderweg waren tegengekomen.

We verlieten de camping om richting Sorento te rijden waar neef Norman met zijn vrouw Pauline woont aan het meer (Lake Shushwap). Ze hebben er een prachtig plekje, pal aan het meer. We zouden met hen, de volgende dag de omgeving gaan verkennen en het meer in de rondte rijden. Maar het weer zat tegen, dus lieten we dat achterwege. De Triumph van Norman kon op stal blijven. Wel hadden we een gezellig diner, ook neef Doug met zijn vrouw Ruth waren aanwezig. De volgende dag vertrokken we alsnog in de regen, gelukkig klaarde het al vrij snel op. Verder hebben we geen regen meer gehad.

We namen de prachtige Highway 99 richting Lillooet, langs de Fraser River. Onderweg stopten we om foto’s te maken en we spraken met een jong Frans stel. Ze waren op hun motoren vanuit Frankrijk naar Zuid-Korea gereden en daarna hadden ze de motoren verscheept naar Japan. Vandaar uit waren ze met het vliegtuig naar Vancouver gevlogen en nu waren ze drie dagen in British Colombia. Wat een reis! We begonnen meteen ook te filosoferen over onze volgende reizen want het reisvirus zit inmiddels diep in ons geworteld.

Vancouver kom je aan de noordkant de stad binnen en daar bleek dat het stadsverkeer erg druk te zijn. Op elke straathoek staan er verkeerslichten en we deden er drie kwartier over om het Richmond te bereiken waar het vliegveld vlak naast ligt. We hadden daar een B&B geboekt zodat we de volgende dag gemakkelijk de motoren konden inleveren,

De B&B bleek midden in “China Town” te liggen en de dame van de B&B was ook Chinees en sprak geen Engels. Google Translate bracht uitkomst. De kamer was zeer ruim en kostte nog geen €40.-

De thuisreis verliep verder ongecompliceerd. Vanaf Vancouver duurt de vliegreis naar Nederland 9 uur en er is een tijdsverschil van eveneens 9 uur. Alles bijeen is dat tamelijk vermoeiend. Het inklaren van de motoren in Nederland verliep redelijk vlot en de laatste 80 km naar huis, waren na de 26.000 km aan de overkant eigenlijk zo voorbij.

Zes weken later zaten we in het vliegtuig naar India om vandaar naar Nepal te rijden op Royal Enfields.”

Wordt vervolgd…

Wil je alle verhalen van Hans en Dia lezen, klik dan op deze link.

Vancouver Island

In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.

Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.

Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.

Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met  ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.

Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.

Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.

De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.

Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat  je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.

De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.

De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.

Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.

De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.

We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.

Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.

De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de www.kumsheenrafting.com company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.

Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.

We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.

Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:

Norton’s en BSA’s op de bodem van de zee

Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.

Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.

Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.

 Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.

 Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.

Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.

Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.

Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.

Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.

De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.

Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.

Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.

De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.

De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.

Go West Young Man

Go West Young Man

Juist nu we niet kunnen reizen, niet mogen reizen, is het een troost om reisverhalen te kunnen lezen. Gewoon even dat gevoel alsof je de prachtigste routes langs indrukwekkende Amerikaanse kusten rijdt. Hans en Dia den Ouden reizen al jaren over de hele wereld en in hun motorreis-verhalen op Ikzoekeenmotor.nl delen zij met ons hun belevenissen. En of je deze verhalen nu leest als motorrijder, of als reiziger in het algemeen, het blijft genieten….        Hier weer een verhaal van Hans:  

Na het buitenaardse traject door Utah kwamen we aan in Nevada. Achteraf hadden we vanuit Utah nog Arizona in moeten rijden en dan vooral richting de Grand Canyon. Want dat is natuurlijk ook een schitterende omgeving. Dat hebben we dan nog te goed voor een volgende reis. Het stuk door Nevada was tamelijk leeg en er waren weinig campings en hotels langs onze route. Zo reden we 1200 km in twee dagen en we hebben geen enkele foto gemaakt. Soms reden we 200 km door een totaal leeg gebied. Een deel van dit traject ging langs de oude Route 66.

Bij een supermarkt kwam er een andere motorrijder aangereden op een KTM 1290. Hij keek naar onze nummerplaten en zoals iedereen wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Zijn openingszin was: “I can tell  by your face that you’ve been on the road a long time.” En zo voelde het ook wel na 18.000 km.

De man was 76 en vertelde dat hij pas een off-road trip had gemaakt met zijn zoon en kleinzoon. Hij kreeg last van warmtestuwing (een zonnesteek) en hij belandde daardoor in het ziekenhuis. Het was dan ook flink warm. Ik heb hem onze “Cooldown” vesten laten zien en de werking uitgelegd. We zijn gestopt in Carson City, de hoofdstad van Nevada en hebben onze plannen aangepast. We besloten om richting Sacramento te rijden en dan langs de kust over Highway One naar het noorden te rijden.

We waren erg moe van de afgelopen twee dagen rijden en sliepen mede daardoor ook nog eens slecht. Daarnaast moest er gas gekocht worden voor het kooktoestel en die winkel ging pas om 09:00 uur open. De timing om daar gas te gaan kopen bleek goed, want het oude blik was die zelfde avond leeg. We reden een heel stuk langs Lake Tahoe, een iconische plek. Het meer is prachtig en is omgeven door bergen. Tegen de wanden staan veel enorm grote huizen tussen naaldbomen. Het deed ons denken aan Paris Plage.

Van dit stuk had ik geen route gemaakt en dus gebruikte ik de functie “kronkelroute” van de Garmin Navigatie. In Nederland werkt dat niet geweldig maar hier wel. Behalve 10 km snelweg ging het inderdaad alleen maar over kleine bochtige weggetjes. Wel werd het weer erg warm, de temperatuur liep op tot 38ºC.

Na Lake Tahoe volgende nog Lake Donner, ook een mooi meer in de heuvels. We kampeerden in Oroville op weg naar Ford Braggs aan de kust.

De volgende dag reden we een leuke slingerweg door Napa Valley, tussen de wijngaarden door en daarna alleen maar bochten tot we aan de kust waren. Het werd in de middag wederom 38ºC en ondanks de Cooldown vesten was het samen met het intensieve rijden erg vermoeiend. Gelukkig ging de weg in de middag door een bos met sequoia bomen. We vonden een camping die vol stond met deze bomen.

Het bordje bij de camping meldde dat er geen plek was, de ervaring heeft geleerd dat het toch vaak loont om dat nog even na te vragen. De dame aan de balie meende in eerste instantie ook dat ze geen plek had, maar uiteindelijk bedacht ze dat er toch nog een klein plekje beschikbaar was. Op de foto kan je zien dat klein een relatief begrip was.

De volgende dag reden we op de kustweg en daar was het een comfortabele 21ºC. Op de parkeerplaats bij de supermarkt kwam een zeker Larry naar me toe. Hij wilde alles weten van onze reis en wilde met ons op de foto. Hij reed ook op een GS, maar hij was nog nooit op reis geweest. Hij bleek een pastor te zijn, na het gesprek kreeg ik een boekje van hem, zie de foto, nu zou het vast goed komen met ons…

Vanaf Gualala reden we langs de kust noordwaarts over een prachtige weg, grotendeels met uitzicht over de oceaan. Na een half uur kwamen we bij wegwerkzaamheden waar we tien minuten moesten wachten op de tegenliggers.

Tijd genoeg dus voor een babbel met de verkeersregelaar en de agent die er toezicht hield. Uiteraard werd er uitgebreid gevraagd waar we vandaan kwamen en hoe we de motoren getransporteerd hadden.  Na wat selfies over en weer konden we weer verder rijden. De temperatuur vlak aan zee was wederom perfect met 21ºC. Na 150 km boog de weg, Highway One af landinwaarts en liep de temperatuur snel op naar 32ºC.

We kwamen langs de sequoiaboom waar je met de auto onderdoor kan rijden. Dat kost $10.- voor twee motoren. Het staat daar echter vol met van die bomen, daar kan je dan weer niet onderdoor, maar ach.  Highway 1 gaat over in de 101 en die loopt weer terug naar de kust, alleen dat is dan 150 km verder. We besloten te stoppen na slechts 185 km gereden te hebben en vonden een camping met zwembad.

We zijn twee uur gaan wandelen in St. Patricks Point State Park. Vlak aan de kust was het met 12ºC aan de frisse kant,

 

De volgende dag reden we Oregon in. Californië is een dure staat. De camping daar kostte $39 gemiddeld en in Oregon $16. De benzine was in Oregon $0,70 per gallon goedkoper. De camping in Humbug Mountain State Park was wat meer ingericht op tentkamperen i.p.v. RV’s.

Grappig is dat Amerikanen op een camping altijd onmiddellijk in de weer gaan met hout om een kampvuur te maken, dat zorgt kennelijk voor het “outdoor” gevoel of is het “survival”? In ieder geval zit je dus vaak in de rook en kerosine lucht. Iedereen heeft minstens twee honden bij zich. De buren hier waren continu in de weer met hun bedoeninkje. Het was verbazingwekkend om te zien wat ze meegesleept hadden. Ze hadden bijlen bij zich waar je een sequoia mee kon omhakken.

We reden verder langs de kust richting de ferry naar Vancouver Island. Onderweg zagen we veel arenden en in de zee zeehonden. Het was moeilijk om een camping te vinden want het was het laatste weekend van de schoolvakantie en dan trekken velen er nog even op uit, Uiteindelijk vonden we een KOA camping in Astoria, met nog een plek waar je de tent op een vlonder moet neer zetten. Dat paste maar net.

De volgende dag waren we in Washington en ook daar waren de campings erg vol. Bij een visten we net achter het net en werd de laatste plaats aan iemand anders vergeven. Het was inmiddels 16:30 uur en de dame van de camping zei dat er 100 mijl naar het noorden nog wel een camping was, dat is dus 160 km. We zagen er kennelijk moe en hopeloos uit, een van de mensen die wel een plekje hadden gekregen kreeg medelijden met ons en we mochten hun plekje hebben, zij zouden dan nog een eind naar het zuiden door rijden. Geweldig!

->> Volgende keer: Vancouver Island

Met je motor over de Million Dollar Highway

Wyoming, Idaho, Colorado en Utah

(Trouwe lezers volgen via onze site de motorreisverhalen van Hans den Ouden en zijn vrouw Dia. We horen zelfs dat mensen die nooit motorrijden ze met heel veel plezier nu lezen. De wens om te reizen is zeker nu voor velen herkenbaar. Hier weer een volgend verslag van Hans. Facebookers vinden Hans en Dia ook hier.)

Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.

We reden door het prachtige Grand Teton National Park en daarna nog door een ander park. Net zo fraai als Yellowstone en gratis toegankelijk. Het vinden van een aantrekkelijke camping viel niet mee. We reden er 10 voorbij zonder faciliteiten, alleen toilethuisjes met een grote bak waar het ongelooflijk stinkt en geen water is om je handen te wassen. Rond 16:00 uur begon het te regenen en de weg ging over in gravel. Dat is in de regen met een zwaar beladen GS een uitdaging. Aan het einde van de middag, na 450km rijden, hadden we daar geen zin meer in.

Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.

 

Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog.  De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.

Daar hebben we mee gewacht tot het bijna donker was.

Ook was het inkopen doen niet helemaal goed gelukt, er waren geen winkels in de buurt en daarom werd het een avondje water drinken in plaats van wijn.

De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado  waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-

We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.

De Million Dollar Highway, tussen Silverton en Ouray,werd gebouwd in 1882-1883 door een ondernemer, Otto Mears. Hij was een succesvol ondernemer en wilde het zuidwesten van Colorado verbinden met de buitenwereld. Het bouwen van de weg kostte $10.000 per mijl. Ongelooflijk veel geld voor die tijd. Daarom werd er ook een aanzienlijke tol geheven, $5 voor een paard en wagen en $1.- voor elk stuk vee. Het aanleggen van de weg gebeurde door mannen aan touwen naar beneden te laten zakken naar de juiste hoogte, die plaatsten dan dynamiet en voor het ontplofte werden ze weer snel omhoog gehesen. De geschiedenis van Otto Mears, hoe hij als wees, zonder enig geld begon en zo ver wist te komen is de moeite waard om eens te lezen.

De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”

De weg heeft nog steeds geen vangrails en naar beneden kijken vanaf de motor voelde best wel spannend. Gelukkig was het mooi weer tot Durango. Daar begon het ongelooflijk hard te regenen. Een complete wolkbreuk. Na een half uur nam de regen gelukkig af en reden we richting Arizona langs het vierstatenpunt waar Arizona, Utah, New Mexico en Colorado aan elkaar grenzen. Er is  dat een monument waar ik wilde gaan kijken, ook daar was ik in 1966. Tegenwoordig moet je $20 per voertuig betalen om het monument te bekijken en dat ging toch echt te ver.

We reden Utah in richting Monument Valley. Elke camping en elk hotel die we onderweg tegenkwamen zat vol, overwegend met busladingen Chinezen. Uiteindelijk kwamen we om 19:00u, na 568 km rijden, bij het Navajo reservaat aan en ook daar waren de tentplaatsen vol, maar we konden wel de laatste RV plek huren. Dat bleek achteraf gunstig, want de tentplekken bleken allemaal in het dal te liggen en konden alleen te voet bereikt worden, vanaf een hoger gelegen parkeerplaats en dat was dus een heel gesjouw geweest.

Nu stonden we boven op een plateau en hadden een schitterend uitzicht. Er stond een snoeiharde wind, zo hard dat we de tent maar ternauwernood opgezet kregen. We moesten grote keien verzamelen om op de scheerlijnen te leggen en de rotspennen vast te houden. Toen de zon eenmaal onder was, ging de wind gelukkig liggen en hadden we een prima plekje. Zowel de zonsondergang ’s avonds als de zonsopgang de volgende morgen waren sprookjesachtig. De hele omgeving is betoverend.

We zaten de volgende ochtend weer vroeg op de motor om de warmte voor te blijven. De Valley of the Gods en de “Road of the ancients” De weg door deze contreien, de Highway 95 is nauwelijks in woorden te vatten. Enerzijds rij je in een “onaardse” omgeving en anderzijds zitten de wegen ook nog vol bochten.

Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994, nabij Mexican Hat, dat is overigens vlak bij de plek waar we kampeerden. Er zijn mensen die er speciaal naar toe reizen om exact op die plek een foto te maken. Men stopt dan midden op de snelweg om een foto te maken. Hoewel het er stil lijkt, rijden er natuurlijk wel auto’s met meer dan 100 km/uur voorbij. Het staat inmiddels bekend als “Forrest Gump Point”

Na 410 km eindigden we in Escalante. Next stop: Carson City

(Wordt vervolgd….)

De Million Dollar Highway, al rijdend:

Terug naar het Zuiden

“In to the lower 48”

Hier weer een verslag uit onze vervolgserie van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets….

Vanaf de Moon Shadows camping reden we verder naar het zuiden, richting de staat Washington.

 

 

Highway 3 naar de grens is erg leuk rijden met heel veel bochten in een stuk van 56 km.  De grens overgaan als je een Visa Waiver in je paspoort hebt is erg makkelijk. We hoefden alleen ons paspoort te laten zien en konden weer verder rijden.

Auto’s werden strenger gecontroleerd, die moesten allemaal de kofferbak openen en campers werden ook van binnen geïnspecteerd.

Tegen lunchtijd waren natuurlijk, zoals gewoonlijk alle picknick tafels als bij toverslag verdwenen. We zijn daarom op een boomstam gaan zitten van een bedrijf met historische voertuigen, zoals de huifkar op de foto. Er was een uitstapje bezig dat ons deed denken aan het TV programma “We zijn er bijna” – er stonden tien dezelfde campers op een rijtje.

 

Na de grensovergang reden we richting Spokane, dat is  een saai stuk en veel graanvelden, eindeloos tot aan de horizon. De temperatuur liep op van 12ºC naar 33ºC, de warmste week tot dan toe – het was inmiddels 1 augustus.

We zetten de tent op nabij de Coulee dam, ten noorden van Spokane. De herten, een moeder met haar nageslacht, fotografeerde ik voor de tent zittend.

De staat Idaho heeft naar het noorden een smalle uitloper en daarna kom je in Montana. We reden richting Coeur d’Alene Lake.  Dat is een prachtige plek en er staan dan ook schitterende huizen tegen de bergwand aan en daar loopt een heel leuk slingerweggetje. Kilometers lang genoten we van de omgeving.

De route was 450 km, we stopten op een leuke camping aan een riviertje, de St Joe river. De rivier was heerlijk om in te zwemmen. De camping had dan wel normale toiletten, maar geen douches. De rivier voldeed echte prima, ook voor het wassen van de kleren. We voelden ons net van die kleine Indiase vrouwtjes, die doen het immers ook zo.

We waren inmiddels al dagen op zoek naar een kapper, maar die zagen we nergens. Dus Dia heeft mijn haar geknipt en ik dat van haar. Ik heb geleerd dat het nog niet eenvoudig is.

De volgende dag reden we nog 120 km langs deze kronkelende rivier op de St. Joe River Road. Ik moest denken aan de Lekdijk, maar dan zonder drempels. We kwamen in totaal 2 auto’s tegen op dit traject. Ten zuiden van Missoula vonden we een camping aan het begin van de Lewis & Clark highway. Deze weg is genoemd naar de twee mannen die deze route voor het eerst aflegden, van het oosten naar het westen, in 1803. De expeditie vond plaats op verzoek van president Thomas Jefferson. Ze werden daarbij uitgebreid geholpen door de indianen (Nez Percé) en de relaties waren toen nog goed, sterker nog, de expeditie was mislukt zonder hun hulp door de invallende winter. Deze route is dus veel ouder dan route 66 en loopt een stuk noordelijker. Ze vertrokken vanuit St. Louis en eindigden aan de monding van de Columbia in Oregon.

De camping die net aan het begin ligt, bleek een Square Dance Hall te hebben waar elk weekend wordt gedanst sinds 1973. We waren er nog maar net of we raakten in gesprek met een van de de organisatoren die daar ook sinds 1973 optreden. Hij is een Duitser en zij bleek een Française.

Ze hebben daar een vaste stacaravan en elke zomer verzorgen ze het dansen gedurende een aantal maanden. We werden direct uitgenodigd om dit mee te maken inclusief hapjes en drankjes. De “gangmaker” vertelde ons alvast dat het kijken naar een Square Dance net zo spannend is als kijken naar opdrogende verf. Elke weekend staat de camping daarom min of meer vol want het trekt veel volk.

Het viel ons op hoeveel motoren er langs de camping reden op de Lewis & Clark highway, maar zodra je de weg oprijdt, staat er een bord dat aangeeft dat de komende 96 miles een “winding road” zijn, ofwel 150 km bochten. We reden in totaal 360 km, deels langs de rivier en deels door het land waar in 1863 grote veldslagen plaats vonden tussen de indianen en de “pioniers”. Er reden de hele dag veel motoren op de weg, bezig met hun Sunday Ride Out. We stopten uiteindelijk in Donnely waar het erg warm was.

Op 5 augustus 2019 waren we 52 dagen onderweg en hadden 16.000 km afgelegd. We reden 460 km door het eindeloze en uitgestrekte prairie landschap van Idaho. Het is zo enorm dat je het ook niet gemakkelijk kan fotograferen. Het gebied ligt op een hoogte van 1000 meter, het heeft indrukwekkende graanvelden en ook veel gras voor veevoer.

De temperatuur liep gestaag op tot 35ºC. We moesten elke anderhalf uur onze cooldown vestjes natmaken. We besloten een hotel op te zoeken in Arco want er was nergens schaduw, dus kamperen sprak ons niet aan.

Ook de volgende dag reden we nog een eind door de prairies tot we bij het Yellowstone Park aankwamen. Het park was erg druk en je mag er in voor $30 per motor.  Voor een auto hoeft maar $35 betaald te worden, onafhankelijk van het aantal inzittenden. Voor dat geld mag je er dan wel een paar dagen blijven. Alle campings waren echter vol, dus dat ging hem niet worden. In het park rij je eigenlijk in hetzelfde soort landschap als er buiten, alleen nu dan in de file.

De geisers zijn interessant om te zien, er stond een flinke file om het parkeerterrein op te rijden. Achteraf bleek dat aan de oostkant de wegen leuker zijn voor een motorrijder. Dan rij je via Beartooth Pass naar de ingang van het Yellowstone Park en dat moet een leuke weg zijn met haarspeldbochten. Die houden we dus te goed voor een volgende keer.

We verlieten het park via de zuiduitgang en na 410 km vonden we een zeer ruim opgezette camping, zij het wederom zonder douche. Gelukkig was er een wasbakje om te poedelen. Met deze temperaturen is dat noodzakelijk.

Op 7 augustus reden we verder naar het zuiden door het Grand Tetons National Park en het was weer een dag van 500 km.

Voor wat bewegende beelden, hier een kort filmpje:

 

The Cassiar Highway

Going South: The Cassiar Highway, Boya Lake

We brengen al een tijd verslag uit van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets. Hier “The Cassiar Highway.

De voorgaande twee dagen reden we 1200 km over de Alaska Highway tot aan het begin van de Cassiar Highway (ook wel Highway 37geheten). Deze weg is nog niet zo oud, hij werd voltooid in 1972 als gravelweg en het is er nog altijd erg stil. Ik las dat er ongeveer 700 voertuigen per dag overheen rijden. De weg is 874 km lang en inmiddels, op een enkele kilometer na, geasfalteerd. Er zijn geen dorpen aan de weg en na de supermarkt bij Dease Lake duurt het een hele tijd voor je weer wat voorraad kan inslaan. We hebben er daarom uitgebreid boodschappen gedaan.

We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.

Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.

De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje.  De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.

Het draagstoeltje kwam tegen de “trekker” en spoot het enorm irriterende goedje over vaders been. Hij zette snel zijn zoon op de grond en rende het ijskoude water in om zich af te spoelen. Er was geen stromend water op de camping. Later op de avond -rond middernacht- hoorden we een plons in het water en gingen kijken. Hij zat wederom in het water, in de loop van de avond was het branderige gevoel weer zo toegenomen dat hij het niet meer uithield. Om twee uur hoorden we hem nog een keer te water gaan.

De veiligheidspal kan je er maar beter in laten tot je het echt nodig hebt.

Op de camping spraken we met een jong, Duits, stel met drie kleine kinderen. De jongste was nog geen jaar oud, de andere twee waren kleuters. Ze waren op de fiets, ze konden door de kinderen niet erg ver fietsen op een dag, zo’n 50 km. Daar er verder geen campings meer zouden zijn, de komende 300 km vroeg ik hoe ze dat deden met overnachten. Dat zouden ze op de parkeerplaatsen doen langs de weg. En eten? Er zijn geen winkels. Nou dat zouden ze wel krijgen van automobilisten die er stopten. Over de beren maakten ze zich geen zorgen. We vonden het allemaal wel erg optimistisch om zo te reizen met zulke jonge kinderen. We hebben het er nog vaak over gehad…

Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.

 

Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.

Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.

Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.

Het was daar, eind juli niet warm, 9ºC in de ochtend en rond de middag max. 15ºC. Het weer was wat wisselvallig met af en toe een bui.

We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn.  Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.

De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.

Hyder is een leuk historisch dorpje, het hoort bij Alaska en dus de USA, je moet bij vertrek langs de Canadese douane. Wonderlijk genoeg niet als je er inrijdt en dus vanuit Canada de USA in gaat. Hyder heeft 63 inwoners en eigenlijk is alles er Canadees, ook het geld, alleen niet in het postkantoor, daar moet je met US$ betalen.

In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.

De laatste paar honderd kilometer op de Cassiar Highway zijn een beetje saai en je hebt er geen cell phone bereik en op de campings is geen wifi. Dan ben ik toch altijd weer blij dat ik de Garmin Inreach (Mini) mee heb, zodat als de nood aan de man is, er toch hulp ingeschakeld kan worden via een satellietverbinding, je kan over de hele wereld hulp inroepen als het fout gaat. Het apparaatje heeft niet alleen een noodknop, je kan er ook textberichten mee versturen naar elke cell phone en zelfs de thuisblijvers je spoor laten volgen op een website. Je kan de InReach met BT koppelen aan je smartphone en een app. en dan is het

Aan het eind van de Cassiar reden we de bergen weer in en het werd meteen een heel stuk warmer. De temperatuur liep op van 12-15ºC naar 28ºC.

We sloegen de tent vlak ten zuiden van Merrit op. Daar we op weg naar het noorden ook doorheen gekomen. De camping heette Moon Shadows, er pal naast lag een festival veld waar de volgende dag een muziekfestival zou beginnen.  Als voorgerecht draaiden ze er nu jaren 70 muziek en country, heel gezellig zo.

De volgende dag zouden we de grens met de “lower 48” passeren en de USA inrijden.    ( …… wordt vervolgd …… )

Tip redactie: Wil je meer lezen over de motorreisverhalen van Hans den Ouden? Klik dan op deze tag, of hieronder op de tag “Hans den Ouden”.

Van Anchorage naar Homer

All the way to land’s end and back.
Anchorage-to Homer…

Hier weer een volgend stuk van de motorreis die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakt. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets.

We hadden nog geen camping op het oog toen we bij de BMW dealer waren in Anchorage, daarom vroegen we aan de dame die er werkte of zij er een kon aanbevelen. Ja zei ze, er zijn er een aantal, maar de leukste is bij de Harley-Davidson dealer en die is ook nog gratis. We reden er heen en meldden ons aan. Gezellige tent en aardige lui. De camping bleek een grasveld naast het gebouw te zijn en het sanitair was in het gebouw.

Er tegenover zaten meerdere restaurants. We bleken de enige gasten te zijn en daarbij was het een industrieterrein waar het was gevestigd. Dia zei meteen al dat ze het niet zo’n fijne plek vond, maar ik zei: “ach, wat kan er nou gebeuren?”

Afijn we hebben de tent opgezet en zijn gaan eten aan de overkant. Daar het redelijk uitgestorven was gingen we op tijd naar bed met het idee om vroeg te vertrekken. Om plm. 23:00 was er wat geschreeuw in de omgeving en dat hield niet op, het werd zelfs steeds erger. We zagen wat dronken zwervers op het terrein en bij het gebouw. Het was nog licht, uiteindelijk ben je in het hoge noorden. De lui waren evident dronken, aan het schreeuwen en luid aan het kotsen. Ze kwamen weliswaar niet in de buurt van onze tent, maar van slapen kwam het niet omdat ze ook steeds tegen de metalen vuilnisbakken schopten. Tot overmaat van ramp lag de “camping” strak onder de aanvliegroute van een plek waar watervliegtuigen landden. Gemiddeld kwam er elk kwartier een over en ze waren op dat moment ongeveer op 200m hoogte, een oorverdovend lawaai. Het werd zo geen goede nacht.

We besloten om 03:00u dat het mooi was geweest en hebben de tent afgebroken en we zijn vertrokken. We zagen tijdens het wegrijden uit de wijk dat er opmerkelijk veel zwervers in die buurt rondliepen.

 

Op naar het zuiden, langs de kust van het Kenai Peninsula. Rechts de zee en links de bergen. Een prachtige route, alleen hingen er dikke wolken boven op de bergen. Apart was dat het donkere wolken waren en wij reden in de zon.

Naderhand bleek dat het geen wolken waren maar rook van voorgaande bosbranden die bleef hangen tegen de bergwanden.

 

Aangekomen in Homer bleek dat de meeste campings vol waren. Alleen op de dure KOA camping was er plek voor ons en naast ons stond een andere BMW GSA rijder, Jeffrey uit Nieuw-Zeeland. Een schapenfokker die samen met een partner een grote schapenfokkerij uitbaatte. Omdat ze het samen deden kon hij elke jaar drie maanden op reis. Hij had heel Zuid-Amerika al gezien en dit was zijn eindpunt, nu ging hij net als wij omkeren en weer terug naar de “lower 48”. De motor liet hij steeds achter in de USA om het jaar daarop weer terug te keren.

Een paar duizend kilometer verderop stonden we toevallig weer naast elkaar op de camping in Whitehorse. Daarover later meer.

Opvallend was dat ook deze camping vooral was ingericht op RV’s, er was bijvoorbeeld maar één wc, wel vier douches, dat dan weer wel. De tentplekken zijn dan een soort gemalen steen met een houten omlijsting waardoor de tent er eigenlijk net niet op past. Dat hebben we vaker meegemaakt.

Er bloeien daar prachtige paarse bloemetjes, de camping stond er vol mee, maar ook de omgeving. Dat geeft een vrolijk beeld.

De volgende dag reden we weer terug naar Anchorage zochten een wat rustigere camping op en ontmoeten daar al weer een andere GS rijder, Charles uit Tennesse. Hij was gestopt met zijn baan en had geïnvesteerd in een aantal appartementen. Eens per maand vloog hij naar huis om zijn zaken te regelen en dan kwam hij weer terug om zijn reis voort te zetten. Dat deed hij nu al een aantal jaren.

Dinsdag, zoals gepland, waren we bij de BMW dealer voor de oliewissel. I.v.m de garantie deden we dit bij de dealer en verder onderhoud was nu niet nodig. Dat hadden we tevoren afgesproken met de dealer in Nederland.

We waren op dat moment 39 dagen op reis en precies 10.000 km onderweg. Vervolgens vertrokken we richting Tok. Een prachtige stuurweg. Helaas betrok de lucht na 200 km en voordat we ons regenpak hadden kunnen aantrekken begon het keihard te regenen. Gelukkig duurde het maar een minuut of 20 voordat de zon weer doorbrak.

In de middag werd het weer somber en we besloten in het plaatsje Glacier View een kamer te zoeken. In de Mountain Goat Lodge had je geen eigen badkamer maar er was wel een bubbelbad dat je kon reserveren. Vanuit het warme bad kijk je uit over de bergen. Prima zo.

In de avond kwamen we aan in Tok waar we verbleven op de Eagle Claw Motorcycle Campground.  Op internet stonden nogal wat verhalen over deze camping. Het zou een prima plek zijn waar je geweest moest zijn als motorrijder. Wij vonden hem evenwel matig en aan de prijs. Achteraf lag er tegenover een veel betere camping die de helft kostte. In de ochtend vertrokken we richting Whitehorse via Beaver Creek. We kwamen vroeg langs de grens en moesten de gebruikelijke vragen beantwoorden aan de Canadese douane. Heeft u wapens bij u en heeft u drugs bij u? Dat is eigenlijk het enige wat ze vragen en dan mag je weer door.

We hadden inmiddels contact gehad met Eldo Ens van het Visitors Centre in Dawson City en die vond het een prima plan als we de, van hem geleende, jerrycan achterlieten bij de Fries, Sid geheten, van het Visitors Centre in Beaver Creek. Al die Friezen daar kennen elkaar.  Het was een kille dag, 10º C, dus Dia maakte nog even van de gelegenheid om nog een extra laagje aan te trekken onder haar pak. Aan het eind van de middag arriveerden we in Whitehorse en hadden er 600 kilometer opzitten. En even later kwam ook Jeffrey uit Nieuw-Zeeland de camping op rijden.

Hij had inmiddels ook drie keer lek gereden en ging net als wij de volgende dag naar de Yahama dealer voor nieuwe banden.

Nu waren onze voorbanden met inmiddels 14.000 km ook aan vervanging toe. Dia vond het wel een uitdaging om de voorwielen zelf te demonteren en met een beetje hulp van Jeffrey ging dat prima.

Daarna reden we verder naar het zuiden naar de Cassiar Highway (Highway 37). Paul van Hooff schreef er uitgebreid over in zijn boek “Man in het zadel”. Toen was de weg nog niet geasfalteerd en waren benzinepompen schaars. Nu is het strak asfalt en kan je elke 100 km tanken. Winkels en restaurants zijn er nog wel schaars, maar ja er woont ook vrijwel niemand. In Dease Lake is een supermarkt, dat is het dan wel. We hadden gehoord dat de camping bij Boya Lake de moeite waard was, dus daar sloegen we af.

Volgende keer de vos, de bevers en de beer en dan de verder de Cassiar Highway af.

Wil je meer lezen over de motorreizen van Hans en Dia?
Tik hier op de tag.

Van Dawson City naar Anchorage

Hier weer een prachtig verhaal, in onze vervolgserie over motorreizen, geschreven door Hans den Ouden. Als je op zijn naam klikt, onderaan bij de TAGS onder dit artikel, vind je ook vaznelf alle andere artikelen die geschreven zijn door Hans. Onze vaste motorreis-collumnist

Let’s go north – Alaska

Na de rit over de Dempster Highway verbleven we nog een paar dagen in Dawson City. Na de Dempster Highway waren onze banden aan vervanging toe. Dat zou in Dawson City gebeuren, echter werden er vanuit Whitehorse twee verschillende achterbanden opgestuurd. We reden we daarom maar weer 530 km naar Whitehorse voor een tweede band.

Op de terugweg uit Alaska kwamen we weer langs Whitehorse en zouden we er nog een paar dagen verblijven. Daarover schrijf ik in een volgend hoofdstuk. We reden uit Whitehorse de Alaska Highway op, we kozen nu voor de zuidelijkere route, omdat we niet weer naar Dawson City terug wilden rijden. Het gevolg was wel dat we de jerrycan met reservebenzine niet terug konden geven aan de man in Dawson City. Uiteindelijk is dat toch nog goed gekomen.

Ik had de route zo gepland dat we langs Chicken in Alaska zouden rijden. Niet dat het zo een bijzonder stadje is, maar omdat het de eerste plaats in Alaska was, die een eigen website had en dat terwijl ze niet op het lichtnet waren aangesloten. Daar had ik toevallig eens over gelezen, ik schat al weer zo’n 25 jaar geleden. Door de bijzondere naam had ik het onthouden in het hoekje van mijn brein dat gevuld is met “nutteloze feitjes”.  Je kan op //www.chickenalaska.com zien dat het nog steeds niet veel is. Er wonen ook maar 7 mensen.

We reden 500 km richting Beaver Creek. De weg is recht, maar de omgeving is verbijsterend met eindeloze vergezichten en bergen. De foto’s spreken voor zich. Beaver Creek is een plaatsje met 95 inwoners, vlak voor de grens met Alaska.

Ook hier was de man in het Visitors Centre een Fries. Een boerenzoon uit Witmarsum. Ondanks dat hij 82 was, werkte hij hier nog dagelijks. Hij had een leuke hobby, het restaureren van oude MG’s. De auto op de foto is van 1958 en wordt elke dag pontificaal als blikvanger voor het Vistors Centre geparkeerd. Hij sprak nog vrij aardig Nederlands, ondanks dat hij als jongetje van 8 hier was aangekomen.

Winkels waren er niet in Beaver Creek, alleen een benzinepomp met een klein winkeltje. Voor de supermarkt moet je 500 km naar Whitehorse rijden. Wow…

De camping stond vol met grote RV’s van de “Snow Birds” zoals ze de bewoners er van noemen. In de zomer rijden ze naar het noorden en in de winter naar het zuiden, net als de trekvogels. Velen bezitten alleen zo’n RV en hebben geen huis meer, nou ja, dit zijn complete rijdende huizen. Vaak hebben ze nog een gewone auto, of zelfs een truck, mee op een aanhanger. Veel zijn er groter dan een stadsbus. Ze zijn ook van alle gemakken voorzien en nieuw kosten ze drie keer meer dan een gemiddeld huis. De afschrijving is wel indrukwekkend begrepen we van een eigenaar die ook motor reed, daarom hadden zij er een kunnen kopen voor $500.000 onder de nieuwprijs en hij was nog maar twee jaar oud.

Na een nachtje in Beaver Creek gingen we richting Fairbanks. Dat is een saai stuk met naaldbomen aan weerszijden. Het was erg druk in de stad, dat raak je ontwend na een aantal weken in het achterland.  We zochten een camping in Fairbanks, zoals die stond aangegeven in de Garmin.

Op de plek waar de camping had moeten zijn, was echter een woonwijk en die stond er echt al wel een tijdje aan de huizen te zien. Grappig was dat er precies op die plek een grote elk rondliep die zich te goed deed aan de struiken in de tuinen.

We vonden wel een wasbox waar de modder van de Dempster Highway van de motoren afgespoeld kon worden. Die plek staat overal aangegeven, omdat daar veel mensen langskomen die via de Dalton Highway naar Prudhoe Bay gereden zijn. Dat is ook een weg, waarvan velen vinden dat je hem gereden moet hebben, net zoals bij ons de Noordkaap. Hij eindigt bij de Arctic Ocean. De weg is echter druk met vrachtverkeer en er is ook veel blubber. Hij wordt aangesmeerd met Calcium Chloride en dat gaat echt overal aan en tussen zitten. Ik had thuis al veel filmpjes op YouTube bekeken over deze weg en wij hebben hem na rijp beraad overgeslagen.

Vanwege de drukte in Fairbanks, we waren inmiddels toch wel erg gesteld op de ruimte en rust van “the middle of nowhere” besloten we niet verder naar een camping te zoeken en nog een eindje door te rijden. We draaiden de Denali Highway op richting Anchorage. Onderweg wilden we tanken. Dia heeft zo’n leuk handig tanktasje van SW-Motech met een ring op de tank. Het ding kwam met geen mogelijkheid los. We zijn maar op zoek gegaan naar een camping om dan in alle rust het probleem oplossen. De camping  vonden we in Nenana, een gat met 100 inwoners maar een leuke plek. Na het opzetten van de tent zijn we aan de slag gegaan met de tanktas. Die kon van binnenuit losgeschroefd worden en dan kan je bij het mechaniek waarmee hij vastklikt op de tank. We zijn een uur bezig geweest met het uit elkaar peuteren en weer in elkaar zetten. Met veel gezucht en gesteun kregen we alle veertjes op hun plek en daarna werkte het ook weer. Deze dingen zijn dus niet echt stofbestendig.

De camping was prima, met overdekte kampeertafels en na een goede nachtrust vertrokken we vroeg richting Anchorage langs het Denali Park. De berg Denali heette een tijd Mount McKinley maar nu heeft hij zijn inheemse naam terug. De naam betekent “de hoge” en is de hoogste berg van Noord-Amerika met zijn 6194 meter. Hij ligt in een National Park waar je slechts bij loting met je eigen voertuig in mag en die zijn natuurlijk al lang van tevoren gereserveerd en dan krijg je een bepaalde dag toegewezen. Dat werkt natuurlijk niet als je op reis bent en niet hebt gepland wanneer je ergens bent. Wij hadden immers alleen de aankomst en vertrekdatum vastgelegd. Je kan echter ook met een toeristenbus door het park rijden. Dat schijnt wel leuk te zijn. Evenwel het was een donkere en regenachtige dag, sterker nog we hebben de hele berg niet gezien. Het was de enige dag dat we de hele dag in de stromende regen reden. We besloten door te rijden en gelukkig werd naar het zuiden het weer beter. Voor Anchorage had ik een afslag op genomen in de route, zodat we niet de hele dag op de snelweg zouden rijden.

We maakten een prachtige omweg door de bergen, met weer prachtige vergezichten. De laatste 50 km bleek echter onverhard te zijn. Het was redelijk diepe gravel en dat was na de avonturen op de Dempster toch even doorbijten. Het plan was om naar de BMW dealer te gaan in Anchorage en af te spreken dat we een 10.000 km oliewissel wilden doen als we er een paar dagen later weer langs zouden komen. Ik had me echter niet gerealiseerd dat het zaterdag was.

Vlak na sluitingstijd, om 16:00 uur, arriveerden we bij de BMW dealer. Gelukkig kwam er een jongedame naar buiten die ons vertelde dat ze ons, als reizigers, zeker nog ging helpen en we konden een afspraak maken voor dinsdag er na, precies zoals we gehoopt hadden.

Volgende keer: Kamperen bij de HD dealer in Anchorage en verder naar Homer op het Kenai Penisula

Hans en Dia, onderweg naar Alaska

“Let’s go North- The Northern Rockies & de YukonTerritories.”

Hier het volgende reisverslag van onze vaste columnist Hans den Ouden, die samen met zijn vrouw Dia deze reis maakte in 2019:

In 2019 reden we vanuit Vancouver naar het noorden. Van Teslin naar Takhini Hotsprings en voorts naar Dawson City.

We reden rustig aan, een kleine 250 km. We kwamen langs de Miles Canyon, vlak voor Whitehorse. De Miles Canyon is een prachtige plek waar je leuk kan wandelen, zoals we dan ook gedaan hebben. De wanden bestaan uit gestolde lava. De lavawand is 110 meter diep en 8.5 miljoen jaar gelden ontstaan. Een indrukwekkend stukje van de Yukon Rivier.

Grappig was dat er midden in het bos een stel muziek zat te maken, een gitarist en een violiste. Niet voor het geld, maar gewoon voor de lol.

 

Iets noordelijker rij je dan Whitehorse binnen en na korte tijd kom je langs de SS Klondike II. Dat was het tweede schip met die naam. Deze schepen werden gebruikt op de Yukon voordat de weg van Whitehorse naar Dawson City er was. Begin jaren 50 werd het schip overbodig en werd er een cruiseschip van gemaakt, alleen daar bleek geen vraag naar. Uiteindelijk werd het, net voor de sloop, gered en nu is het een National Historic Site of Canada.

Whitehorse ligt op km 1426 van de Alaska Highway in het zuiden van de Yukon. Het is de provinciehoofdstad en de plaats waar veel mensen komen om boodschappen te doen. Er zijn veel buitensportzaken en andere winkels.  Er zijn ook meerdere motordealers (o.a. Honda en Yamaha).

De eerste (westerse) bewoners in dit gebied waren overigens Russen en Aziaten. Dat waren pelsjagers.

Weer een klein stukje noordelijker kom je bij de Takhini Hotsprings waar we gingen kamperen en in het warme water wilden dobberen.

Een leuke camping met veel ruimte.

Er liep zelfs een vosje over de camping. In de middag gingen we in de Hotsprings liggen. Nu waren we reeds in de Liard Hotsprings geweest waar je echt in een natuurbad ligt en dit is meer een zwembad met warm bronwater. Een deel was zo warm dat je het er maar een paar minuten volhoudt, dan zwem je naar het volgende bad waar het wat minder heftig is. De bron is al ruim 100 jaar bekend en in gebruik om in te baden. Al luierend daar spraken we twee dames die onderweg waren naar het zuiden en net van de Dempster Highway afkwamen. De Dempster is een onverharde weg en Dia moest daar tot dan toe niet zoveel van hebben. Evenwel, het enthousiasme van de dames was zo groot, dat we besloten die weg te gaan rijden. De Dempster is 740 km lang en eindigt in Inuvik.

Dan kan je nog een eindje verder naar de Arctic Ocean, daar ligt Tuktoyaktuk (in de volksmond Tuk geheten). Grappig is dat Tuk vroeger Port Brabant heette. Er wonen ongeveer 1000 mensen in 283 huizen, vrijwel allemaal mensen van inheemse stammen. Dit stuk van 140 km werd gepland in de jaren 70 van de vorige eeuw, maar was uiteindelijk pas in November 2017 klaar, het kostte $300 miljoen!

Hoe de tocht over de Dempster verliep beschreef ik reeds in een andere column.

Na twee nachten op de Takhini camping gingen we verder de Alaska Highway op richting Dawson City, na korte tijd buigt de Alcan af naar het westen en ga je verder op de Klondike Hwy. Onderweg zagen we grote bosbranden en zelfs vlak langs de weg. Best wel spannend als het zo dichtbij komt.

Er zijn veel bosbranden in Canada. De grootste oorzaak daarvan is de hogere temperaturen tegenwoordig, vooral in de winter. Daardoor gaan de “Mountain Pine Beetles” niet dood en deze kevers hebben veel naaldbomen gedood, die dan vervolgens makkelijk afbranden.

Tegenwoordig zijn er regelmatig bosbranden ten noorden van de poolcirkel, dat kwam vroeger zelden voor. Je ziet ook hele bossen die er bruin uitzien, je denkt het lijkt wel herfst, maar het zijn dus dode bomen. Het viel me trouwens deze zomer in Frankrijk ook op dat er daar ook zo veel dode naaldbomen waren. Naar ik begreep is dat ook het gevolg van een kever.

De afstand van Whitehorse naar Dawson City is 532km over de Klondike Highway.

Dawson City is een goudkoorts stadje. De Klondike Goldrush. Nu wonen er nog 1375 mensen maar in 1898 waren hier kampen van goudzoekers met 40.000 mensen. Een van de beroemdste inwoners was Jack London, die er The Call of the Wild schreef (dat stond op mijn eindexamen boekenlijst Engels op de HBS). Er wordt nog steeds goud gedolven overigens, maar niet zoals vroeger.

Het stadje leeft nu vooral van het toerisme. Het is nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. Door het ontdooien van de permafrost zijn er wel flink wat huizen aan het wegzakken, die staan daardoor helemaal scheef. Je kan je in de zomer nauwelijks voorstellen dat het 9 maanden per jaar winter is en de temperatuur daalt tot rond de -25°C en zelfs -40°C.

We zagen toevallig een aankondiging van een lezing in het dorpshuis van een gezin met drie jonge kinderen, dat een jaar in het achterland had gewoond. We besloten om er heen te gaan. Ze toonden veel prachtige natuurfoto’s en vertelden over hun belevenissen.

Het gezin besloot om een jaar samen in de wildernis te gaan wonen, in een zelfgebouwde hut om eens goed tot elkaar te komen en omdat het kon. De hut moesten ze zelf bouwen en de reis er heen werd gemaakt in een paar rubberbootjes. Indrukwekkend.

Vlak buiten Dawson City kan je een stukje de heuvels in rijden en daar vind je nog een gouddelfmachine. De Dredge No.4, zie foto, was de grootste van deze drijvende fabrieken. Het principe is hetzelfde als zeven met een pan, alleen dan in het groot want deze “dredge”kon 4.000 m3 per dag zeven. In totaal werd er met deze machine 8 kubieke ton goud gedolven in 46 jaar. Op het hoogte punt wasten ze 23kg goud uit per 3 à 4 dagen.

Er zijn twee campings in Dawson, de ene is in het stadje zelf maar die is totaal ongeschikt om te tent-kamperen. Wel kan je er douchen voor $2.- Het is gewoon een geasfalteerd parkeerterrein voor RV’s. De andere camping is aan de overkant van de Yukon en je moet dus met de pont naar de overkant. Daar is dan een camping zonder faciliteiten, zelfs geen kantoortje of park ranger. Je moet een formulier invullen op een enveloppe met de data van aankomst en vertrek en het verschuldigde geld stop je in die enveloppe. Een stukje scheur je er af en dat bevestig je aan de paal bij je plek zodat iedereen weet dat die plek bezet is.

De hoeveelheid muggen was ook hier weer heftig. Daarom gingen we snel koken en dan de tent in. Door die muggen lagen we dan wel weer vroeg in bed.

Het plan was om hier vandaan de Dempster Highway op te rijden. Daarom gingen we naar het Tourist Office voor advies en ontmoeten daar een Fries die er werkte en tevens een motorrijder bleek te zijn.  Over de Dempster schreef ik een aparte column. Een van de dingen die we leerden was dat de afstand tot de eerste benzinepomp 400 km was- in Eagle Plains. Daar we niet zeker wisten of Dia dat zou redden op een tank, stelde hij voor dat we na zijn werk bij hem thuis kwamen om een jerrycan op te halen voor 5 L reservebenzine. Na de tocht zouden we hem weer terugbrengen. Zo gemakkelijk zo als dat gaat met alles daar en hoe bereid iedereen is om te helpen, dat vind je in West-Europa zelden meer.

Volgende keer: Alaska!