Tagarchief: Hans den Ouden

Cannonball

Voor de liefhebbers van motoren en muziek, even een lekkere “motorcycle song” van de Doobie brothers. Pat Simmons is een enthousiaste motorrijder. Met dank aan onze motorreiziger en schrijver Hans den Ouden voor de tip.

Cannonball

It’s cold outside and I know it’s time
Pack up my heart it’s a long hard ride
There’s a wind that’s blowin’ such a lonely prayer
Gotta keep goin’ now I’m halfway there

Faces in the windows of the cars drivin’ fast
Are holding onto memories and the moments flying past
I got ten more miles, and I’m there at last

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball

Well I stopped all alone at the top of the hill
I looked across the valley at the world so still
All the friends I’ve been missin’ and the ones I love
They shine like the diamonds from the sky above

Faces in the windows of the cars drivin’ fast
Are holding onto memories and the moments flying past
I got ten more miles, and I’m there at last

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball
Soul searchin’

Well it hurts inside, but I know I’m fine
Time to pick up the pieces, life’s a long hard ride
There’s a wind that’s blowin’ such a lonely prayer
I gotta keep goin’ now I’m almost there

I’m a steel horse runnin’ yeah my world keeps turnin’
I’ll follow this road where my heart’s still yearnin’
Still got the fire, and the flame keeps burnin’
I’m a cannonball shootin’ down the line
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball
Soul searchin’, woah oh
I’m a cannonball….

Met je hond op motorreis

Jij en je vrouw hebben allebei een prachtige motorfiets. En dan besluit je voor vrienden een hond op te vangen en tja, die moet natuurlijk mee. Dan laat je bij DCA Motorcycles aan een prachtige Yamaha FJR gewoon een zijspan bouwen. Want de hond moet toch ook mee kunnen op je motorreizen? We kijken naar een filmpje van onze trouwe lezer en schrijver Hans den Ouden:

Hans den Ouden vanuit de Pyreneeën

Zojuist krijgen we op de redactie een foto binnen van Hans Den Ouden, motorvriend en verhalenmaker op Ikzoekeenmotor.nl. Vanuit het prachtige Frankrijk een plaatje wat we met jullie mogen delen. Net gemaakt vlakbij Laruns in de Franse Pyreneeën. De motorreis van Hans en zijn verhalen zijn te volgen via Motorcycle Travels, een leuke Facebook groep over motorreizen! Met prachtige verhalen. Ideaal ook voor motorrijders die reisplannen hebben maar nog net over iets te weinig ervaring beschikken. Of gewoon leuk om te lezen voor mensen die genieten van reisverhalen. Wees er welkom!

De laatste tien dagen in Canada


De afgelopen maanden hebben we kunnen genieten van de reisverhalen van Hans en Dia. We hebben genoten van al hun routes door Noord-Amerika (Canada en Alaska). Namens de redactie@ikzoekeenmotor.nl willen we Hans en Dia enorm bedanken voor al hun verhalen! Hier het 15e verslag:

“Aan alles komt een eind, zo ook aan deze reis. Dia en ik reden in totaal 26.000 kilometer in een krappe drie maanden. Het was een fantastische reis, we hebben er dubbel en dwars van genoten. Ik zou het zo weer doen.

Na deze reis zijn we een maand thuis geweest en toen naar Nepal vertrokken. Het volgende grote reisplan is om de motoren naar Valparaiso te verschepen en dan eerst naar het zuiden te rijden tot Tierra del Fuego en dan naar het noorden door Zuid-Amerika, Midden-Amerika en dan naar de USA en Canada. Dat hadden we gepland voor het najaar van 2020, maar nu hopen we in het najaar van 2021 te kunnen vertrekken.

Maar nu eerst het verslag van de laatste tien dagen in Canada.

Op 4 september reden we weg uit Lytton richting de Rocky Mountains. We wilden nog een rondje over die prachtige wegen rijden en naar het prachtige Lake Louise.

De kilometerteller stond inmiddels op ongeveer 23.000 km. We wilden gaan kamperen in het plaatsje Golden. Wachtend op een ferry, die hier allemaal gratis zijn, spraken we een aantal andere motorrijders. Een er van was een ex-leraar, geboren in Nicholson.

Hij vroeg waar we heen gingen en hij adviseerde ons om door te rijden naar Nicholson, omdat de camping in Golden vlak naast een spoorcomplex lag en daar zou het erg lawaaiig zijn door de diesellocomotieven.  De camping stelde inderdaad niet teleur. We waren er vrijwel alleen.

Eveneens op zijn advies reden we de volgende dag naar het Bugaboo National Park. De weg daarheen is een Forest Service Road. De eerste 15 km waren prima, maar daar het de nacht er voor flink geregend had, was de weg een enorme modderpoel. Er kwam nog bij dat het landschap  minder spectaculair was dan er was voorgesteld. Daar hadden we geen trek in, het moet tenslotte niet op werken gaan lijken.

We keerden terug richting Highway 95 en reden langs de Kootenai River. In de namiddag bleek dat het bij Lake Louise nog drukker was dan in juni. We hadden geen zin om in de file te staan voor het parkeerterrein, dus wederom hebben we het gelaten voor wat het was. Ook in Banff was het vreselijk druk met zeer veel toeristen.

Over de Highway 93 reden we richting het Jasper Park. We wilden het rustig aan doen en stopten al om 11:30 uur bij de “Mosquito Campground”. Er waren gelukkig niet veel muggen. We waren precies op tijd om het laatste plekje op de camping te bemachtigen.

Tijdens een wandeling in de middag ontmoeten we een ouder Duits echtpaar met een camper, ze konden de camping niet vinden. De bewegwijzering was ook niet erg duidelijk. We zeiden tegen hen hoe ze moesten rijden, maar dat de camping waarschijnlijk vol was en dat ze desgewenst bij ons op de plaats konden komen staan. Bij toeval wist ik het nummer nog uit mijn hoofd. De plaats was zo groot, dat er makkelijk drie tenten op konden staan, zonder dat je mekaar in de weg stond. Het is opvallend hoe groot de plaatsen zijn op de campings, maar het aantal plaatsen is beperkt. Toen we later terugkwamen bleken ze er inderdaad te staan. We werden beloond met een paar koude biertjes en het aanbod dat zij de plek zouden betalen. Het bier hebben we aanvaard, maar de plaats was niet duur en toch al betaald.

Op 6 september reden we weer naar Jasper. Het eind van de tocht begon te naderen, hierna zouden we weer richting Vancouver gaan. Het was erg koud ’s nachts en mijn slaapzak begon wat oud te worden. Dan is een temperatuur rond het vriespunt toch wel wat frisjes. Ik heb die slaapzak al weer een jaar of 15. Met een Cordurahoes om de slaapzak, een muts op en een extra laag motorondergoed aan, kroop ik al vroeg onder de wol.

Dia ontmoette de volgende morgen een groep “elk” dames (elanden) die de ingang naar het toiletgebouw blokkeerden. De parkwachters kwamen ze wegjagen, zelfs van de camping af. De kudde was hiervan duidelijk niet onder de indruk, want een half uur later waren ze weer terug, maar nu bij onze tent. Ik kon ze mooi fotograferen. Ondanks dat ik afstand hield vond de heer van de kudde dat niet voldoende.

Met zijn imposante gewei kwam hij in gestrekte draf op me af. Ik voelde een stevige adrenaline stoot en rende een stukje voor hem uit, tot ik achter een boom kon schuilen. Hij bleef staan en liet zich fraai fotograferen. Ik moet zeggen dat ik meer onder de indruk was van het optreden van deze eland, dan van de beren en bisons die we onderweg waren tegengekomen.

We verlieten de camping om richting Sorento te rijden waar neef Norman met zijn vrouw Pauline woont aan het meer (Lake Shushwap). Ze hebben er een prachtig plekje, pal aan het meer. We zouden met hen, de volgende dag de omgeving gaan verkennen en het meer in de rondte rijden. Maar het weer zat tegen, dus lieten we dat achterwege. De Triumph van Norman kon op stal blijven. Wel hadden we een gezellig diner, ook neef Doug met zijn vrouw Ruth waren aanwezig. De volgende dag vertrokken we alsnog in de regen, gelukkig klaarde het al vrij snel op. Verder hebben we geen regen meer gehad.

We namen de prachtige Highway 99 richting Lillooet, langs de Fraser River. Onderweg stopten we om foto’s te maken en we spraken met een jong Frans stel. Ze waren op hun motoren vanuit Frankrijk naar Zuid-Korea gereden en daarna hadden ze de motoren verscheept naar Japan. Vandaar uit waren ze met het vliegtuig naar Vancouver gevlogen en nu waren ze drie dagen in British Colombia. Wat een reis! We begonnen meteen ook te filosoferen over onze volgende reizen want het reisvirus zit inmiddels diep in ons geworteld.

Vancouver kom je aan de noordkant de stad binnen en daar bleek dat het stadsverkeer erg druk te zijn. Op elke straathoek staan er verkeerslichten en we deden er drie kwartier over om het Richmond te bereiken waar het vliegveld vlak naast ligt. We hadden daar een B&B geboekt zodat we de volgende dag gemakkelijk de motoren konden inleveren,

De B&B bleek midden in “China Town” te liggen en de dame van de B&B was ook Chinees en sprak geen Engels. Google Translate bracht uitkomst. De kamer was zeer ruim en kostte nog geen €40.-

De thuisreis verliep verder ongecompliceerd. Vanaf Vancouver duurt de vliegreis naar Nederland 9 uur en er is een tijdsverschil van eveneens 9 uur. Alles bijeen is dat tamelijk vermoeiend. Het inklaren van de motoren in Nederland verliep redelijk vlot en de laatste 80 km naar huis, waren na de 26.000 km aan de overkant eigenlijk zo voorbij.

Zes weken later zaten we in het vliegtuig naar India om vandaar naar Nepal te rijden op Royal Enfields.”

Wordt vervolgd…

Wil je alle verhalen van Hans en Dia lezen, klik dan op deze link.

Vancouver Island

In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.

Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.

Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.

Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met  ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.

Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.

Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.

De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.

Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat  je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.

De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.

De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.

Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.

De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.

We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.

Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.

De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de www.kumsheenrafting.com company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.

Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.

We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.

Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:

Norton’s en BSA’s op de bodem van de zee

Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.

Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.

Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.

 Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.

 Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.

Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.

Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.

Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.

Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.

De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.

Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.

Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.

De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.

De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.

Go West Young Man

Go West Young Man

Juist nu we niet kunnen reizen, niet mogen reizen, is het een troost om reisverhalen te kunnen lezen. Gewoon even dat gevoel alsof je de prachtigste routes langs indrukwekkende Amerikaanse kusten rijdt. Hans en Dia den Ouden reizen al jaren over de hele wereld en in hun motorreis-verhalen op Ikzoekeenmotor.nl delen zij met ons hun belevenissen. En of je deze verhalen nu leest als motorrijder, of als reiziger in het algemeen, het blijft genieten….        Hier weer een verhaal van Hans:  

Na het buitenaardse traject door Utah kwamen we aan in Nevada. Achteraf hadden we vanuit Utah nog Arizona in moeten rijden en dan vooral richting de Grand Canyon. Want dat is natuurlijk ook een schitterende omgeving. Dat hebben we dan nog te goed voor een volgende reis. Het stuk door Nevada was tamelijk leeg en er waren weinig campings en hotels langs onze route. Zo reden we 1200 km in twee dagen en we hebben geen enkele foto gemaakt. Soms reden we 200 km door een totaal leeg gebied. Een deel van dit traject ging langs de oude Route 66.

Bij een supermarkt kwam er een andere motorrijder aangereden op een KTM 1290. Hij keek naar onze nummerplaten en zoals iedereen wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Zijn openingszin was: “I can tell  by your face that you’ve been on the road a long time.” En zo voelde het ook wel na 18.000 km.

De man was 76 en vertelde dat hij pas een off-road trip had gemaakt met zijn zoon en kleinzoon. Hij kreeg last van warmtestuwing (een zonnesteek) en hij belandde daardoor in het ziekenhuis. Het was dan ook flink warm. Ik heb hem onze “Cooldown” vesten laten zien en de werking uitgelegd. We zijn gestopt in Carson City, de hoofdstad van Nevada en hebben onze plannen aangepast. We besloten om richting Sacramento te rijden en dan langs de kust over Highway One naar het noorden te rijden.

We waren erg moe van de afgelopen twee dagen rijden en sliepen mede daardoor ook nog eens slecht. Daarnaast moest er gas gekocht worden voor het kooktoestel en die winkel ging pas om 09:00 uur open. De timing om daar gas te gaan kopen bleek goed, want het oude blik was die zelfde avond leeg. We reden een heel stuk langs Lake Tahoe, een iconische plek. Het meer is prachtig en is omgeven door bergen. Tegen de wanden staan veel enorm grote huizen tussen naaldbomen. Het deed ons denken aan Paris Plage.

Van dit stuk had ik geen route gemaakt en dus gebruikte ik de functie “kronkelroute” van de Garmin Navigatie. In Nederland werkt dat niet geweldig maar hier wel. Behalve 10 km snelweg ging het inderdaad alleen maar over kleine bochtige weggetjes. Wel werd het weer erg warm, de temperatuur liep op tot 38ºC.

Na Lake Tahoe volgende nog Lake Donner, ook een mooi meer in de heuvels. We kampeerden in Oroville op weg naar Ford Braggs aan de kust.

De volgende dag reden we een leuke slingerweg door Napa Valley, tussen de wijngaarden door en daarna alleen maar bochten tot we aan de kust waren. Het werd in de middag wederom 38ºC en ondanks de Cooldown vesten was het samen met het intensieve rijden erg vermoeiend. Gelukkig ging de weg in de middag door een bos met sequoia bomen. We vonden een camping die vol stond met deze bomen.

Het bordje bij de camping meldde dat er geen plek was, de ervaring heeft geleerd dat het toch vaak loont om dat nog even na te vragen. De dame aan de balie meende in eerste instantie ook dat ze geen plek had, maar uiteindelijk bedacht ze dat er toch nog een klein plekje beschikbaar was. Op de foto kan je zien dat klein een relatief begrip was.

De volgende dag reden we op de kustweg en daar was het een comfortabele 21ºC. Op de parkeerplaats bij de supermarkt kwam een zeker Larry naar me toe. Hij wilde alles weten van onze reis en wilde met ons op de foto. Hij reed ook op een GS, maar hij was nog nooit op reis geweest. Hij bleek een pastor te zijn, na het gesprek kreeg ik een boekje van hem, zie de foto, nu zou het vast goed komen met ons…

Vanaf Gualala reden we langs de kust noordwaarts over een prachtige weg, grotendeels met uitzicht over de oceaan. Na een half uur kwamen we bij wegwerkzaamheden waar we tien minuten moesten wachten op de tegenliggers.

Tijd genoeg dus voor een babbel met de verkeersregelaar en de agent die er toezicht hield. Uiteraard werd er uitgebreid gevraagd waar we vandaan kwamen en hoe we de motoren getransporteerd hadden.  Na wat selfies over en weer konden we weer verder rijden. De temperatuur vlak aan zee was wederom perfect met 21ºC. Na 150 km boog de weg, Highway One af landinwaarts en liep de temperatuur snel op naar 32ºC.

We kwamen langs de sequoiaboom waar je met de auto onderdoor kan rijden. Dat kost $10.- voor twee motoren. Het staat daar echter vol met van die bomen, daar kan je dan weer niet onderdoor, maar ach.  Highway 1 gaat over in de 101 en die loopt weer terug naar de kust, alleen dat is dan 150 km verder. We besloten te stoppen na slechts 185 km gereden te hebben en vonden een camping met zwembad.

We zijn twee uur gaan wandelen in St. Patricks Point State Park. Vlak aan de kust was het met 12ºC aan de frisse kant,

 

De volgende dag reden we Oregon in. Californië is een dure staat. De camping daar kostte $39 gemiddeld en in Oregon $16. De benzine was in Oregon $0,70 per gallon goedkoper. De camping in Humbug Mountain State Park was wat meer ingericht op tentkamperen i.p.v. RV’s.

Grappig is dat Amerikanen op een camping altijd onmiddellijk in de weer gaan met hout om een kampvuur te maken, dat zorgt kennelijk voor het “outdoor” gevoel of is het “survival”? In ieder geval zit je dus vaak in de rook en kerosine lucht. Iedereen heeft minstens twee honden bij zich. De buren hier waren continu in de weer met hun bedoeninkje. Het was verbazingwekkend om te zien wat ze meegesleept hadden. Ze hadden bijlen bij zich waar je een sequoia mee kon omhakken.

We reden verder langs de kust richting de ferry naar Vancouver Island. Onderweg zagen we veel arenden en in de zee zeehonden. Het was moeilijk om een camping te vinden want het was het laatste weekend van de schoolvakantie en dan trekken velen er nog even op uit, Uiteindelijk vonden we een KOA camping in Astoria, met nog een plek waar je de tent op een vlonder moet neer zetten. Dat paste maar net.

De volgende dag waren we in Washington en ook daar waren de campings erg vol. Bij een visten we net achter het net en werd de laatste plaats aan iemand anders vergeven. Het was inmiddels 16:30 uur en de dame van de camping zei dat er 100 mijl naar het noorden nog wel een camping was, dat is dus 160 km. We zagen er kennelijk moe en hopeloos uit, een van de mensen die wel een plekje hadden gekregen kreeg medelijden met ons en we mochten hun plekje hebben, zij zouden dan nog een eind naar het zuiden door rijden. Geweldig!

->> Volgende keer: Vancouver Island

Met je motor over de Million Dollar Highway

Wyoming, Idaho, Colorado en Utah

(Trouwe lezers volgen via onze site de motorreisverhalen van Hans den Ouden en zijn vrouw Dia. We horen zelfs dat mensen die nooit motorrijden ze met heel veel plezier nu lezen. De wens om te reizen is zeker nu voor velen herkenbaar. Hier weer een volgend verslag van Hans. Facebookers vinden Hans en Dia ook hier.)

Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.

We reden door het prachtige Grand Teton National Park en daarna nog door een ander park. Net zo fraai als Yellowstone en gratis toegankelijk. Het vinden van een aantrekkelijke camping viel niet mee. We reden er 10 voorbij zonder faciliteiten, alleen toilethuisjes met een grote bak waar het ongelooflijk stinkt en geen water is om je handen te wassen. Rond 16:00 uur begon het te regenen en de weg ging over in gravel. Dat is in de regen met een zwaar beladen GS een uitdaging. Aan het einde van de middag, na 450km rijden, hadden we daar geen zin meer in.

Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.

 

Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog.  De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.

Daar hebben we mee gewacht tot het bijna donker was.

Ook was het inkopen doen niet helemaal goed gelukt, er waren geen winkels in de buurt en daarom werd het een avondje water drinken in plaats van wijn.

De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado  waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-

We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.

De Million Dollar Highway, tussen Silverton en Ouray,werd gebouwd in 1882-1883 door een ondernemer, Otto Mears. Hij was een succesvol ondernemer en wilde het zuidwesten van Colorado verbinden met de buitenwereld. Het bouwen van de weg kostte $10.000 per mijl. Ongelooflijk veel geld voor die tijd. Daarom werd er ook een aanzienlijke tol geheven, $5 voor een paard en wagen en $1.- voor elk stuk vee. Het aanleggen van de weg gebeurde door mannen aan touwen naar beneden te laten zakken naar de juiste hoogte, die plaatsten dan dynamiet en voor het ontplofte werden ze weer snel omhoog gehesen. De geschiedenis van Otto Mears, hoe hij als wees, zonder enig geld begon en zo ver wist te komen is de moeite waard om eens te lezen.

De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”

De weg heeft nog steeds geen vangrails en naar beneden kijken vanaf de motor voelde best wel spannend. Gelukkig was het mooi weer tot Durango. Daar begon het ongelooflijk hard te regenen. Een complete wolkbreuk. Na een half uur nam de regen gelukkig af en reden we richting Arizona langs het vierstatenpunt waar Arizona, Utah, New Mexico en Colorado aan elkaar grenzen. Er is  dat een monument waar ik wilde gaan kijken, ook daar was ik in 1966. Tegenwoordig moet je $20 per voertuig betalen om het monument te bekijken en dat ging toch echt te ver.

We reden Utah in richting Monument Valley. Elke camping en elk hotel die we onderweg tegenkwamen zat vol, overwegend met busladingen Chinezen. Uiteindelijk kwamen we om 19:00u, na 568 km rijden, bij het Navajo reservaat aan en ook daar waren de tentplaatsen vol, maar we konden wel de laatste RV plek huren. Dat bleek achteraf gunstig, want de tentplekken bleken allemaal in het dal te liggen en konden alleen te voet bereikt worden, vanaf een hoger gelegen parkeerplaats en dat was dus een heel gesjouw geweest.

Nu stonden we boven op een plateau en hadden een schitterend uitzicht. Er stond een snoeiharde wind, zo hard dat we de tent maar ternauwernood opgezet kregen. We moesten grote keien verzamelen om op de scheerlijnen te leggen en de rotspennen vast te houden. Toen de zon eenmaal onder was, ging de wind gelukkig liggen en hadden we een prima plekje. Zowel de zonsondergang ’s avonds als de zonsopgang de volgende morgen waren sprookjesachtig. De hele omgeving is betoverend.

We zaten de volgende ochtend weer vroeg op de motor om de warmte voor te blijven. De Valley of the Gods en de “Road of the ancients” De weg door deze contreien, de Highway 95 is nauwelijks in woorden te vatten. Enerzijds rij je in een “onaardse” omgeving en anderzijds zitten de wegen ook nog vol bochten.

Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994, nabij Mexican Hat, dat is overigens vlak bij de plek waar we kampeerden. Er zijn mensen die er speciaal naar toe reizen om exact op die plek een foto te maken. Men stopt dan midden op de snelweg om een foto te maken. Hoewel het er stil lijkt, rijden er natuurlijk wel auto’s met meer dan 100 km/uur voorbij. Het staat inmiddels bekend als “Forrest Gump Point”

Na 410 km eindigden we in Escalante. Next stop: Carson City

(Wordt vervolgd….)

De Million Dollar Highway, al rijdend:

Terug naar het Zuiden

“In to the lower 48”

Hier weer een verslag uit onze vervolgserie van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets….

Vanaf de Moon Shadows camping reden we verder naar het zuiden, richting de staat Washington.

 

 

Highway 3 naar de grens is erg leuk rijden met heel veel bochten in een stuk van 56 km.  De grens overgaan als je een Visa Waiver in je paspoort hebt is erg makkelijk. We hoefden alleen ons paspoort te laten zien en konden weer verder rijden.

Auto’s werden strenger gecontroleerd, die moesten allemaal de kofferbak openen en campers werden ook van binnen geïnspecteerd.

Tegen lunchtijd waren natuurlijk, zoals gewoonlijk alle picknick tafels als bij toverslag verdwenen. We zijn daarom op een boomstam gaan zitten van een bedrijf met historische voertuigen, zoals de huifkar op de foto. Er was een uitstapje bezig dat ons deed denken aan het TV programma “We zijn er bijna” – er stonden tien dezelfde campers op een rijtje.

 

Na de grensovergang reden we richting Spokane, dat is  een saai stuk en veel graanvelden, eindeloos tot aan de horizon. De temperatuur liep op van 12ºC naar 33ºC, de warmste week tot dan toe – het was inmiddels 1 augustus.

We zetten de tent op nabij de Coulee dam, ten noorden van Spokane. De herten, een moeder met haar nageslacht, fotografeerde ik voor de tent zittend.

De staat Idaho heeft naar het noorden een smalle uitloper en daarna kom je in Montana. We reden richting Coeur d’Alene Lake.  Dat is een prachtige plek en er staan dan ook schitterende huizen tegen de bergwand aan en daar loopt een heel leuk slingerweggetje. Kilometers lang genoten we van de omgeving.

De route was 450 km, we stopten op een leuke camping aan een riviertje, de St Joe river. De rivier was heerlijk om in te zwemmen. De camping had dan wel normale toiletten, maar geen douches. De rivier voldeed echte prima, ook voor het wassen van de kleren. We voelden ons net van die kleine Indiase vrouwtjes, die doen het immers ook zo.

We waren inmiddels al dagen op zoek naar een kapper, maar die zagen we nergens. Dus Dia heeft mijn haar geknipt en ik dat van haar. Ik heb geleerd dat het nog niet eenvoudig is.

De volgende dag reden we nog 120 km langs deze kronkelende rivier op de St. Joe River Road. Ik moest denken aan de Lekdijk, maar dan zonder drempels. We kwamen in totaal 2 auto’s tegen op dit traject. Ten zuiden van Missoula vonden we een camping aan het begin van de Lewis & Clark highway. Deze weg is genoemd naar de twee mannen die deze route voor het eerst aflegden, van het oosten naar het westen, in 1803. De expeditie vond plaats op verzoek van president Thomas Jefferson. Ze werden daarbij uitgebreid geholpen door de indianen (Nez Percé) en de relaties waren toen nog goed, sterker nog, de expeditie was mislukt zonder hun hulp door de invallende winter. Deze route is dus veel ouder dan route 66 en loopt een stuk noordelijker. Ze vertrokken vanuit St. Louis en eindigden aan de monding van de Columbia in Oregon.

De camping die net aan het begin ligt, bleek een Square Dance Hall te hebben waar elk weekend wordt gedanst sinds 1973. We waren er nog maar net of we raakten in gesprek met een van de de organisatoren die daar ook sinds 1973 optreden. Hij is een Duitser en zij bleek een Française.

Ze hebben daar een vaste stacaravan en elke zomer verzorgen ze het dansen gedurende een aantal maanden. We werden direct uitgenodigd om dit mee te maken inclusief hapjes en drankjes. De “gangmaker” vertelde ons alvast dat het kijken naar een Square Dance net zo spannend is als kijken naar opdrogende verf. Elke weekend staat de camping daarom min of meer vol want het trekt veel volk.

Het viel ons op hoeveel motoren er langs de camping reden op de Lewis & Clark highway, maar zodra je de weg oprijdt, staat er een bord dat aangeeft dat de komende 96 miles een “winding road” zijn, ofwel 150 km bochten. We reden in totaal 360 km, deels langs de rivier en deels door het land waar in 1863 grote veldslagen plaats vonden tussen de indianen en de “pioniers”. Er reden de hele dag veel motoren op de weg, bezig met hun Sunday Ride Out. We stopten uiteindelijk in Donnely waar het erg warm was.

Op 5 augustus 2019 waren we 52 dagen onderweg en hadden 16.000 km afgelegd. We reden 460 km door het eindeloze en uitgestrekte prairie landschap van Idaho. Het is zo enorm dat je het ook niet gemakkelijk kan fotograferen. Het gebied ligt op een hoogte van 1000 meter, het heeft indrukwekkende graanvelden en ook veel gras voor veevoer.

De temperatuur liep gestaag op tot 35ºC. We moesten elke anderhalf uur onze cooldown vestjes natmaken. We besloten een hotel op te zoeken in Arco want er was nergens schaduw, dus kamperen sprak ons niet aan.

Ook de volgende dag reden we nog een eind door de prairies tot we bij het Yellowstone Park aankwamen. Het park was erg druk en je mag er in voor $30 per motor.  Voor een auto hoeft maar $35 betaald te worden, onafhankelijk van het aantal inzittenden. Voor dat geld mag je er dan wel een paar dagen blijven. Alle campings waren echter vol, dus dat ging hem niet worden. In het park rij je eigenlijk in hetzelfde soort landschap als er buiten, alleen nu dan in de file.

De geisers zijn interessant om te zien, er stond een flinke file om het parkeerterrein op te rijden. Achteraf bleek dat aan de oostkant de wegen leuker zijn voor een motorrijder. Dan rij je via Beartooth Pass naar de ingang van het Yellowstone Park en dat moet een leuke weg zijn met haarspeldbochten. Die houden we dus te goed voor een volgende keer.

We verlieten het park via de zuiduitgang en na 410 km vonden we een zeer ruim opgezette camping, zij het wederom zonder douche. Gelukkig was er een wasbakje om te poedelen. Met deze temperaturen is dat noodzakelijk.

Op 7 augustus reden we verder naar het zuiden door het Grand Tetons National Park en het was weer een dag van 500 km.

Voor wat bewegende beelden, hier een kort filmpje:

 

The Cassiar Highway

Going South: The Cassiar Highway, Boya Lake

We brengen al een tijd verslag uit van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets. Hier “The Cassiar Highway.

De voorgaande twee dagen reden we 1200 km over de Alaska Highway tot aan het begin van de Cassiar Highway (ook wel Highway 37geheten). Deze weg is nog niet zo oud, hij werd voltooid in 1972 als gravelweg en het is er nog altijd erg stil. Ik las dat er ongeveer 700 voertuigen per dag overheen rijden. De weg is 874 km lang en inmiddels, op een enkele kilometer na, geasfalteerd. Er zijn geen dorpen aan de weg en na de supermarkt bij Dease Lake duurt het een hele tijd voor je weer wat voorraad kan inslaan. We hebben er daarom uitgebreid boodschappen gedaan.

We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.

Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.

De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje.  De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.

Het draagstoeltje kwam tegen de “trekker” en spoot het enorm irriterende goedje over vaders been. Hij zette snel zijn zoon op de grond en rende het ijskoude water in om zich af te spoelen. Er was geen stromend water op de camping. Later op de avond -rond middernacht- hoorden we een plons in het water en gingen kijken. Hij zat wederom in het water, in de loop van de avond was het branderige gevoel weer zo toegenomen dat hij het niet meer uithield. Om twee uur hoorden we hem nog een keer te water gaan.

De veiligheidspal kan je er maar beter in laten tot je het echt nodig hebt.

Op de camping spraken we met een jong, Duits, stel met drie kleine kinderen. De jongste was nog geen jaar oud, de andere twee waren kleuters. Ze waren op de fiets, ze konden door de kinderen niet erg ver fietsen op een dag, zo’n 50 km. Daar er verder geen campings meer zouden zijn, de komende 300 km vroeg ik hoe ze dat deden met overnachten. Dat zouden ze op de parkeerplaatsen doen langs de weg. En eten? Er zijn geen winkels. Nou dat zouden ze wel krijgen van automobilisten die er stopten. Over de beren maakten ze zich geen zorgen. We vonden het allemaal wel erg optimistisch om zo te reizen met zulke jonge kinderen. We hebben het er nog vaak over gehad…

Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.

 

Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.

Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.

Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.

Het was daar, eind juli niet warm, 9ºC in de ochtend en rond de middag max. 15ºC. Het weer was wat wisselvallig met af en toe een bui.

We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn.  Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.

De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.

Hyder is een leuk historisch dorpje, het hoort bij Alaska en dus de USA, je moet bij vertrek langs de Canadese douane. Wonderlijk genoeg niet als je er inrijdt en dus vanuit Canada de USA in gaat. Hyder heeft 63 inwoners en eigenlijk is alles er Canadees, ook het geld, alleen niet in het postkantoor, daar moet je met US$ betalen.

In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.

De laatste paar honderd kilometer op de Cassiar Highway zijn een beetje saai en je hebt er geen cell phone bereik en op de campings is geen wifi. Dan ben ik toch altijd weer blij dat ik de Garmin Inreach (Mini) mee heb, zodat als de nood aan de man is, er toch hulp ingeschakeld kan worden via een satellietverbinding, je kan over de hele wereld hulp inroepen als het fout gaat. Het apparaatje heeft niet alleen een noodknop, je kan er ook textberichten mee versturen naar elke cell phone en zelfs de thuisblijvers je spoor laten volgen op een website. Je kan de InReach met BT koppelen aan je smartphone en een app. en dan is het

Aan het eind van de Cassiar reden we de bergen weer in en het werd meteen een heel stuk warmer. De temperatuur liep op van 12-15ºC naar 28ºC.

We sloegen de tent vlak ten zuiden van Merrit op. Daar we op weg naar het noorden ook doorheen gekomen. De camping heette Moon Shadows, er pal naast lag een festival veld waar de volgende dag een muziekfestival zou beginnen.  Als voorgerecht draaiden ze er nu jaren 70 muziek en country, heel gezellig zo.

De volgende dag zouden we de grens met de “lower 48” passeren en de USA inrijden.    ( …… wordt vervolgd …… )

Tip redactie: Wil je meer lezen over de motorreisverhalen van Hans den Ouden? Klik dan op deze tag, of hieronder op de tag “Hans den Ouden”.