All the way to land’s end and back.
Anchorage-to Homer…
Hier weer een volgend stuk van de motorreis die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakt. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets.
We hadden nog geen camping op het oog toen we bij de BMW dealer waren in Anchorage, daarom vroegen we aan de dame die er werkte of zij er een kon aanbevelen. Ja zei ze, er zijn er een aantal, maar de leukste is bij de Harley-Davidson dealer en die is ook nog gratis. We reden er heen en meldden ons aan. Gezellige tent en aardige lui. De camping bleek een grasveld naast het gebouw te zijn en het sanitair was in het gebouw.
Er tegenover zaten meerdere restaurants. We bleken de enige gasten te zijn en daarbij was het een industrieterrein waar het was gevestigd. Dia zei meteen al dat ze het niet zo’n fijne plek vond, maar ik zei: “ach, wat kan er nou gebeuren?”
Afijn we hebben de tent opgezet en zijn gaan eten aan de overkant. Daar het redelijk uitgestorven was gingen we op tijd naar bed met het idee om vroeg te vertrekken. Om plm. 23:00 was er wat geschreeuw in de omgeving en dat hield niet op, het werd zelfs steeds erger. We zagen wat dronken zwervers op het terrein en bij het gebouw. Het was nog licht, uiteindelijk ben je in het hoge noorden. De lui waren evident dronken, aan het schreeuwen en luid aan het kotsen. Ze kwamen weliswaar niet in de buurt van onze tent, maar van slapen kwam het niet omdat ze ook steeds tegen de metalen vuilnisbakken schopten. Tot overmaat van ramp lag de “camping” strak onder de aanvliegroute van een plek waar watervliegtuigen landden. Gemiddeld kwam er elk kwartier een over en ze waren op dat moment ongeveer op 200m hoogte, een oorverdovend lawaai. Het werd zo geen goede nacht.
We besloten om 03:00u dat het mooi was geweest en hebben de tent afgebroken en we zijn vertrokken. We zagen tijdens het wegrijden uit de wijk dat er opmerkelijk veel zwervers in die buurt rondliepen.
Op naar het zuiden, langs de kust van het Kenai Peninsula. Rechts de zee en links de bergen. Een prachtige route, alleen hingen er dikke wolken boven op de bergen. Apart was dat het donkere wolken waren en wij reden in de zon.
Naderhand bleek dat het geen wolken waren maar rook van voorgaande bosbranden die bleef hangen tegen de bergwanden.
Aangekomen in Homer bleek dat de meeste campings vol waren. Alleen op de dure KOA camping was er plek voor ons en naast ons stond een andere BMW GSA rijder, Jeffrey uit Nieuw-Zeeland. Een schapenfokker die samen met een partner een grote schapenfokkerij uitbaatte. Omdat ze het samen deden kon hij elke jaar drie maanden op reis. Hij had heel Zuid-Amerika al gezien en dit was zijn eindpunt, nu ging hij net als wij omkeren en weer terug naar de “lower 48”. De motor liet hij steeds achter in de USA om het jaar daarop weer terug te keren.
Een paar duizend kilometer verderop stonden we toevallig weer naast elkaar op de camping in Whitehorse. Daarover later meer.
Opvallend was dat ook deze camping vooral was ingericht op RV’s, er was bijvoorbeeld maar één wc, wel vier douches, dat dan weer wel. De tentplekken zijn dan een soort gemalen steen met een houten omlijsting waardoor de tent er eigenlijk net niet op past. Dat hebben we vaker meegemaakt.
Er bloeien daar prachtige paarse bloemetjes, de camping stond er vol mee, maar ook de omgeving. Dat geeft een vrolijk beeld.
De volgende dag reden we weer terug naar Anchorage zochten een wat rustigere camping op en ontmoeten daar al weer een andere GS rijder, Charles uit Tennesse. Hij was gestopt met zijn baan en had geïnvesteerd in een aantal appartementen. Eens per maand vloog hij naar huis om zijn zaken te regelen en dan kwam hij weer terug om zijn reis voort te zetten. Dat deed hij nu al een aantal jaren.
Dinsdag, zoals gepland, waren we bij de BMW dealer voor de oliewissel. I.v.m de garantie deden we dit bij de dealer en verder onderhoud was nu niet nodig. Dat hadden we tevoren afgesproken met de dealer in Nederland.
We waren op dat moment 39 dagen op reis en precies 10.000 km onderweg. Vervolgens vertrokken we richting Tok. Een prachtige stuurweg. Helaas betrok de lucht na 200 km en voordat we ons regenpak hadden kunnen aantrekken begon het keihard te regenen. Gelukkig duurde het maar een minuut of 20 voordat de zon weer doorbrak.
In de middag werd het weer somber en we besloten in het plaatsje Glacier View een kamer te zoeken. In de Mountain Goat Lodge had je geen eigen badkamer maar er was wel een bubbelbad dat je kon reserveren. Vanuit het warme bad kijk je uit over de bergen. Prima zo.
In de avond kwamen we aan in Tok waar we verbleven op de Eagle Claw Motorcycle Campground. Op internet stonden nogal wat verhalen over deze camping. Het zou een prima plek zijn waar je geweest moest zijn als motorrijder. Wij vonden hem evenwel matig en aan de prijs. Achteraf lag er tegenover een veel betere camping die de helft kostte. In de ochtend vertrokken we richting Whitehorse via Beaver Creek. We kwamen vroeg langs de grens en moesten de gebruikelijke vragen beantwoorden aan de Canadese douane. Heeft u wapens bij u en heeft u drugs bij u? Dat is eigenlijk het enige wat ze vragen en dan mag je weer door.
We hadden inmiddels contact gehad met Eldo Ens van het Visitors Centre in Dawson City en die vond het een prima plan als we de, van hem geleende, jerrycan achterlieten bij de Fries, Sid geheten, van het Visitors Centre in Beaver Creek. Al die Friezen daar kennen elkaar. Het was een kille dag, 10º C, dus Dia maakte nog even van de gelegenheid om nog een extra laagje aan te trekken onder haar pak. Aan het eind van de middag arriveerden we in Whitehorse en hadden er 600 kilometer opzitten. En even later kwam ook Jeffrey uit Nieuw-Zeeland de camping op rijden.
H
ij had inmiddels ook drie keer lek gereden en ging net als wij de volgende dag naar de Yahama dealer voor nieuwe banden.
Nu waren onze voorbanden met inmiddels 14.000 km ook aan vervanging toe. Dia vond het wel een uitdaging om de voorwielen zelf te demonteren en met een beetje hulp van Jeffrey ging dat prima.
Daarna reden we verder naar het zuiden naar de Cassiar Highway (Highway 37). Paul van Hooff schreef er uitgebreid over in zijn boek “Man in het zadel”. Toen was de weg nog niet geasfalteerd en waren benzinepompen schaars. Nu is het strak asfalt en kan je elke 100 km tanken. Winkels en restaurants zijn er nog wel schaars, maar ja er woont ook vrijwel niemand. In Dease Lake is een supermarkt, dat is het dan wel. We hadden gehoord dat de camping bij Boya Lake de moeite waard was, dus daar sloegen we af.
Volgende keer de vos, de bevers en de beer en dan de verder de Cassiar Highway af.
Wil je meer lezen over de motorreizen van Hans en Dia?
Tik hier op de tag.
Na de rit over de Dempster Highway verbleven we nog een paar dagen in Dawson City. Na de Dempster Highway waren onze banden aan vervanging toe. Dat zou in Dawson City gebeuren, echter werden er vanuit Whitehorse twee verschillende achterbanden opgestuurd. We reden we daarom maar weer 530 km naar Whitehorse voor een tweede band.
Op de terugweg uit Alaska kwamen we weer langs Whitehorse en zouden we er nog een paar dagen verblijven. Daarover schrijf ik in een volgend hoofdstuk. We reden uit Whitehorse de Alaska Highway op, we kozen nu voor de zuidelijkere route, omdat we niet weer naar Dawson City terug wilden rijden. Het gevolg was wel dat we de jerrycan met reservebenzine niet terug konden geven aan de man in Dawson City. Uiteindelijk is dat toch nog goed gekomen.
Ik had de route zo gepland dat we langs Chicken in Alaska zouden rijden. Niet dat het zo een bijzonder stadje is, maar omdat het de eerste plaats in Alaska was, die een eigen website had en dat terwijl ze niet op het lichtnet waren aangesloten. Daar had ik toevallig eens over gelezen, ik schat al weer zo’n 25 jaar geleden. Door de bijzondere naam had ik het onthouden in het hoekje van mijn brein dat gevuld is met “nutteloze feitjes”. Je kan op
Ook hier was de man in het Visitors Centre een Fries. Een boerenzoon uit Witmarsum. Ondanks dat hij 82 was, werkte hij hier nog dagelijks. Hij had een leuke hobby, het restaureren van oude MG’s. De auto op de foto is van 1958 en wordt elke dag pontificaal als blikvanger voor het Vistors Centre geparkeerd. Hij sprak nog vrij aardig Nederlands, ondanks dat hij als jongetje van 8 hier was aangekomen.
De camping stond vol met grote RV’s van de “Snow Birds” zoals ze de bewoners er van noemen. In de zomer rijden ze naar het noorden en in de winter naar het zuiden, net als de trekvogels. Velen bezitten alleen zo’n RV en hebben geen huis meer, nou ja, dit zijn complete rijdende huizen. Vaak hebben ze nog een gewone auto, of zelfs een truck, mee op een aanhanger. Veel zijn er groter dan een stadsbus. Ze zijn ook van alle gemakken voorzien en nieuw kosten ze drie keer meer dan een gemiddeld huis. De afschrijving is wel indrukwekkend begrepen we van een eigenaar die ook motor reed, daarom hadden zij er een kunnen kopen voor $500.000 onder de nieuwprijs en hij was nog maar twee jaar oud.
Na een nachtje in Beaver Creek gingen we richting Fairbanks. Dat is een saai stuk met naaldbomen aan weerszijden. Het was erg druk in de stad, dat raak je ontwend na een aantal weken in het achterland. We zochten een camping in Fairbanks, zoals die stond aangegeven in de Garmin.
Op de plek waar de camping had moeten zijn, was echter een woonwijk en die stond er echt al wel een tijdje aan de huizen te zien. Grappig was dat er precies op die plek een grote elk rondliep die zich te goed deed aan de struiken in de tuinen.
We vonden wel een wasbox waar de modder van de Dempster Highway van de motoren afgespoeld kon worden. Die plek staat overal aangegeven, omdat daar veel mensen langskomen die via de Dalton Highway naar Prudhoe Bay gereden zijn. Dat is ook een weg, waarvan velen vinden dat je hem gereden moet hebben, net zoals bij ons de Noordkaap. Hij eindigt bij de Arctic Ocean. De weg is echter druk met vrachtverkeer en er is ook veel blubber. Hij wordt aangesmeerd met Calcium Chloride en dat gaat echt overal aan en tussen zitten. Ik had thuis al veel filmpjes op YouTube bekeken over deze weg en wij hebben hem na rijp beraad overgeslagen.
Vanwege de drukte in Fairbanks, we waren inmiddels toch wel erg gesteld op de ruimte en rust van “the middle of nowhere” besloten we niet verder naar een camping te zoeken en nog een eindje door te rijden. We draaiden de Denali Highway op richting Anchorage. Onderweg wilden we tanken. Dia heeft zo’n leuk handig tanktasje van SW-Motech met een ring op de tank. Het ding kwam met geen mogelijkheid los. We zijn maar op zoek gegaan naar een camping om dan in alle rust het probleem oplossen. De camping vonden we in Nenana, een gat met 100 inwoners maar een leuke plek. Na het opzetten van de tent zijn we aan de slag gegaan met de tanktas. Die kon van binnenuit losgeschroefd worden en dan kan je bij het mechaniek waarmee hij vastklikt op de tank. We zijn een uur bezig geweest met het uit elkaar peuteren en weer in elkaar zetten. Met veel gezucht en gesteun kregen we alle veertjes op hun plek en daarna werkte het ook weer. Deze dingen zijn dus niet echt stofbestendig.
De camping was prima, met overdekte kampeertafels en na een goede nachtrust vertrokken we vroeg richting Anchorage langs het Denali Park. De berg Denali heette een tijd Mount McKinley maar nu heeft hij zijn inheemse naam terug. De naam betekent “de hoge” en is de hoogste berg van Noord-Amerika met zijn 6194 meter. Hij ligt in een National Park waar je slechts bij loting met je eigen voertuig in mag en die zijn natuurlijk al lang van tevoren gereserveerd en dan krijg je een bepaalde dag toegewezen. Dat werkt natuurlijk niet als je op reis bent en niet hebt gepland wanneer je ergens bent. Wij hadden immers alleen de aankomst en vertrekdatum vastgelegd. Je kan echter ook met een toeristenbus door het park rijden. Dat schijnt wel leuk te zijn. Evenwel het was een donkere en regenachtige dag, sterker nog we hebben de hele berg niet gezien. Het was de enige dag dat we de hele dag in de stromende regen reden. We besloten door te rijden en gelukkig werd naar het zuiden het weer beter. Voor Anchorage had ik een afslag op genomen in de route, zodat we niet de hele dag op de snelweg zouden rijden.
We maakten een prachtige omweg door de bergen, met weer prachtige vergezichten. De laatste 50 km bleek echter onverhard te zijn. Het was redelijk diepe gravel en dat was na de avonturen op de Dempster toch even doorbijten. Het plan was om naar de BMW dealer te gaan in Anchorage en af te spreken dat we een 10.000 km oliewissel wilden doen als we er een paar dagen later weer langs zouden komen. Ik had me echter niet gerealiseerd dat het zaterdag was.
We reden rustig aan, een kleine 250 km. We kwamen langs de Miles Canyon, vlak voor Whitehorse. De Miles Canyon is een prachtige plek waar je leuk kan wandelen, zoals we dan ook gedaan hebben. De wanden bestaan uit gestolde lava. De lavawand is 110 meter diep en 8.5 miljoen jaar gelden ontstaan. Een indrukwekkend stukje van de Yukon Rivier.
Grappig was dat er midden in het bos een stel muziek zat te maken, een gitarist en een violiste. Niet voor het geld, maar gewoon voor de lol.
Iets noordelijker rij je dan Whitehorse binnen en na korte tijd kom je langs de SS Klondike II. Dat was het tweede schip met die naam. Deze schepen werden gebruikt op de Yukon voordat de weg van Whitehorse naar Dawson City er was. Begin jaren 50 werd het schip overbodig en werd er een cruiseschip van gemaakt, alleen daar bleek geen vraag naar. Uiteindelijk werd het, net voor de sloop, gered en nu is het een National Historic Site of Canada.
Weer een klein stukje noordelijker kom je bij de Takhini Hotsprings waar we gingen kamperen en in het warme water wilden dobberen.
Er liep zelfs een vosje over de camping. In de middag gingen we in de Hotsprings liggen. Nu waren we reeds in de Liard Hotsprings geweest waar je echt in een natuurbad ligt en dit is meer een zwembad met warm bronwater. Een deel was zo warm dat je het er maar een paar minuten volhoudt, dan zwem je naar het volgende bad waar het wat minder heftig is. De bron is al ruim 100 jaar bekend en in gebruik om in te baden. Al luierend daar spraken we twee dames die onderweg waren naar het zuiden en net van de Dempster Highway afkwamen. De Dempster is een onverharde weg en Dia moest daar tot dan toe niet zoveel van hebben. Evenwel, het enthousiasme van de dames was zo groot, dat we besloten die weg te gaan rijden. De Dempster is 740 km lang en eindigt in Inuvik.
Dan kan je nog een eindje verder naar de Arctic Ocean, daar ligt Tuktoyaktuk (in de volksmond Tuk geheten). Grappig is dat Tuk vroeger Port Brabant heette. Er wonen ongeveer 1000 mensen in 283 huizen, vrijwel allemaal mensen van inheemse stammen. Dit stuk van 140 km werd gepland in de jaren 70 van de vorige eeuw, maar was uiteindelijk pas in November 2017 klaar, het kostte $300 miljoen!
Er zijn veel bosbranden in Canada. De grootste oorzaak daarvan is de hogere temperaturen tegenwoordig, vooral in de winter. Daardoor gaan de “Mountain Pine Beetles” niet dood en deze kevers hebben veel naaldbomen gedood, die dan vervolgens makkelijk afbranden.
Tegenwoordig zijn er regelmatig bosbranden ten noorden van de poolcirkel, dat kwam vroeger zelden voor. Je ziet ook hele bossen die er bruin uitzien, je denkt het lijkt wel herfst, maar het zijn dus dode bomen. Het viel me trouwens deze zomer in Frankrijk ook op dat er daar ook zo veel dode naaldbomen waren. Naar ik begreep is dat ook het gevolg van een kever.
Dawson City is een goudkoorts stadje. De Klondike Goldrush. Nu wonen er nog 1375 mensen maar in 1898 waren hier kampen van goudzoekers met 40.000 mensen. Een van de beroemdste inwoners was Jack London, die er The Call of the Wild schreef (dat stond op mijn eindexamen boekenlijst Engels op de HBS). Er wordt nog steeds goud gedolven overigens, maar niet zoals vroeger.
Het stadje leeft nu vooral van het toerisme. Het is nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. Door het ontdooien van de permafrost zijn er wel flink wat huizen aan het wegzakken, die staan daardoor helemaal scheef. Je kan je in de zomer nauwelijks voorstellen dat het 9 maanden per jaar winter is en de temperatuur daalt tot rond de -25°C en zelfs -40°C.
We zagen toevallig een aankondiging van een lezing in het dorpshuis van een gezin met drie jonge kinderen, dat een jaar in het achterland had gewoond. We besloten om er heen te gaan. Ze toonden veel prachtige natuurfoto’s en vertelden over hun belevenissen.
Vlak buiten Dawson City kan je een stukje de heuvels in rijden en daar vind je nog een gouddelfmachine. De Dredge No.4, zie foto, was de grootste van deze drijvende fabrieken. Het principe is hetzelfde als zeven met een pan, alleen dan in het groot want deze “dredge”kon 4.000 m3 per dag zeven. In totaal werd er met deze machine 8 kubieke ton goud gedolven in 46 jaar. Op het hoogte punt wasten ze 23kg goud uit per 3 à 4 dagen.
De hoeveelheid muggen was ook hier weer heftig. Daarom gingen we snel koken en dan de tent in. Door die muggen lagen we dan wel weer vroeg in bed.
Veel familie van mij emigreerde na WO II naar Canada en allen gingen in het westen wonen. Het gevolg is dat ik nu in BC zo’n 50 familieleden heb, zowel van mijn vaders als moederskant. Dus we gingen eerst uitgebreid op familiebezoek en dat was dan ook meteen goed voor de jetlag. We kregen veel hulp met het afhalen van de motoren en er werd ons onderdak geboden, waar we uiteraard graag gebruik van gemaakt hebben. Uiteraard moesten er ook nog wat boodschappen gedaan worden want voor het koken moest er gas gekocht worden en we wilden ook een spuitbus “Bearspray” meenemen. Bearspray is hetzelfde als traangas, maar dat is dan weer verboden in Canada. We hebben het steeds bij ons gehad maar nooit nodig gehad al zagen we wel beren, zelfs van dichtbij.
Na een kleine week gingen we noordwaarts, uiteindelijk was dat de reden van onze reis.
Gelukkig is er wel een camping. De campings in de National Parks zijn veelal vrij primitief. Er zijn geen toiletgebouwen en alleen chemische toiletten, dat is geen feest want ze stinken enorm. Gelukkig is er meestal wel water, maar meestal alleen een kraan en geen douche.
Na een gezellige avond met Norm en Pauline gingen we verder richting Nakusp. We kregen onderweg een paar flinke buien over ons heen. Tegen de avond zagen we wel veel bliksem en regen in de bergen maar wij kampeerden droog. De volgende dag echter was zo nat dat we in Golden besloten om een hotel te nemen. De ferry’s die we onderweg namen waren allemaal gratis want in Canada maken die gewoon deel uit van het wegennet, zo is de filosofie.

Onderweg van Jasper naar Hythe zagen we de eerste beer, een Grizzly, kariboe’s en een elk. De kariboe’s zijn de neefjes van de rendieren.
De elk was net zo schuw als de elanden in Noorwegen, dus die was al weg voor ik de camera had getrokken.
De Alascan Highway is 2237 km lang. De eerste 450 km is tamelijk desolaat. Je komt er een benzine pomp en een winkeltje tegen, maar verder niets. Dan arriveer je in Fort Nelson, een dorpje met 4500 inwoners. Grappig is dat je steeds dezelfde motorrijders tegenkomt bij elke benzine pomp. Voorts door naar de Liard Hotsprings weer 500 km. Op dat hele traject is geen enkele winkel dus we konden ook geen eten in slaan. Gelukkig is er wel een indiaans restaurant waar je een buffalo burger kan eten. De tijd heeft daar flink stil gestaan. Bij de benzinepomp moet je zelf onthouden hoeveel liter je getankt hebt en dan binnen gaan afrekenen. Warbij met zo’n jaren 80 rekenmachientje vastgesteld wordt hoeveel je moet betalen.
Onderweg naar Teslin kom je langs Watson Lake waar het Signpost Forest is. Dat werd gestart door de bouwers van de Alcan Highway in 1942 en bevat nu duizenden nummerplaten en andere bordjes uit de hele wereld, een leuke lunch plek.
Eind 2018 had Siem een oproepje gezet op de Facebook groep “de motorrijder” met de vraag of er mensen belangstelling hadden voor een reis door India en eventueel ook Nepal. Zo gingen we in het voorjaar naar India en in het najaar naar Nepal.
De reis naar Nepal begint in New Delhi omdat daar de motorfietsen gehuurd worden. Het zijn Royal Enfield Motoren. Je kan zelf kiezen met welk model je wil rijden. Ik koos voor de Himalayan, maar mijn vrouw, Dia reed op een Classic 350. De Himalayan is een Adventure model en de Classic is een laag model. Verder waren Gertjan en Gerry mee, op respectievelijk een Thunderbird en een Classic. De reis begint in Delhi omdat Nepal een enorme importheffing op motoren van meer dan 250cc hanteert en daardoor is huren daar veel duurder dan in India.
Je ziet veel van het land met Siem, hij weet heel erg veel te vertellen over de cultuur en het land en hij kan je meenemen naar plaatsen waar buitenlandse toeristen zelden komen. Hij trekt al jaren rond in India en Nepal en de afgelopen jaren deed hij dat op de motor. Mocht je pech krijgen, dan neemt David het op zich om dat op te lossen en je kan dan op zijn motor verder rijden. Zodoende hebben de reizigers geen oponthoud. Er is dus geen volgauto en dat scheelt aanzienlijk in de kosten.
De reis duurde 28 dagen en bevatte enkele reserve dagen voor het geval er oponthoud zou zijn. De weersvoorspelling was dat er veel regen werd verwacht in de Mustang Valley en dus werd het programma aangepast en bezochten we eerst Katmandu. Desondanks was de weg nog erg nat en modderig.
Eenmaal op weg verandert na korte tijd het asfalt in een waar off-road traject met grote keien en ook, doordat het immers kort tevoren flink geregend had, veel modder. We waren om 6:00 u. opgestaan en hadden om 17:00 u. 60 km afgelegd. De weg doet denken aan een wat breed geitenpad. Vroeger was er ook nog een rivier waar je door heen moest, maar daar is nu een omweg en een brug voor gemaakt. Overigens zal over enkele jaren de weg geasfalteerd zijn en dan is er weer een stukje spektakel minder.
De reis verliep niet zonder problemen, de Himalayan heeft geen kickstarter i.t.t. tot de Classic en ergens halverwege hield de dynamo van mijn motorfiets het voor gezien zodat de accu leeg liep.Het starten lukte dan ook niet meer. Gelukkig heb ik bij de Bush Mechanic training bij
Tegen zonsondergang waren we nog niet op de bestemming aangekomen en rijden in het donker is te gevaarlijk en ik had natuurlijk ook geen licht meer. Op de plek waar we stonden waren twee hotels. We besloten naar het White Mountain hotel te gaan dat door twee Nepalese zussen werd uitgebaat. Ze hadden voldoende kamers en zorgden voor prima eten. Bishnu de oudste was een gezellige dame. Ze nodigde ons uit om op de terugweg weer bij haar te komen en dan zou ze ons meenemen naar een hotspring. Dat hebben we inderdaad gedaan. We hebben trouwens nog steeds contact op Facebook.
Tussen Kagbeni, waar we sliepen, en Muktinath, het verste punt van deze reis, ligt opeens weer een prachtige asfaltweg. Muktinath is een heilige plek voor hindoes en boeddhisten. De afstand is maar 12 km vanaf Kagbeni maar het is wel 800 meter hoger. Muktinath ligt op 3800 meter. Zo hoog kan je in Europa nergens komen met de motor. En je rijdt in een betoverend landschap. Tussen bergen van meer dan 8000 meter. De laatste 2 km reden we te paard, een noviteit voor mij.
De politie kwam snel ter plaatse en stelde vast dat de Nepalees de enige schuldige was en dat ik schadeloos gesteld moest worden. Naast de politie kwam ook het leger en er liepen uiteindelijk zo’n 20 man rond. Er werd een vrachtwagen aangehouden en zowel de motor als ik werden naar Butwal gebracht naar de Royal Enfield dealer waar de motor gerepareerd zou worden. Onderdelen daarvoor moesten echter uit Kathmandu komen en daar ging een week mee heen.