Wyoming, Idaho, Colorado en Utah
(Trouwe lezers volgen via onze site de motorreisverhalen van Hans den Ouden en zijn vrouw Dia. We horen zelfs dat mensen die nooit motorrijden ze met heel veel plezier nu lezen. De wens om te reizen is zeker nu voor velen herkenbaar. Hier weer een volgend verslag van Hans. Facebookers vinden Hans en Dia ook hier.)
Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.
We reden door het prachtige Grand Teton National Park en daarna nog door een ander park. Net zo fraai als Yellowstone en gratis toegankelijk. Het vinden van een aantrekkelijke camping viel niet mee. We reden er 10 voorbij zonder faciliteiten, alleen toilethuisjes met een grote bak waar het ongelooflijk stinkt en geen water is om je handen te wassen. Rond 16:00 uur begon het te regenen en de weg ging over in gravel. Dat is in de regen met een zwaar beladen GS een uitdaging. Aan het einde van de middag, na 450km rijden, hadden we daar geen zin meer in.
Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.
Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog. De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.
Daar hebben we mee gewacht tot het bijna donker was.
Ook was het inkopen doen niet helemaal goed gelukt, er waren geen winkels in de buurt en daarom werd het een avondje water drinken in plaats van wijn.
De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-
We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.
De Million Dollar Highway, tussen Silverton en Ouray,werd gebouwd in 1882-1883 door een ondernemer, Otto Mears. Hij was een succesvol ondernemer en wilde het zuidwesten van Colorado verbinden met de buitenwereld. Het bouwen van de weg kostte $10.000 per mijl. Ongelooflijk veel geld voor die tijd. Daarom werd er ook een aanzienlijke tol geheven, $5 voor een paard en wagen en $1.- voor elk stuk vee. Het aanleggen van de weg gebeurde door mannen aan touwen naar beneden te laten zakken naar de juiste hoogte, die plaatsten dan dynamiet en voor het ontplofte werden ze weer snel omhoog gehesen. De geschiedenis van Otto Mears, hoe hij als wees, zonder enig geld begon en zo ver wist te komen is de moeite waard om eens te lezen.
De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”
De weg heeft nog steeds geen vangrails en naar beneden kijken vanaf de motor voelde best wel spannend. Gelukkig was het mooi weer tot Durango. Daar begon het ongelooflijk hard te regenen. Een complete wolkbreuk. Na een half uur nam de regen gelukkig af en reden we richting Arizona langs het vierstatenpunt waar Arizona, Utah, New Mexico en Colorado aan elkaar grenzen. Er is dat een monument waar ik wilde gaan kijken, ook daar was ik in 1966. Tegenwoordig moet je $20 per voertuig betalen om het monument te bekijken en dat ging toch echt te ver.
We reden Utah in richting Monument Valley. Elke camping en elk hotel die we onderweg tegenkwamen zat vol, overwegend met busladingen Chinezen. Uiteindelijk kwamen we om 19:00u, na 568 km rijden, bij het Navajo reservaat aan en ook daar waren de tentplaatsen vol, maar we konden wel de laatste RV plek huren. Dat bleek achteraf gunstig, want de tentplekken bleken allemaal in het dal te liggen en konden alleen te voet bereikt worden, vanaf een hoger gelegen parkeerplaats en dat was dus een heel gesjouw geweest.
Nu stonden we boven op een plateau en hadden een schitterend uitzicht. Er stond een snoeiharde wind, zo hard dat we de tent maar ternauwernood opgezet kregen. We moesten grote keien verzamelen om op de scheerlijnen te leggen en de rotspennen vast te houden. Toen de zon eenmaal onder was, ging de wind gelukkig liggen en hadden we een prima plekje. Zowel de zonsondergang ’s avonds als de zonsopgang de volgende morgen waren sprookjesachtig. De hele omgeving is betoverend.
We zaten de volgende ochtend weer vroeg op de motor om de warmte voor te blijven. De Valley of the Gods en de “Road of the ancients” De weg door deze contreien, de Highway 95 is nauwelijks in woorden te vatten. Enerzijds rij je in een “onaardse” omgeving en anderzijds zitten de wegen ook nog vol bochten.
Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994, nabij Mexican Hat, dat is overigens vlak bij de plek waar we kampeerden. Er zijn mensen die er speciaal naar toe reizen om exact op die plek een foto te maken. Men stopt dan midden op de snelweg om een foto te maken. Hoewel het er stil lijkt, rijden er natuurlijk wel auto’s met meer dan 100 km/uur voorbij. Het staat inmiddels bekend als “Forrest Gump Point”
Na 410 km eindigden we in Escalante. Next stop: Carson City
(Wordt vervolgd….)
De Million Dollar Highway, al rijdend:
Vanaf de Moon Shadows camping reden we verder naar het zuiden, richting de staat Washington.
Highway 3 naar de grens is erg leuk rijden met heel veel bochten in een stuk van 56 km. De grens overgaan als je een Visa Waiver in je paspoort hebt is erg makkelijk. We hoefden alleen ons paspoort te laten zien en konden weer verder rijden.
Tegen lunchtijd waren natuurlijk, zoals gewoonlijk alle picknick tafels als bij toverslag verdwenen. We zijn daarom op een boomstam gaan zitten van een bedrijf met historische voertuigen, zoals de huifkar op de foto. Er was een uitstapje bezig dat ons deed denken aan het TV programma “We zijn er bijna” – er stonden tien dezelfde campers op een rijtje.
Na de grensovergang reden we richting Spokane, dat is een saai stuk en veel graanvelden, eindeloos tot aan de horizon. De temperatuur liep op van 12ºC naar 33ºC, de warmste week tot dan toe – het was inmiddels 1 augustus.
We zetten de tent op nabij de Coulee dam, ten noorden van Spokane. De herten, een moeder met haar nageslacht, fotografeerde ik voor de tent zittend.
De route was 450 km, we stopten op een leuke camping aan een riviertje, de St Joe river. De rivier was heerlijk om in te zwemmen. De camping had dan wel normale toiletten, maar geen douches. De rivier voldeed echte prima, ook voor het wassen van de kleren. We voelden ons net van die kleine Indiase vrouwtjes, die doen het immers ook zo.
De volgende dag reden we nog 120 km langs deze kronkelende rivier op de St. Joe River Road. Ik moest denken aan de Lekdijk, maar dan zonder drempels. We kwamen in totaal 2 auto’s tegen op dit traject. Ten zuiden van Missoula vonden we een camping aan het begin van de Lewis & Clark highway. Deze weg is genoemd naar de twee mannen die deze route voor het eerst aflegden, van het oosten naar het westen, in 1803. De expeditie vond plaats op verzoek van president Thomas Jefferson. Ze werden daarbij uitgebreid geholpen door de indianen (
Ze hebben daar een vaste stacaravan en elke zomer verzorgen ze het dansen gedurende een aantal maanden. We werden direct uitgenodigd om dit mee te maken inclusief hapjes en drankjes. De “gangmaker” vertelde ons alvast dat het kijken naar een Square Dance net zo spannend is als kijken naar opdrogende verf. Elke weekend staat de camping daarom min of meer vol want het trekt veel volk.
Het viel ons op hoeveel motoren er langs de camping reden op de Lewis & Clark highway, maar zodra je de weg oprijdt, staat er een bord dat aangeeft dat de komende 96 miles een “winding road” zijn, ofwel 150 km bochten. We reden in totaal 360 km, deels langs de rivier en deels door het land waar in 1863 grote veldslagen plaats vonden tussen de indianen en de “pioniers”. Er reden de hele dag veel motoren op de weg, bezig met hun Sunday Ride Out. We stopten uiteindelijk in Donnely waar het erg warm was.
Op 5 augustus 2019 waren we 52 dagen onderweg en hadden 16.000 km afgelegd. We reden 460 km door het eindeloze en uitgestrekte prairie landschap van Idaho. Het is zo enorm dat je het ook niet gemakkelijk kan fotograferen. Het gebied ligt op een hoogte van 1000 meter, het heeft indrukwekkende graanvelden en ook veel gras voor veevoer.
De temperatuur liep gestaag op tot 35ºC. We moesten elke anderhalf uur onze cooldown vestjes natmaken. We besloten een hotel op te zoeken in Arco want er was nergens schaduw, dus kamperen sprak ons niet aan.
Ook de volgende dag reden we nog een eind door de prairies tot we bij het Yellowstone Park aankwamen. Het park was erg druk en je mag er in voor $30 per motor. Voor een auto hoeft maar $35 betaald te worden, onafhankelijk van het aantal inzittenden. Voor dat geld mag je er dan wel een paar dagen blijven. Alle campings waren echter vol, dus dat ging hem niet worden. In het park rij je eigenlijk in hetzelfde soort landschap als er buiten, alleen nu dan in de file.
De geisers zijn interessant om te zien, er stond een flinke file om het parkeerterrein op te rijden. Achteraf bleek dat aan de oostkant de wegen leuker zijn voor een motorrijder. Dan rij je via Beartooth Pass naar de ingang van het Yellowstone Park en dat moet een leuke weg zijn met haarspeldbochten. Die houden we dus te goed voor een volgende keer.
We brengen al een tijd verslag uit van de
We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.
Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.
De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje. De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.
Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.
Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.
Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.
Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.
We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn. Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.
De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.
In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.
Hier weer een volgend stuk van de motorreis die
We hadden nog geen camping op het oog toen we bij de BMW dealer waren in Anchorage, daarom vroegen we aan de dame die er werkte of zij er een kon aanbevelen. Ja zei ze, er zijn er een aantal, maar de leukste is bij de Harley-Davidson dealer en die is ook nog gratis. We reden er heen en meldden ons aan. Gezellige tent en aardige lui. De camping bleek een grasveld naast het gebouw te zijn en het sanitair was in het gebouw.
Er tegenover zaten meerdere restaurants. We bleken de enige gasten te zijn en daarbij was het een industrieterrein waar het was gevestigd. Dia zei meteen al dat ze het niet zo’n fijne plek vond, maar ik zei: “ach, wat kan er nou gebeuren?”
Afijn we hebben de tent opgezet en zijn gaan eten aan de overkant. Daar het redelijk uitgestorven was gingen we op tijd naar bed met het idee om vroeg te vertrekken. Om plm. 23:00 was er wat geschreeuw in de omgeving en dat hield niet op, het werd zelfs steeds erger. We zagen wat dronken zwervers op het terrein en bij het gebouw. Het was nog licht, uiteindelijk ben je in het hoge noorden. De lui waren evident dronken, aan het schreeuwen en luid aan het kotsen. Ze kwamen weliswaar niet in de buurt van onze tent, maar van slapen kwam het niet omdat ze ook steeds tegen de metalen vuilnisbakken schopten. Tot overmaat van ramp lag de “camping” strak onder de aanvliegroute van een plek waar watervliegtuigen landden. Gemiddeld kwam er elk kwartier een over en ze waren op dat moment ongeveer op 200m hoogte, een oorverdovend lawaai. Het werd zo geen goede nacht.
We besloten om 03:00u dat het mooi was geweest en hebben de tent afgebroken en we zijn vertrokken. We zagen tijdens het wegrijden uit de wijk dat er opmerkelijk veel zwervers in die buurt rondliepen.
Op naar het zuiden, langs de kust van het Kenai Peninsula. Rechts de zee en links de bergen. Een prachtige route, alleen hingen er dikke wolken boven op de bergen. Apart was dat het donkere wolken waren en wij reden in de zon.
Naderhand bleek dat het geen wolken waren maar rook van voorgaande bosbranden die bleef hangen tegen de bergwanden.
Opvallend was dat ook deze camping vooral was ingericht op RV’s, er was bijvoorbeeld maar één wc, wel vier douches, dat dan weer wel. De tentplekken zijn dan een soort gemalen steen met een houten omlijsting waardoor de tent er eigenlijk net niet op past. Dat hebben we vaker meegemaakt.
Er bloeien daar prachtige paarse bloemetjes, de camping stond er vol mee, maar ook de omgeving. Dat geeft een vrolijk beeld.
We waren op dat moment 39 dagen op reis en precies 10.000 km onderweg. Vervolgens vertrokken we richting Tok. Een prachtige stuurweg. Helaas betrok de lucht na 200 km en voordat we ons regenpak hadden kunnen aantrekken begon het keihard te regenen. Gelukkig duurde het maar een minuut of 20 voordat de zon weer doorbrak.
In de middag werd het weer somber en we besloten in het plaatsje Glacier View een kamer te zoeken. In de Mountain Goat Lodge had je geen eigen badkamer maar er was wel een bubbelbad dat je kon reserveren. Vanuit het warme bad kijk je uit over de bergen. Prima zo.
We hadden inmiddels contact gehad met Eldo Ens van het
ij had inmiddels ook drie keer lek gereden en ging net als wij de volgende dag naar de Yahama dealer voor nieuwe banden.
Daarna reden we verder naar het zuiden naar de Cassiar Highway (Highway 37). Paul van Hooff schreef er uitgebreid over in zijn boek
Volgende keer de vos, de bevers en de beer en dan de verder de Cassiar Highway af.
Na de rit over de Dempster Highway verbleven we nog een paar dagen in Dawson City. Na de Dempster Highway waren onze banden aan vervanging toe. Dat zou in Dawson City gebeuren, echter werden er vanuit Whitehorse twee verschillende achterbanden opgestuurd. We reden we daarom maar weer 530 km naar Whitehorse voor een tweede band.
Op de terugweg uit Alaska kwamen we weer langs Whitehorse en zouden we er nog een paar dagen verblijven. Daarover schrijf ik in een volgend hoofdstuk. We reden uit Whitehorse de Alaska Highway op, we kozen nu voor de zuidelijkere route, omdat we niet weer naar Dawson City terug wilden rijden. Het gevolg was wel dat we de jerrycan met reservebenzine niet terug konden geven aan de man in Dawson City. Uiteindelijk is dat toch nog goed gekomen.
Ik had de route zo gepland dat we langs Chicken in Alaska zouden rijden. Niet dat het zo een bijzonder stadje is, maar omdat het de eerste plaats in Alaska was, die een eigen website had en dat terwijl ze niet op het lichtnet waren aangesloten. Daar had ik toevallig eens over gelezen, ik schat al weer zo’n 25 jaar geleden. Door de bijzondere naam had ik het onthouden in het hoekje van mijn brein dat gevuld is met “nutteloze feitjes”. Je kan op
Ook hier was de man in het Visitors Centre een Fries. Een boerenzoon uit Witmarsum. Ondanks dat hij 82 was, werkte hij hier nog dagelijks. Hij had een leuke hobby, het restaureren van oude MG’s. De auto op de foto is van 1958 en wordt elke dag pontificaal als blikvanger voor het Vistors Centre geparkeerd. Hij sprak nog vrij aardig Nederlands, ondanks dat hij als jongetje van 8 hier was aangekomen.
De camping stond vol met grote RV’s van de “Snow Birds” zoals ze de bewoners er van noemen. In de zomer rijden ze naar het noorden en in de winter naar het zuiden, net als de trekvogels. Velen bezitten alleen zo’n RV en hebben geen huis meer, nou ja, dit zijn complete rijdende huizen. Vaak hebben ze nog een gewone auto, of zelfs een truck, mee op een aanhanger. Veel zijn er groter dan een stadsbus. Ze zijn ook van alle gemakken voorzien en nieuw kosten ze drie keer meer dan een gemiddeld huis. De afschrijving is wel indrukwekkend begrepen we van een eigenaar die ook motor reed, daarom hadden zij er een kunnen kopen voor $500.000 onder de nieuwprijs en hij was nog maar twee jaar oud.
Na een nachtje in Beaver Creek gingen we richting Fairbanks. Dat is een saai stuk met naaldbomen aan weerszijden. Het was erg druk in de stad, dat raak je ontwend na een aantal weken in het achterland. We zochten een camping in Fairbanks, zoals die stond aangegeven in de Garmin.
Op de plek waar de camping had moeten zijn, was echter een woonwijk en die stond er echt al wel een tijdje aan de huizen te zien. Grappig was dat er precies op die plek een grote elk rondliep die zich te goed deed aan de struiken in de tuinen.
We vonden wel een wasbox waar de modder van de Dempster Highway van de motoren afgespoeld kon worden. Die plek staat overal aangegeven, omdat daar veel mensen langskomen die via de Dalton Highway naar Prudhoe Bay gereden zijn. Dat is ook een weg, waarvan velen vinden dat je hem gereden moet hebben, net zoals bij ons de Noordkaap. Hij eindigt bij de Arctic Ocean. De weg is echter druk met vrachtverkeer en er is ook veel blubber. Hij wordt aangesmeerd met Calcium Chloride en dat gaat echt overal aan en tussen zitten. Ik had thuis al veel filmpjes op YouTube bekeken over deze weg en wij hebben hem na rijp beraad overgeslagen.
Vanwege de drukte in Fairbanks, we waren inmiddels toch wel erg gesteld op de ruimte en rust van “the middle of nowhere” besloten we niet verder naar een camping te zoeken en nog een eindje door te rijden. We draaiden de Denali Highway op richting Anchorage. Onderweg wilden we tanken. Dia heeft zo’n leuk handig tanktasje van SW-Motech met een ring op de tank. Het ding kwam met geen mogelijkheid los. We zijn maar op zoek gegaan naar een camping om dan in alle rust het probleem oplossen. De camping vonden we in Nenana, een gat met 100 inwoners maar een leuke plek. Na het opzetten van de tent zijn we aan de slag gegaan met de tanktas. Die kon van binnenuit losgeschroefd worden en dan kan je bij het mechaniek waarmee hij vastklikt op de tank. We zijn een uur bezig geweest met het uit elkaar peuteren en weer in elkaar zetten. Met veel gezucht en gesteun kregen we alle veertjes op hun plek en daarna werkte het ook weer. Deze dingen zijn dus niet echt stofbestendig.
De camping was prima, met overdekte kampeertafels en na een goede nachtrust vertrokken we vroeg richting Anchorage langs het Denali Park. De berg Denali heette een tijd Mount McKinley maar nu heeft hij zijn inheemse naam terug. De naam betekent “de hoge” en is de hoogste berg van Noord-Amerika met zijn 6194 meter. Hij ligt in een National Park waar je slechts bij loting met je eigen voertuig in mag en die zijn natuurlijk al lang van tevoren gereserveerd en dan krijg je een bepaalde dag toegewezen. Dat werkt natuurlijk niet als je op reis bent en niet hebt gepland wanneer je ergens bent. Wij hadden immers alleen de aankomst en vertrekdatum vastgelegd. Je kan echter ook met een toeristenbus door het park rijden. Dat schijnt wel leuk te zijn. Evenwel het was een donkere en regenachtige dag, sterker nog we hebben de hele berg niet gezien. Het was de enige dag dat we de hele dag in de stromende regen reden. We besloten door te rijden en gelukkig werd naar het zuiden het weer beter. Voor Anchorage had ik een afslag op genomen in de route, zodat we niet de hele dag op de snelweg zouden rijden.
We maakten een prachtige omweg door de bergen, met weer prachtige vergezichten. De laatste 50 km bleek echter onverhard te zijn. Het was redelijk diepe gravel en dat was na de avonturen op de Dempster toch even doorbijten. Het plan was om naar de BMW dealer te gaan in Anchorage en af te spreken dat we een 10.000 km oliewissel wilden doen als we er een paar dagen later weer langs zouden komen. Ik had me echter niet gerealiseerd dat het zaterdag was.