Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.
Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.
Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.
Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.
Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.
Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.
Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.
Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.
Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.
De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.
Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.
Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.
De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.
De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.
















Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.
Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.
Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog. De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.
De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-
We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.
De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”
Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994,
Vanaf de Moon Shadows camping reden we verder naar het zuiden, richting de staat Washington.
Highway 3 naar de grens is erg leuk rijden met heel veel bochten in een stuk van 56 km. De grens overgaan als je een Visa Waiver in je paspoort hebt is erg makkelijk. We hoefden alleen ons paspoort te laten zien en konden weer verder rijden.
Tegen lunchtijd waren natuurlijk, zoals gewoonlijk alle picknick tafels als bij toverslag verdwenen. We zijn daarom op een boomstam gaan zitten van een bedrijf met historische voertuigen, zoals de huifkar op de foto. Er was een uitstapje bezig dat ons deed denken aan het TV programma “We zijn er bijna” – er stonden tien dezelfde campers op een rijtje.
Na de grensovergang reden we richting Spokane, dat is een saai stuk en veel graanvelden, eindeloos tot aan de horizon. De temperatuur liep op van 12ºC naar 33ºC, de warmste week tot dan toe – het was inmiddels 1 augustus.
We zetten de tent op nabij de Coulee dam, ten noorden van Spokane. De herten, een moeder met haar nageslacht, fotografeerde ik voor de tent zittend.
De route was 450 km, we stopten op een leuke camping aan een riviertje, de St Joe river. De rivier was heerlijk om in te zwemmen. De camping had dan wel normale toiletten, maar geen douches. De rivier voldeed echte prima, ook voor het wassen van de kleren. We voelden ons net van die kleine Indiase vrouwtjes, die doen het immers ook zo.
De volgende dag reden we nog 120 km langs deze kronkelende rivier op de St. Joe River Road. Ik moest denken aan de Lekdijk, maar dan zonder drempels. We kwamen in totaal 2 auto’s tegen op dit traject. Ten zuiden van Missoula vonden we een camping aan het begin van de Lewis & Clark highway. Deze weg is genoemd naar de twee mannen die deze route voor het eerst aflegden, van het oosten naar het westen, in 1803. De expeditie vond plaats op verzoek van president Thomas Jefferson. Ze werden daarbij uitgebreid geholpen door de indianen (
Ze hebben daar een vaste stacaravan en elke zomer verzorgen ze het dansen gedurende een aantal maanden. We werden direct uitgenodigd om dit mee te maken inclusief hapjes en drankjes. De “gangmaker” vertelde ons alvast dat het kijken naar een Square Dance net zo spannend is als kijken naar opdrogende verf. Elke weekend staat de camping daarom min of meer vol want het trekt veel volk.
Het viel ons op hoeveel motoren er langs de camping reden op de Lewis & Clark highway, maar zodra je de weg oprijdt, staat er een bord dat aangeeft dat de komende 96 miles een “winding road” zijn, ofwel 150 km bochten. We reden in totaal 360 km, deels langs de rivier en deels door het land waar in 1863 grote veldslagen plaats vonden tussen de indianen en de “pioniers”. Er reden de hele dag veel motoren op de weg, bezig met hun Sunday Ride Out. We stopten uiteindelijk in Donnely waar het erg warm was.
Op 5 augustus 2019 waren we 52 dagen onderweg en hadden 16.000 km afgelegd. We reden 460 km door het eindeloze en uitgestrekte prairie landschap van Idaho. Het is zo enorm dat je het ook niet gemakkelijk kan fotograferen. Het gebied ligt op een hoogte van 1000 meter, het heeft indrukwekkende graanvelden en ook veel gras voor veevoer.
De temperatuur liep gestaag op tot 35ºC. We moesten elke anderhalf uur onze cooldown vestjes natmaken. We besloten een hotel op te zoeken in Arco want er was nergens schaduw, dus kamperen sprak ons niet aan.
Ook de volgende dag reden we nog een eind door de prairies tot we bij het Yellowstone Park aankwamen. Het park was erg druk en je mag er in voor $30 per motor. Voor een auto hoeft maar $35 betaald te worden, onafhankelijk van het aantal inzittenden. Voor dat geld mag je er dan wel een paar dagen blijven. Alle campings waren echter vol, dus dat ging hem niet worden. In het park rij je eigenlijk in hetzelfde soort landschap als er buiten, alleen nu dan in de file.
De geisers zijn interessant om te zien, er stond een flinke file om het parkeerterrein op te rijden. Achteraf bleek dat aan de oostkant de wegen leuker zijn voor een motorrijder. Dan rij je via Beartooth Pass naar de ingang van het Yellowstone Park en dat moet een leuke weg zijn met haarspeldbochten. Die houden we dus te goed voor een volgende keer.
We brengen al een tijd verslag uit van de
We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.
Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.
De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje. De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.
Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.
Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.
Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.
Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.
We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn. Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.
De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.
In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.