Door de Atacama woestijn naar de Andes

Dit is een artikel in de serie van Hans den Ouden. Hij schrijft over zijn motoravonturen (die hij samen met Dia beleeft) over de hele wereld. Wij mogen zijn verhalen met jullie delen. Tussen december 2025 en maart 2026 reden ze op hun Suzuki V-Strom Motoren 22.000 km door Chili, Argentinië en Peru. Je kunt de reisverhalen trouwens ook volgen als je de groene TAGS onderaan het artikel selecteert. Zit je toevallig op Facebook, dan kun je ze ook lezen via deze groep op Facebook.

De Atacama woestijn en dan naar de Andes van Peru

Van San Pedro de Atacama rij je door de woestijn (Atacama) naar Tocopilla over een lange, vrijwel rechte weg. Het is 225 km. Onderweg kom je langs Calama.
Dat is de droogste stad op aarde. In de afgelopen 450 jaar heeft het er één keer geregend, in 1974.

De stad bestaat bij de gratie van de kopermijnen en de lithiummijn. De lithium wordt gewonnen op de zoutvlakte en eigenlijk gaat het op dezelfde manier als de zoutwinning, middels verdamping door de zon. Het lithium winnen op deze manier heeft wel consequenties voor het milieu en de inheemse bevolking. Tegelijkertijd is het zeer belangrijk voor de economie van Chili.

De weg gaat over een aantal zandheuvels, tot op een hoogte van 3300m en je kan dan in de verte de weg tientallen kilometers verderop nog zien. Ik zag een windturbine park verderop liggen. Het duurde wel een half uur voor we er uiteindelijk langs reden. Tocopilla is een plaatsje met wat visserij en een kopermijn. We liepen naar de visafslag en op de pier.

Er waren veel zeehonden, die joegen op de school vissen die er zwommen. Later ontdekten we een terras aan het strand. Het eten was er goed. Hotel Iquique heeft goede kamers en de motoren staan voor de deur van de kamer, op de binnenplaats.

Van Tocopilla reden we over Ruta 1 richting Iquique. De kustweg is van goede kwaliteit en met links de Stille Oceaan en rechts de bergen is het volop genieten op deze slingerende kustweg. Al gooide een mist van zee wel wat roet in het eten. Iquique is een grote stad, met de uitstraling van Benidorm.

Veel hoogbouw en een dicht bevolkt strand. In de parkeergarage van het Ibis hotel ontmoetten we twee Canadese motorrijders. Ze waren op weg naar Ushuaia. Een van hen was van Nederlandse afkomst. Zijn grootouders waren, net als mijn tante, in de vijftiger jaren naar Canada geëmigreerd. Er werden natuurlijk de nodige verhalen uitgewisseld.

De volgende dag  reden we via Ruta 5 naar Arica. De weg loopt door prachtige kloven en valleien. Het is 315km, dus een flinke afstand.

Het bleek carnaval te zijn in Arica en daardoor zaten vrijwel alle hotels vol. Gelukkig vonden we nog een kamer in een eenvoudig hotelletje met een binnenplaats voor de motoren.

Ik regelde de SOAT voor Peru gisteren via Whatsapp met een lokale agent. Vorige keer kregen we een boete omdat we dat vergeten waren (€100 samen). Dan is de SOAT voor €28 per motor goedkoper. Het is een verzekering voor aansprakelijkheid jegens derden. Je eigen voertuig, of schade aan een voertuig van de tegenpartij is er niet bij inbegrepen. Dat kennen ze hier niet.

Van Arica rij je een klein stukje naar de grens. In Peru hebben ze een andere tijdzone. Het is er twee uur vroeger dan in Chili. Het was al lekker druk aan de grens. En ook Peru heeft zo zijn eigenaardigheden. Je moet een formulier invullen. Het heet Relacion de Pasajeros. Gewone reizigers krijgen een formulier met twee doorslagen. Ouderwets carbonpapier. Maar buitenlandse motorreizigers krijgen een A4tje waarop ze drie keer onder elkaar dezelfde informatie moeten vullen.

En dan mag je in de rij gaan staan en geduldig de vier loketten afwerken, waar je een stempel krijgt en ze een exemplaar van het A4tje handmatig afscheuren. Na deze exercitie mag je nog langs de douane, om te kijken of je eten bij je hebt. Gelukkig was de mondelinge verklaring dat we geen groente en fruit bij ons hadden voldoende. Tot slot mag je langs het loket om het formulier, met inmiddels 5 stempels, inleveren. Anderhalf uur kostte de hele grensovergang.

We reden door de woestijn naar Moquegua. Een klein plaatsje, maar wel een universiteitsstad. Het hotel dat ik had uitgezocht vonden we niet. Moquegua heeft veel zeer smalle en steile straatjes. Gelukkig vonden we Hotel Moquegua, bij toeval en voor €30 waren we onderdak. De eerste taak is dan een simkaart scoren. Dat lukte niet, zelfs niet bij het belangrijkste verkooppunt van Claro. Sinds vorig jaar moet je je registreren en je ID tonen met je identiteitsnummer. Maar dat moet een Peruaans nummer zijn en een Europees paspoort vonden ze niet goed. Officieel is dat wel goed, maar ik heb geleerd dat in kleinere plaatsen de regels niet goed bekend zijn. Zelfs voor de e-sim van Airalo moest ik vervolgens mijn paspoort en een pasfoto uploaden. Dat lukte gelukkig wel, anders wordt navigeren wel lastig. De PanAmerican naar Arequipa loopt door een indrukwekkend woestijnlandschap en over flinke heuvels. De laatste vijftig kilometer was het erg druk op de weg. Overigens is het een tolweg, maar motoren hoeven niet te betalen. Arequipa is een grote stad met een historisch centrum. Het hotel Andari ligt net aan de rand van dat historisch centrum. Het was opvallend afgeprijsd en dat komt doordat de weg er voor is opgebroken en je er eigenlijk niet kan komen. Maar wij hebben wel voor hetere vuren gestaan, we reden door het voetgangersgebied en het laatste stuk over een smal stoepje. De man van het hotel wilde de deur vervolgens niet open doen, want naar zijn mening konden we er niet komen. Tot ik hem het bericht van zijn collega liet zien waarin hij had uitgelegd hoe we er moesten komen. Afijn de motoren staan binnen. We liepen vast een rondje door de stad en aten een Alpaca. Dat smaakte prima! We regelden een illegale simkaart bij Entel vandaag. Wonderlijk genoeg kan je er zelfs mee bellen. Kosten €7 voor 10GB voor 30 dagen. En we tankten de motoren vol voor €1.- per liter. We blijven hier een paar dagen.

Peru is groot, van noord naar zuid is het ruim 2600km. Dat is dus verder dan van Amsterdam naar Malaga. Het is 31 keer zo groot als Nederland en hoort bij de 20 grootste landen ter wereld. Arequipa heeft ruim 800.000 inwoners. Het historisch centrum staat op de werelderfgoedlijst.

We bezochten het Santa Catalina klooster, daterend uit 1580. Ooit waren er 400 nonnen. Sinds 1970 kan het bezocht worden en zijn er nog maar 20-23 nonnen over. Die laatsten wonen in een, voor bezoekers, niet toegankelijk deel. Het is absoluut een bezoek waard, want het geeft een inkijkje hoe mensen hier de afgelopen eeuwen leefden.

Daarna bezochten we de overdekte markt. Een bruisend geheel, je kan er van alles kopen, maar het leukste vonden we de groente en fruitafdeling. Op de terugweg kwamen we een dweilorkest tegen op het Plaza de Armas. En dan de Colca Canyon. Uiteraard kan je daar met de motor ook zelf heen rijden, maar we dachten dat het leuk zou zijn om een dagtrip te doen.

We werden om 03:00  uur opgehaald. Het busje moest uiteraard nog meer hotels langs en dan begint de lange rit naar de canyon, zo’n 160km verderop. Het eerste stuk buiten de stad gaat over de Interoceanic Highway. Die weg loopt van Lima in Peru naar Bolivia en dan naar Brazilië om te eindigen in Buenos Aires. Over die weg, met een lengte van 5500km gaat heel veel, tergend langzaam, vrachtverkeer. Daarna gaat de tocht verder de bergen in tot een hoogte van 4880m. De uitzichten zijn fenomenaal en de gids vertelde allerlei wetenswaardigheden over de vroegere culturen. In de regio, langs de Colca rivier woonden drie verschillende volkeren. Vanaf de tijd van de Inca’s vond er landbouw plaats op de terrassen. Daar zijn er 60.000 van. Iedere Inca kreeg een stukje grond van 3,3 hectare dat ze moesten bewerken. Van de opbrengst mochten ze dan 20% houden en 80% ging naar de koning, om Inca’s elders in het enorme rijk te voeden.

De grond in deze vallei was erg vruchtbaar. De Inca’s waren verplicht om te trouwen en kinderen te krijgen. Lukte dat trouwen niet, dan besloot de koning wie je partner werd, geen discussie. De Colca Canyon is een van de diepste kloven ter wereld en is inderdaad indrukwekkend diep: op het diepste punt is hij ongeveer 3.270 tot 4.160 meter diep. Ter vergelijking: dat is ongeveer twee keer zo diep als de Grand Canyon in de Verenigde Staten.

Juist in het gebied waar de condors vaak vliegen hing helaas een laaghangende bewolking die de hele kloof vulde. We zagen wel condors, maar heel ver weg. We stopten onderweg bij een dorpje waar juist een processie aan de gang was.

De kleurrijke bevolking is prachtig om te zien. Een overvloedige lunch met lokale gerechten was een mooie afsluiting.

Waarna de terugreis begon en zo waren we net na 18:00 uur weer terug in Arequipa.

We hebben meteen nog een dagje bijgeboekt in het hotel, want we waren best wel moe.

Voor de liefhebbers nog een video van Hans.

Delen op

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *