(Het vervolg in de serie Coos op Reis, aflevering 51)
Het is half april. En prachtig weer. Het is strakblauw. Het is om 08:30 uur al 21 graden. Dit wordt een warme dag. Ik veeg het huis, schraap mijn zooitje bij elkaar en pak alles op mijn motorfiets. Das elke keer een uurtje werk. En ik verstop een eierdopje achter een beker. Beetje paniek zaaien. Vanwege die code en dat hek. Haha. Nee, hoor.
Ik verwijder maar gelijk in de caravan de goretex-voeringen uit mijn motorpak. Het maakt van mijn pak bijna een doorwaaipak. Als het erg warm wordt, dan kan ik op mijn borst nog twee grote ramen openzetten en de mouwen nog helemaal openritsen. Verder trek ik een dunne nekkraag aan, dunne sokken, een hightech hardloophempie en mijn Rukka doorwaaihandschoenen. Ik ben er klaar voor. Burn baby, burn!
Een extra probleem is wel dat ik de kleren, die ik bij kou en regen droeg, nu ergens moet zien op te bergen. In mijn koffers heb ik geen plek en mijn tassen zitten vol. De extra aangeschafte waterdichte zak lost echter alles op. Hij zit met twee rete slimme bandjes op mijn topkoffer. Die zak weegt niks, zorgt voor een extra zee van ruimte en alle spullen zijn snel bereikbaar. Wérelds!
Ik controleer of alle koffers goed gesloten zijn, de bagage stevig vastzit, de rits van mijn tanktas dicht is, doe mijn oordopjes in, zet mijn helm op en vertrek. Vroemmmm! Heerlijk!
Ik ontbijt twee dorpen verder bij een bakker. Ontbijt! staat er in het Frans met grote letters en een uitroepteken op een bord. Stokbrood en verse croissants en vruchtenprut uit blik en hete koffie.
Wees eerlijk, als je nou met een heel groot bord je voorbijgangers naar binnen lokt voor een ontbijt, hoe groot is de kans dan dat ze bij je komen ontbijten? Is die kans klein, gemiddeld of groot? Nou, ik zal je helpen: héél groot, want ik was daar zeker niet de enige. We stonden in de rij.
Potver, is het dan héél veel moeite om de boter op kamertemperatuur te serveren? Nondeju. Ze komt zó uit de vriezer. Hakken moet ik. Er is tegenwoordig ook bijna geen goed horecapersoneel meer, jôh. Ze hebben alleen maar geen zin om bij de Blokker of McDonalds te werken.
Whoehaa. Het is net 10:30 uur en ik heb het eerste deel van mijn reisverslag al klaar. Gewoon ff zeiken over iets. Lukt altijd. Lekker, man.
Ik wil heel graag de kustweg bij Nice en Monaco af. Die is prachtig. En ook retedruk. Maar als ik nou net doe alsof het niet druk is, dan is er verder geen enkele belemmering. Toch? Ik neem de kustweg.
En hij is prachtig! Ik kijk echt mijn ogen uit. De luxe, weelde en rijkdom die huizen, tuinen en opritten uitstralen. En steeds dat magnifieke uitzicht over het eindeloze azuurblauwe water. En afwisselend schitterende rotspartijen. En die prachtige gebouwen en luxe hotels onderweg en in Nice. Helemaal super. Ondertussen is het 25 graden.
Monaco slaat alles. Twintig jaar geleden dacht ik al dat het daar helemaal was volgebouwd, maar de kranen draaien nog steeds volop. Ze hebben nog wat meters gevonden om te bebouwen. Niet normaal. De kustweg is daar nog mooier en daar zijn ze helemaal immens rijk.
Voor autoliefhebbers is het hier zeker een walhalla. Al je dromen gaan hier in vervulling. Als ik eens goed naar zo’n auto kijk, dan ontdek ik dat MC van MC Zegveld helemaal niet voor MotorClub staat. Het betekent héél wat anders..
Jôh, ik wilde het persé zien en ervaren. Maar nu heb ik het gezien en nu mag ik dus ook ff zeiken over de drukte. Echt niet normaal. Er is geen doorkomen aan. Ik doe twéé uur over een traject van 38 kilometer. Het is geen doen. En dan kon ik er met de motor nog vaak langs.
Bij Ponte San Ludovico wip ik de grens over en rijd Italië binnen. Aan de grens tref ik een overmacht aan militairen. Ik rijd zelfs tussen twee zwaarbewapende mannen door. Ik steek zittend op mijn kasteel 50 cm boven die kleine Italiaantjes uit. Haha. Vroemmmm, op weg naar Ventimiglia!
De kustweg blijft prachtig. Maar de stadjes zijn een ramp om door te komen. Bij Alassio is het 30 graden. Maar het gaat verder wel goed. Ik heb mijn helm lekker open, maar snuif natuurlijk een paar pond stuifmeel van die KUT-bomen naar binnen. Dat moet ik vanavond bezuren.
Vlak bij Genua vind ik een hutje. Simpel. Verder niks. Geen verwarming, maar dat is niet nodig. Het is warm zat. En geen keukenspullen. En die heb ik ook niet nodig. Ach, wat maakt het uit.
Op advies van de campingboer wandel ik door een park langs de resten van een oude Romeinse villa naar beneden, naar de kust. Hij heeft mij het adres van zijn favoriete restaurant gegeven waar eigenlijk geen toeristen komen. Prachtige, orsinele Italiaanse tent. Ik eet een pizza voor 6 euro. Aan de Cote d’Azur kost zoiets gewoon 18 euro.
Mooie dag. Ik wil persé niet elke dag rijden, maar de rijdagen blijven altijd het mooist.
Ik kijk wel wat ik morgen doe. Ik weet het nu nog niet.
MICHEL VAIILLANT
Uit een zijstraat komt met veel kabaal een wel heel aparte auto. Hij kan zo van Michel Vaillant, mijn stripheld van de Franse tekenaar Jean Graton, uit Kuifje zijn. De carrosserie van de auto ligt heel laag boven de grond. Hij heeft een soort cockpit voor de piloot, een grote vleugel achterop en is in giftige kleuren van spiegelend materiaal gewrapt. Wat een auto! Niet normaal.
Mijn collega’s beschuldigden mij er vroeger nog wel eens van dat ik een tienerbrein heb. Op dit soort momenten denk ik dat ze gelijk hebben, hoor.
Heb ik een foto voor jou? Wat denk je? Is de paus…?
Ik rij kilometerslang achter de auto en zie dat voorbijgangers blijven staan, naar de auto omkijken of naar hun telefoon grijpen.
Mijn momentje-van-de-dag komt als de bolide in een bocht met bulderend lawaai twee streepjes gas geeft, we vervolgens samen aan de overkant een Rolls Royce cabrio én een Bentley tegenkomen en ik rechts in de diepte twee cruiseschepen van 15 verdiepingen zie liggen. Wôw! Hier zijn ze compleet gek, denk ik.
In Monte Carlo is het 28 graden. Die temperatuur hoort gewoon bij de waanzin hier.











