Toen motorrijders nog geen Spa rood dronken

De mannen stapten op hun motoren. Startten de spullen. Keken nog een keer in het rond. En knalden op het achterwiel weg van het parkeerterrein, de weg op. Zelf heb ik in 50 jaar motorrijden twee keer een wheelie gemaakt. Per ongeluk. Een keer omdat de koppelingskabel van mijn T150V brak. De andere keer puur per ongeluk en op vermogen op een 1200 cc Bandit. Mijn knee down resulteerde trouwens in een ingezwachtelde knie. Waar ik me bij al die achterwielerij over heb verbaasd hoe de olie aanzuigpomp zijn werking kan blijven doen als de motor in kwestie zo’n kwartslag gedraaid is ten opzichte van zijn gewone positie.

Dolf Peeters, de schrijver van deze column. Klik je onderaan op de tag van zijn naam, dan kom je meerdere artikelen van Dolf tegen.

Van mijn vroegere docent calorische werktuigen herinner ik me de opmerking dat olie dient ter koeling, als geluidsdemping en als smeermiddel. Dan kan je wel zeggen ‘two out of three ain’t bad’, maar met de prijs van een blokrevisie in gedachten… Techniek moet je net als je partner met repect en liefde behandelen. Toch?

Maar die kennis komt je niet aanwaaien. Je moet leren van je fouten. Dat is ook de reden waarom het ‘vroeger’, toen we nog jong en onbezonnen waren nogal eens mis ging in de relatiewereld tussen mens en mens M/Ven waddannook of mens en machine. Want welke waus zou het nu in zijn hoofd halen om op de Afsluitdijk op en neer te blazen op een Kawasaki 500 driecilder waarvan, natuurlijk om hem nog sneller te maken, de luchtfilters zijn verwijderd? En hoe zouden we er nu over denken om in Renesse tegen het opkomen van de zon de nieuwe dag te verwelkomen door een CB750 K2 op de zijstandaard staand zoveel toeren te laten maken dat de kleppen gingen zweven? Hoe feestelijk zouden we het nu vinden om op een treffen van Britse klassiekers een Honda, Suzuki of Kawasaki met hamers in elkaar te slaan en in de brand te steken?

Wat vroeger ook heel anders was, was de ‘après motorritten’ tijd, denk aan het befaamde ‘après ski gebeuren’. Een poosje geleden was ik als meerijder gevraagd op een paar daagse trip. Dat was een leuke route en de deelnemers waren – net als ik – vijftig plussers. Er was een hoog percentage recente allroad- en adventurefietsen. Allemaal fris, zwaar spul. Niet de biotoop waar je met een 640 Guzzi NTX indruk maakt. Maar iedereen had schik. Voor het avondeten bleek een fors deel van de mensen alcohol en tabaksvrij.

Om tien uur lag bijna iedereen in zijn mandje. We zaten met wat fossielen onder elkaar te praten over vroeger: ‘Kratje (van Oude Adelijke afstemming met bijbehorende naam met ‘ae’s en ‘ck’s) die pas soepel ging sturen na een half kratje. De rest was voor na het tent opzetten. De befaamde foutrijder C’ die na een rit van 180 kilometer ’s avonds om half tien kwam aankakken met dik 400 km op de klok. Over Wil, die in nacht en nevel (en beneveld) had gefocussed op de achterlichten van de auto voor hem. Die automobilist ging naar huis. Toen hij daar stopte werd hij op het garagepad aangesproken door een bozige Wil: “Wie ben jij in Godsnaam en waar zijn we?.

Kleine Koos die net weer single was en die op een treffen nattigheid voelde naar aanleiding van allerlei snaakse opmerkingen. Zijn kompaans hadden een opblaaspop in zijn tent gelegd. Maar Kleine Koos was wat paranoia. En besliste dat er iets heel erg fouts met zijn tent moest zijn. Hij ging dus naast zijn tent slapen terwijl er laat in die nacht of vroeg in de ochtend een enorme regenbui over de Schellingwouder camping trok. Over Martin die ’s ochtends met een kater en een tattoo in zijn gezicht wakker werd. Over Gekke Fredje wiens voeten tijdens zijn roes door ratten waren aangevroten. (Ze zullen er toch niet ziek van zijn geworden?)

Over de veelstejaars student die zijn Norton in zijn slaapkamer zette en hem daar startte omdat hij op het geluid zo lekker in sliep. Over Tim die door zijn vriendinnetje overhoop werd gestoken toen ze hem kussend met een ander trof. Over winterritten in de tijd dat winters nog winters waren. Dan had je een literfles jenever in je zak. Plus een slangetje tussen de fles en je bevroren mondhoek. Groningen was erg ver weg in die tijd. Wel een liter ver.

We proostten op het verleden toen motorrijders nog geen Spa rood dronken.

🏍🏍🏍

Dit motorverhaal is geschreven door Dolf Peeters.

Delen op

Een gedachte over “Toen motorrijders nog geen Spa rood dronken”

  1. Hahaha, heerlijk. Zo stevig als jullie uitspattingen ging het er bij ons 30 jaar geleden niet aan toe, maar de beleving die we toen als jonge verse rijders hadden in de opstartende levens voelden een stuk heviger dan ze in feite waren, ontzettend gelachen en gezopen, dat wel. Keurige piepels eigenlijk die voor de lol en toen in gedachten ‘voor het leven’ motorrijder zouden blijven. Maar bij de meesten kwamen huizen en kindertjes of partners die er niks om gaven, motoren gingen weg.
    Bij mij bleef er altijd 1 of meer, maar respect voor de techniek was er altijd, ik was niet zo’n wilde.
    Heerlijk verhaal van jullie rauwere belevenissen….

    Na al

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *