Tag archieven: uit de oude doos

De BMW R100CS, een 41 jaar oude boxermotor

Toen BMW ongeveer 40 jaar geleden zich echt moest gaan onderscheiden van de opkomende Japanse motorfietsen brachten ze een paar unieke toermodellen op de markt. Deze motorfiets is een wat zeldzame uitvoering, in een prachtige staat. We kijken naar een heerlijk filmpje van Wildlife Moto, een enthousiaste Brit die met heel veel liefde deze motorfiets opnieuw laat shinen. Op de redactie van Ikzoekeenmotor worden we blij als we dit soort motorfietsen in hun originele staat op de weg zien blijven.

Hij gaat er een heel stuk mee rijden en halverwege de rit hoor je hem min of meer juichen. Juichen met verbazing over hoe een machine van meer dan 40 jaar oud rijdt. Een blije motorrijder.

Passie voor Motorsport

Voor de liefhebbers van (oude) motorsport publiceren we hier even wat leuke plaatjes uit de vorige eeuw. Toen er nog kunstenaars zo konden schilderen en tekenen dat je de beweging er in zag. Op onze Facebook groep PASSIE VOOR MOTOREN plaatsen we regelmatig van die oude kunstwerken. Posters, vintage, advertenties en andere oude reclame uitingen. Veel van onze leden houden van klassiekers en tonen met trots hun bewaard beeldmateriaal en sommigen rijden zelfs nog met deze oude motoren.  Onze besloten Facebook-groep, met inmiddels al meer dan 3500 leden, is te vinden via //www.facebook.com/groups/passievoormotoren

Harley stond 50 jaar stil

‘Wheels Through Time’ is een prachtig YouTube kanaal waar we unieke oude Amerikaanse motorfietsen tegen komen. Sommige motorfietsen hebben 50 jaar ergens in een schuur gestaan.

Wat is er nodig om bijvoorbeeld deze prachtige oude Harley Davidson aan de praat te krijgen? Liefde, vakkennis en geduld. Passie voor motoren ten top. Sleutelaars zullen smullen van deze video. Je staat er versteld van wat er aan motortechniek en verlichting bijvoorbeeld toch nog werkt na al die jaren.

Motorhistorie uit Roosendaal

Nog voor de oorlog (rond 1934) werd er in Roosendaal regelmatig met motorfietsen geracet op de grasvelden achter het café van Sjef Boonen aan De Kade. Deze weilanden werden de “Wei van Boonen” genoemd. Je ziet de Paterskerk op de foto.

Via Rudi Wortman van de Facebook groep DNA Roosendaal lazen we deze toelichting:

“Ook draf wedstrijden voor ruiter en sulky’s. waren populair. Ik weet dat de heren Bookelaar, Charbonnel, Broos, Hack, Ridders en Schütz deelnemers waren die dag (foto). Andere bekende motorrijders vanuit een iets latere periode (1948) waren Van den Broek, Tak, Lemmens, Vleeskens, Dietze, en Borghouts. In ca. 1919 waren Luc van Wely, Harry Van Gilse en Clemens Corthals gekende motorrijders, maar bij mij niet bekend als racers.”

Met de Matchless in 1980 naar Marokko

Coronawinters geven een mens veel tijd om thuis na te denken, of om die gedachten op schrift te stellen.
Al een paar maanden werkt Gijs van Hesteren aan zijn boek met motoravonturen. We mochten alvast een stukje meelezen. Gijs schrijft ons:

“Och, niks bijzonders, die avonturen. Iedereen zou ze kunnen beleven. Maar ja, nadat ik ze heb opgeschreven ben ik er vanaf. Ik hoop het na de zomer uit te kunnen geven.”

Speciaal voor Passie voor motoren – Ik zoek een motor hierbij een voorpublicatie.

We gaan terug naar de zomer van 1980. Inge en ik beladen de motor. We zouden op vakantie gaan. Een besluit dat we nog maar nét hadden genomen. Het zou voorlopig onze laatste kans zijn op een lange afwezigheid. Als student sociale wetenschappen had ik weliswaar een lange zomervakantie, maar Inge zou in september beginnen met haar opleiding tot timmervrouw aan het Centrum Vakopleidingen voor Volwassenen, het CVV. En we wisten sinds heel kort dat ze zwanger is, van ons eerste kind. Als dat eenmaal geboren zou zijn, zou het voorlopig niet meer komen van wekenlange tochten met de motor.

Kind mee
We hadden bedacht dat het kind gewoon mee mocht, in Inges buik. Zo zou de foetus stevig aan de baarmoederwand vast vibreren. We hadden een paar veel grotere problemen. Geld was er één van, maar het zou nét moeten kunnen. Belangrijker: hoe zouden we op pad gaan? De besteleend was defect. Ons enige vervoermiddel was een 350 cc Matchless G3 uit 1957 met een Steib 500 zijspan. Ook in 1980 al een hoogbejaard vehikel. De motor had ik gekocht van een gepensioneerde oud-militair, voor 350 gulden. In huidige valuta is dat ongeveer 165 euro.

De fiets lag legergroen verspreid over een aantal houten kistjes bij hem op zolder. Het was een ex-legermodel voor officieren. Hij had hem een paar jaar daarvoor helemaal uit elkaar gehaald, met de bedoeling al het plaatwerk te laten overspuiten. Zoals zo vaak was het daar niet van gekomen.Vaak ontbreken er heel veel  onderdelen in zo’n kisten- en dozenproject. Ik had geluk; alles was er nog. Het motorblok verkeerde in prima staat. De spullen bracht ik alsnog naar een lokale moffelinrichting en daarna was het een kwestie van afmonteren op de slaapkamer. Er valt weinig over te vertellen, behalve dat het naar beneden transporteren van het gevaarte heel wat voeten in de aarde had. Een negentiende-eeuws rijtjeshuis met draaitrap is er niet helemaal op ingericht, laat ik het daar maar op houden.

Ed Pols Motortoer
Eenmaal buiten hing ik het Steib-zijspan eraan. Ook dit is snel verteld, maar het zou me nooit gelukt zijn als Ed Pols van Motortoer me niet geholpen had. Ed had een klein motorzaakje in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Hij legde me alles uit over vlucht, toespoor en voorloop. Die dingen ben ik intussen weer vergeten. Ed leeft al lang niet meer, maar zijn bedrijf bestaat nog altijd, tegenwoordig onder leiding van Natascha Wiersma en mijn motorracevriend Ted Haanappel, onder de naam Ducati Amsterdam.

Het was een tamelijk zware combinatie gebleken. Veel sneller dan 85 kilometer per uur haalden we er niet mee. Een kleiner voorkettingwiel op de krukas zorgde dat er toch wat trekkracht beschikbaar was. We hadden niet meer dan 18 pk, maar ach, alle tijd.

(1980 Marokko) Daar staan we dan, gebroken krukas in Zuid-Spanje.

Peter Weeink, archivaris van de AJS en Matchless Vereniging stuurde me onlangs een kopietje van het toen nog gestencilde clubblad ‘Satisfaction Guaranteed’. In die tijd was ik daarvan de redacteur. Kort voor de tocht schreef ik in een redactioneeltje:

“Het wordt tijd dat we weer eens een forse tocht maken. We gaan naar het ZUIDEN. Deze week reden Inge en ik een proefrit van Utrecht naar Groningen en terug. O jee, bijna terug thuis een mankement. Hm, beter daar dan ergens in Frankrijk. Hevige rook kwam uit de primaire kettingkast. Dat leek niet best. Ondanks vloeken en zoeken kwam ik pas achter de oorzaak toen ik de cilinder lichtte: één zuigerveer in drie stukjes gebroken en één muurvast in de groef. Een wonder dat de motor nog zo goed liep. Morgen gaan er nieuwe zuigerveren in en dan vertrekken we toch echt. Na de herfst komen we met het verhaal.”

Dat verhaal is er nooit gekomen. Wat ik hier noteer is dus een primeur. De kleppen en de contactpuntjes had ik gesteld, verse olie in de tank, de primaire en secundaire kettingen op spanning gezet. We laadden een metalen kist achterop, gooiden er gereedschap in, vijf liter SAE 50 single grade smeerolie, een tentje, luchtbed en slaapzakken, een gasstelletje en wat kleding. Klaar om te gaan.

De eerste stop was mijn ouderlijk huis in Breda Liesbos. Mijn vader en moeder keken nadenkend toe. Ze hadden niet veel vertrouwen in onze plannen. Zelf voorzagen wij geen enkel probleem. Zesentwintig jaar oud waren we. De wereld lag voor ons open.

Binnendoor
Het fietsje plofte tevreden. We reden langs zoveel mogelijk ‘gele en witte weggetjes’, zoals die door Michelin op de wegenkaart waren ingetekend. Per uur legden we netto gemiddeld hooguit 45 kilometer af. Met de pitstops meegerekend kregen we per dag op zijn best 250 kilometer achter de wielen. Helemaal niet erg.

De tocht begon langs de oude rijksweg via Rijsbergen, Zundert, dwars door Antwerpen naar Gent. We passeerden Compiègne en stortten ons op de Parijse Route Périférique, toen ook druk. Langs Route Nationale 20 verder naar Orléans, Vierzon (Camping Municipale), Châteauroux, Argenton, Limoges, Brive en Cahors – wéér een Camping Municipale.

(1980 Marokko) Gebroken stoterstang, in een werkplaatsje in Fez keurig hersteld.

Dwars door Toulouse en omhoog de Pyreneeën in. Ik herinner me de steile hellingen, waar we uiteindelijk in de eerste versnelling tegenop ploften, met achter ons een lange file Fransozen. Het motortje liep er erg heet, zodanig zelfs, dat op zeker moment damp en gesis een al bijna doormidden gesmolten plastic brandstofslangetje aankondigden. De kist zat vol met gereedschap en reservedelen, en dat bewees zijn nut.

Niet alle pannes wisten we daarmee op te lossen. Ergens in Midden-Spanje liep ineens het spatbord van het zijspan tegen de band aan. Het plaatstaal rondom de bevestiging was doorgescheurd. Een taller, een autowerkplaatsje  zoals je die in dat land destijds overal rond de doorgaande wegen aantrof, liet ons zien hoe een goede plaatwerker zoiets in een ommezien kon verhelpen.

Ongerief
Tussenstops maakten we bijvoorbeeld in Madrid en Toledo. Een langere op de camping van Cadiz. Al een paar dagen had ik me niet lekker gevoeld. Die dag kwam het tot een dieptepunt. Uit alle openingen liep ik leeg, koorts veertig graden, en dat bij een zomerse buitentemperatuur van over de dertig graden. Dagenlang lag ik zwetend in ons tentje. Liefdevol en geduldig diende Inge mij aspirientjes en glaasjes water toe. Langzaamaan werd duidelijk dat ik een zonnesteek had opgelopen. In die dagen was er geen helmplicht in Spanje. De EU was er nog niet uitgevonden. Maar een mooie kans om het eens zonder valpet te proberen. Ja okee, maar dan moet je wel iets anders op je hoofd zetten, want anders ben je aan de beurt!

Aan alles komt een eind, ook aan ongerief. Na ruim twee weken en 2.300 kilometer meldden we ons bij de veerdienst in Algeciras. Een grote meute mensen die we destijds gastarbeiders noemden had zich daar al verzameld. Ze waren met volgepakte busjes, Opels Rekord, Mercedessen en Peugeots 504 aan komen rijden vanuit de industriegebieden in Noordwest-Europa – het Ruhrgebied, de Randstad. Het mooiste vonden we de omkleedpartij die er plaatsvond: vlak voor het inschepen verwisselde men westerse kledij voor djellaba en fez.

(1980 Marokkoreis) We staan hier in Algeciras te wachten op de veerboot over de Straat van Gibraltar, tussen een heleboel mensen die we toen nog gastarbeiders noemden. Het schoot niet zo hard op, maar ach, we hadden er mooi weer bij.

We staken de Straat van Gibraltar over. De opdracht voor de overkant: de douane. Het leek de bedoeling dat wij bij verscheidene minuscule hutjes de diverse benodigde stempels zouden inzamelen. Dat werd enigszins bemoeilijkt door de grote horde lotgenoten die zich zonder enig systeem voor het piepkleine loketje verdrongen. Gelukkig was er nog geen corona. Het zwetend duwen en trekken leverde succes op: onze paspoorten schoven we door dat raampje en een hele tijd later kregen we die na zweten, hijgen en duwen bij een volgend hutje terug.

Hobbelige wegen
De Marokkaanse wegen leken op die van de Spaanse hoogvlakte, de Meseta. Droog, heet, stoffig en hier en daar nogal hobbelig. Wij vonden dat prachtig. Het spatbord van de Steib zat weer goed vast; daar maakten we ons geen zorgen meer over. De plaatselijke jeugd lachte zich gek om onze zijspancombinatie. In die tijd zag je zoiets misschien niet vaak. Nu ook niet eigenlijk. Als Sinterklaas en Piet reden we zwaaiend naar links en rechts door de dorpen en stadjes. Eén enkele baldadig toegeworpen meloen wist onze goede stemming niet te verpesten.

Marokko was een cultuurschok voor on. We waren beschermd opgevoede babyboomers. Niet alleen een schok omdat er geen bier verkrijgbaar was op de terrasjes, ook omdat de verschillen tussen arm en rijk indringender waren dan in Noordwest-Europa. Een Nederlands sprekende Marokkaan, die wij op de markt waren tegenkomen liet zich door de verschillen niet tegenhouden. We moesten mee, theedrinken met de hele familie. Geweldig.

In Fez hield de Matchless er ineens mee op. Eén van de stoterstangen was gebroken. Voor wie geen verstand heeft van oude motoren: daarmee bedient de onderliggende nokkenas de kleppen in de cilinderkop. Een jong Brits stel dat de tent naast de onze had opgesteld hielp ons uit de brand. Zij reden met ons in hun Engelse misbakselautootje naar een werkplaatsje en net zoals in Spanje wist men er daar wel raad mee. Hardsolderen met koper. Het was in een ommezien hersteld.

(1980 Marokkoreis) Net zo makkelijk even de cilinderkop eraf, om de koppakking uit te gloeien op het gasstelletje. No worries.

Motor echt stuk
Het toch al in bescheiden mate voorradige studentengeld begon op te raken. We gingen naar huis. Alweer terug in Spanje, na 4.500 kilometer, waren we door onze voorraad ongedoopte, singlegrade SAE50 heen. Ergens voorbij Almeria, zo’n honderd kilometer na het bijvullen met 20W-50 multigrade klonken er ineens onheilspellende geluiden vanonder de tank. Het big-endlager was gebroken, het meest belangrijke onderdeel van een motor. Gebrek aan smering. De oliedoorvoer was verstopt geraakt door losgeweekt vuil uit de dirt trap in de krukas.

Op slechts enkele honderden meters duwen bevond zich een autowerkplaatsje. Hier mochten wij ons object opstellen in de schaduw, opdat we zonder oververhitting de diagnose definitief konden maken. De man van de taller was bereidwillig, al bleef communicatie beperkt tot gebarentaal. De ANWB zorgde dat de fiets terug naar Utrecht kwam en wij gingen liftend verder. De Matchless was er eerder dan wij.

(1980 Marokkoreis) Liften in de buurt van Barcelona.

Van Almeria tot Barcelona reden we mee in de Morris Mini van een Spanjaard met liefdesverdriet. Hij was op weg naar zijn geliefde. Misschien kon hij haar nog tot bezinning brengen. Hoe dichter we bij Barça kwamen, des te harder ging hij rijden, totdat hij het niet meer uithield en ons bij een benzinestation eruit gooide. Begrijpelijk, maar wat ons betreft niet zo’n goed idee. In the middle of nowhere hebben we daar een twintigtal uren doorgebracht. Inge in de wegberm en ik met de bagage verdekt opgesteld achter de vangrail. Spanjaarden bleken toch niet zo van het lifters meenemen te zijn. Zelfs niet als het ging om Noord-Europese jongedames.

Dankzij de Reis- en Kredietbrief van de ANWB waren we in staat om een taxi te bellen en vooral te betalen. De chauffeur bracht ons naar het Centraal Station in Barcelona. Treinen en bussen vervoerden ons vervolgens naar de Provence. Daar bewoonden mijn ouders destijds een pensionado-huisje. Hoofdschuddend over onze onverantwoordelijke avonturen trakteerden zij ons op copieuze maaltijden. Na een week verwennerij gaven zij ons een lift naar het station in Nice. We namen de internationale trein naar het noorden en betaalden ons nog maanden nadien blauw aan aflossing van onze reis- en kredietschulden.

Continental Circus

“Continental Circus” is een Franse documentaire van 102 minuten over motorracen, gemaakt in 1969 en 1970 door Jérôme Laperrousaz.  De film werd uitgebracht in 1972 en ontving hetzelfde jaar de Jean-Vigo-prijs voor “de kwaliteit van zijn regie en de onafhankelijkheid van zijn geest”.  Een waargebeurd verhaal over de motorsport en al zijn facetten, zoals geld, sponsors, marketing enz. We zijn nu 50 jaar verder…

Geweldige muziek (Gong).  Geen acteur, alleen echte mensen in deze film, geen speciale effecten, de races zijn echte races.  Het verhaal van Jack Findlay weerspiegelt de levensomstandigheden van alle particuliere motorrijders in dit tijdperk.  Giacomo Agostini verschijnt als een soort voorspelling van wat we vandaag meemaken in de autosport.

On Any Sunday

Een trouwe lezer attendeerde ons op de documentaire ‘On Any Sunday’ uit 1971. En laat het nu net vandaag zondag zijn.  Je moet er wel even voor gaan zitten. Deze film van anderhalf uur haalde destijds een Oscar nominatie binnen. Vóór de release in 1971 werden motorrijders door Hollywood altijd afgeschilderd als een stelletje afvallige gangsters op choppers, die overal problemen veroorzaakten.

Na het wereldwijde succes van ‘The Endless Summer’, de baanbrekende film over de evoluerende surfcultuur van de jaren 60, wilde regisseur Bruce Brown de negatieve beeldvorming over motorrijden veranderen met de release van On Any Sunday.  Brown was vastbesloten om de motorsport vast te leggen vanuit zijn eigen unieke perspectief en lens.  Samen met zijn vrienden Steve McQueen, Malcolm Smith en Mert Lawwill richtte Brown zijn camera op de actie terwijl hij zich concentreerde op de verschillende disciplines van het motorracen en vooral op Bruce, de mensen en de gemeenschap eromheen. Van de poging van Mert Lawwill om zijn Grand National 1 prijs in onverharde wegen en wegracen terug te winnen, tot Steve McQueens echte weekend-races, alles komt aan bod.

De film kun je nu kijken via deze link:

50 jaar later brengt Bruce Brown Films nu een eerbetoon aan de hele motorgemeenschap door de geremasterde en digitaal verbeterde 50th Anniversary On Any Sunday-editie te presenteren.  Dit nieuw uitgebrachte meesterwerk geeft het publiek een nieuwe ervaring om samen met vrienden en familie van te genieten! Van kleurcorrectie en beeldherstel tot verbluffend PCM 5.1-surroundgeluid van de originele audio en soundtrack, deze nieuwe film herbeleeft de jaren 70 als nooit tevoren.

In een wereld van YouTube, X-Games en GoPro’s resoneert de film nog steeds met mensen van alle leeftijden omdat het gaat over de motorverhalen, de actie en die nederige, grappige en boeiende stem van Bruce Brown.

Helaas is Brown in 2017 overleden. Zijn nalatenschap leeft voort met deze nieuwe versie van On Any Sunday. Iedereen kan er weer opnieuw van genieten. Bruce zou niet anders willen.

 

Veilig op de motor, in 1970

Natuurlijk was het ruim 50 jaar geleden een stuk rustiger op de weg dan nu. Maar, dat neemt niet weg dat de basisregels uit dit prachtige filmpje van een halve eeuw oud, nauwelijks veranderd zijn. Heerlijk om naar te kijken. Let er eens op hoe de motorrijder deze prachtige BMW in één vloeiende beweging keert op de bok. Bochtentechniek, inhalen, anticiperen, het ziet er allemaal logisch uit. De manier hoe men toen in 1970 een file inhaalde is echter wat anders dan nu. Kijk er maar eens naar. Een filmpje om van te genieten.