Tag archieven: MotorReizen

Motorhotel / Eifelhotel Malberg kijkt optimistisch naar 2021

In februari 2020 publiceerden wij over Eifelhotel Malberg een mooi artikel. Toen was er nog geen vuiltje aan de lucht. Heel wat motorrijders en trouwe lezers van ikzoekeenmotor.nl hebben de afgelopen jaren dit fijne hotel bezocht. Het zou voor iedereen een mooi jaar gaan worden. In maart dit jaar begon de Corona ellende. Wij (redactie@ikzoekeenmotor.nl) vroegen aan Ronald en Gret’l wat de consequenties zijn voor hun droom. Zij schreven ons dit verhaal.


Eifelhotel Malberg – Covid19 en de plannen voor 2021

Inmiddels runnen wij, Ronald en Gret’l, al 5 jaar het Motorhotel “Eifelhotel Malberg”. Even een korte terugblik:

Gestart als “groene” hotelier en kok (niet als ondernemer) hebben wij een goed concept kunnen realiseren voor onze klanten. Zeker 99 % van onze gasten zijn meer dan tevreden en voelen zich bij ons “thuis”, heerlijk op hun gemak. Natuurlijk spelen er zich achter de schermen andere verhalen af…. Wij dachten als ondernemer dat alles in orde was (2016) tot dat er Controle van de brandveiligheid langs kwam! Er moesten extra vluchtwegen komen, branddeuren geïnstalleerd, noodverlichting aangebracht, alarminstallaties geïnstalleerd, rookgasafvoer vensters geplaats worden en ga zo maar door, kostenplaatje werd geschat op € 350.000,00! Tja daar sta je dan als startend ondernemer in een “vreemd” land. Gelukkig mochten we wel openblijven en gasten ontvangen. Inmiddels hebben we (in 2019) alles klaar gekregen en is ons Motorhotel één van de veiligste hotels in de regio.

Foto genomen vóór Corona tijd.

Vol frisse moed en zonder verbouwingen gingen wij 2020 in, een goed gevulde agenda met mooie vooruitzichten naar de toekomst. Totdat de Covid19 om de hoek kwam kijken. Wij hadden tijdens het opladen van onze batterijen in Gambia wel iets vernomen over een virus, maar ja China dat was ver van ons bed, dus geen zorgen!

In maart kwamen de meldingen dat het Covid19 virus ook in Europe was aangekomen met de nodige gevolgen. Lichte paniek, toch wel. “Shit man”, zei ik tegen mijn vrouw Gret’l, nu kunnen we eindelijk iets verdienen dit jaar en dan komt die klote Covid 19 opduiken! Hotels en restaurants gesloten, ja en dan..? Wat met al je klanten die geboekt en betaald hebben? We namen contact op met enkele collega’s en overlegden wat te doen. Nu heb ik vroeger ook aan crisismanagement gedaan en verschillende bedrijfsproblemen opgelost, dus rustig nadenken en een goede oplossing bieden was de boodschap! Inmiddels hadden wij ook een zeer goede reputatie opgebouwd bij onze klanten en leveranciers en samen komen wij er wel uit.

Zo gezegd zo gedaan, onze klanten uitleg gegeven en een concreet voorstel gemaakt wat in de meeste gevallen, (95%) geen enkele discussie is geweest. Dan merk je pas hoeveel goodwill en waardering je terug krijgt van je klanten! Wie goed doet, goed ontmoet!

De Duitse overheid heeft bij aanvang een kleine financiële vergoeding geschonken. Een BTW verlaging toegepast en ze staan nu ook financieel bij in de maanden, november en december wegens de verplichte sluiting van Hotels en Gastronomie.

Hier in de Süd Eifel (Rheinland-Pfalz) was het constant een groene regio en ons bedrijf mocht vanaf 18 mei 2020 weer worden opengesteld voor onze gasten. Natuurlijk wel onder de strenge Covid19 voorwaarden. Wij hebben alle benodigde maatregelen genomen om onze gasten, onze medewerkers en ons zelf veilig doorheen dit Covid 19 jaar te loodsen. Onze gasten waren op voorhand per e-mail geïnformeerd welke maatregelen er genomen waren en aan welke voorwaarden ze moesten voldoen. Desinfecteren van de handen, afstand houden en een mond/neusmasker dragen.

Groot nieuws! Intussen is Vince de zoon van Gret’l en mijn bonuszoon ons team vanaf juni 2020 komen versterken. Hij heeft inmiddels ook een mooi appartement gevonden in Kyllburg, 5 minuten vanaf ons hotel. Wij zijn blij met deze Nederlandstalige hulp in de bediening, keuken, bar enz.

Foto genomen vóór Corona-tijd.

Ondanks de Covid 19 hebben wij een fantastische zomer achter de rug, met tevreden gasten zonder ook maar één Covid 19 incident te hebben gehad. Dankzij onze goede relaties met onze gasten en onze leveranciers kunnen wij overleven, en zien wij 2021 rooskleurig tegemoet. Tip voor onze collega’s: blijf optimistisch, iedereen zit met hetzelfde probleem. Het is een kwestie tijd en van blijven communiceren met klanten, collega’s en leveranciers!

Zijn er wijziging voor 2021? Zoals het er nu naar uitziet niet, behoudens de voorzorgsmaatregelen die zullen voorlopig wel blijven. Dit is alles naar gelang het virus zich ontwikkelt en hoe de voorschriften zijn voor de deelstaat Rheinland-Pfalz in Duitsland.

Wij wensen iedereen een mooi, veilig en virusvrij 2021!

Team Motorhotel: Ronald, Gret’l, Vince en Anja “Eifelhotel Malberg” The place to Be!

Eifelhotel Malberg
Am Annenberg 23 – 54655 Malberg
Tel. 0049 6563 9608505

E-mail:
info@eifelhotelmalberg.de

 

The Cassiar Highway

Going South: The Cassiar Highway, Boya Lake

We brengen al een tijd verslag uit van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets. Hier “The Cassiar Highway.

De voorgaande twee dagen reden we 1200 km over de Alaska Highway tot aan het begin van de Cassiar Highway (ook wel Highway 37geheten). Deze weg is nog niet zo oud, hij werd voltooid in 1972 als gravelweg en het is er nog altijd erg stil. Ik las dat er ongeveer 700 voertuigen per dag overheen rijden. De weg is 874 km lang en inmiddels, op een enkele kilometer na, geasfalteerd. Er zijn geen dorpen aan de weg en na de supermarkt bij Dease Lake duurt het een hele tijd voor je weer wat voorraad kan inslaan. We hebben er daarom uitgebreid boodschappen gedaan.

We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.

Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.

De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje.  De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.

Het draagstoeltje kwam tegen de “trekker” en spoot het enorm irriterende goedje over vaders been. Hij zette snel zijn zoon op de grond en rende het ijskoude water in om zich af te spoelen. Er was geen stromend water op de camping. Later op de avond -rond middernacht- hoorden we een plons in het water en gingen kijken. Hij zat wederom in het water, in de loop van de avond was het branderige gevoel weer zo toegenomen dat hij het niet meer uithield. Om twee uur hoorden we hem nog een keer te water gaan.

De veiligheidspal kan je er maar beter in laten tot je het echt nodig hebt.

Op de camping spraken we met een jong, Duits, stel met drie kleine kinderen. De jongste was nog geen jaar oud, de andere twee waren kleuters. Ze waren op de fiets, ze konden door de kinderen niet erg ver fietsen op een dag, zo’n 50 km. Daar er verder geen campings meer zouden zijn, de komende 300 km vroeg ik hoe ze dat deden met overnachten. Dat zouden ze op de parkeerplaatsen doen langs de weg. En eten? Er zijn geen winkels. Nou dat zouden ze wel krijgen van automobilisten die er stopten. Over de beren maakten ze zich geen zorgen. We vonden het allemaal wel erg optimistisch om zo te reizen met zulke jonge kinderen. We hebben het er nog vaak over gehad…

Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.

 

Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.

Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.

Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.

Het was daar, eind juli niet warm, 9ºC in de ochtend en rond de middag max. 15ºC. Het weer was wat wisselvallig met af en toe een bui.

We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn.  Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.

De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.

Hyder is een leuk historisch dorpje, het hoort bij Alaska en dus de USA, je moet bij vertrek langs de Canadese douane. Wonderlijk genoeg niet als je er inrijdt en dus vanuit Canada de USA in gaat. Hyder heeft 63 inwoners en eigenlijk is alles er Canadees, ook het geld, alleen niet in het postkantoor, daar moet je met US$ betalen.

In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.

De laatste paar honderd kilometer op de Cassiar Highway zijn een beetje saai en je hebt er geen cell phone bereik en op de campings is geen wifi. Dan ben ik toch altijd weer blij dat ik de Garmin Inreach (Mini) mee heb, zodat als de nood aan de man is, er toch hulp ingeschakeld kan worden via een satellietverbinding, je kan over de hele wereld hulp inroepen als het fout gaat. Het apparaatje heeft niet alleen een noodknop, je kan er ook textberichten mee versturen naar elke cell phone en zelfs de thuisblijvers je spoor laten volgen op een website. Je kan de InReach met BT koppelen aan je smartphone en een app. en dan is het

Aan het eind van de Cassiar reden we de bergen weer in en het werd meteen een heel stuk warmer. De temperatuur liep op van 12-15ºC naar 28ºC.

We sloegen de tent vlak ten zuiden van Merrit op. Daar we op weg naar het noorden ook doorheen gekomen. De camping heette Moon Shadows, er pal naast lag een festival veld waar de volgende dag een muziekfestival zou beginnen.  Als voorgerecht draaiden ze er nu jaren 70 muziek en country, heel gezellig zo.

De volgende dag zouden we de grens met de “lower 48” passeren en de USA inrijden.    ( …… wordt vervolgd …… )

Tip redactie: Wil je meer lezen over de motorreisverhalen van Hans den Ouden? Klik dan op deze tag, of hieronder op de tag “Hans den Ouden”.

Van Dawson City naar Anchorage

Hier weer een prachtig verhaal, in onze vervolgserie over motorreizen, geschreven door Hans den Ouden. Als je op zijn naam klikt, onderaan bij de TAGS onder dit artikel, vind je ook vaznelf alle andere artikelen die geschreven zijn door Hans. Onze vaste motorreis-collumnist

Let’s go north – Alaska

Na de rit over de Dempster Highway verbleven we nog een paar dagen in Dawson City. Na de Dempster Highway waren onze banden aan vervanging toe. Dat zou in Dawson City gebeuren, echter werden er vanuit Whitehorse twee verschillende achterbanden opgestuurd. We reden we daarom maar weer 530 km naar Whitehorse voor een tweede band.

Op de terugweg uit Alaska kwamen we weer langs Whitehorse en zouden we er nog een paar dagen verblijven. Daarover schrijf ik in een volgend hoofdstuk. We reden uit Whitehorse de Alaska Highway op, we kozen nu voor de zuidelijkere route, omdat we niet weer naar Dawson City terug wilden rijden. Het gevolg was wel dat we de jerrycan met reservebenzine niet terug konden geven aan de man in Dawson City. Uiteindelijk is dat toch nog goed gekomen.

Ik had de route zo gepland dat we langs Chicken in Alaska zouden rijden. Niet dat het zo een bijzonder stadje is, maar omdat het de eerste plaats in Alaska was, die een eigen website had en dat terwijl ze niet op het lichtnet waren aangesloten. Daar had ik toevallig eens over gelezen, ik schat al weer zo’n 25 jaar geleden. Door de bijzondere naam had ik het onthouden in het hoekje van mijn brein dat gevuld is met “nutteloze feitjes”.  Je kan op //www.chickenalaska.com zien dat het nog steeds niet veel is. Er wonen ook maar 7 mensen.

We reden 500 km richting Beaver Creek. De weg is recht, maar de omgeving is verbijsterend met eindeloze vergezichten en bergen. De foto’s spreken voor zich. Beaver Creek is een plaatsje met 95 inwoners, vlak voor de grens met Alaska.

Ook hier was de man in het Visitors Centre een Fries. Een boerenzoon uit Witmarsum. Ondanks dat hij 82 was, werkte hij hier nog dagelijks. Hij had een leuke hobby, het restaureren van oude MG’s. De auto op de foto is van 1958 en wordt elke dag pontificaal als blikvanger voor het Vistors Centre geparkeerd. Hij sprak nog vrij aardig Nederlands, ondanks dat hij als jongetje van 8 hier was aangekomen.

Winkels waren er niet in Beaver Creek, alleen een benzinepomp met een klein winkeltje. Voor de supermarkt moet je 500 km naar Whitehorse rijden. Wow…

De camping stond vol met grote RV’s van de “Snow Birds” zoals ze de bewoners er van noemen. In de zomer rijden ze naar het noorden en in de winter naar het zuiden, net als de trekvogels. Velen bezitten alleen zo’n RV en hebben geen huis meer, nou ja, dit zijn complete rijdende huizen. Vaak hebben ze nog een gewone auto, of zelfs een truck, mee op een aanhanger. Veel zijn er groter dan een stadsbus. Ze zijn ook van alle gemakken voorzien en nieuw kosten ze drie keer meer dan een gemiddeld huis. De afschrijving is wel indrukwekkend begrepen we van een eigenaar die ook motor reed, daarom hadden zij er een kunnen kopen voor $500.000 onder de nieuwprijs en hij was nog maar twee jaar oud.

Na een nachtje in Beaver Creek gingen we richting Fairbanks. Dat is een saai stuk met naaldbomen aan weerszijden. Het was erg druk in de stad, dat raak je ontwend na een aantal weken in het achterland.  We zochten een camping in Fairbanks, zoals die stond aangegeven in de Garmin.

Op de plek waar de camping had moeten zijn, was echter een woonwijk en die stond er echt al wel een tijdje aan de huizen te zien. Grappig was dat er precies op die plek een grote elk rondliep die zich te goed deed aan de struiken in de tuinen.

We vonden wel een wasbox waar de modder van de Dempster Highway van de motoren afgespoeld kon worden. Die plek staat overal aangegeven, omdat daar veel mensen langskomen die via de Dalton Highway naar Prudhoe Bay gereden zijn. Dat is ook een weg, waarvan velen vinden dat je hem gereden moet hebben, net zoals bij ons de Noordkaap. Hij eindigt bij de Arctic Ocean. De weg is echter druk met vrachtverkeer en er is ook veel blubber. Hij wordt aangesmeerd met Calcium Chloride en dat gaat echt overal aan en tussen zitten. Ik had thuis al veel filmpjes op YouTube bekeken over deze weg en wij hebben hem na rijp beraad overgeslagen.

Vanwege de drukte in Fairbanks, we waren inmiddels toch wel erg gesteld op de ruimte en rust van “the middle of nowhere” besloten we niet verder naar een camping te zoeken en nog een eindje door te rijden. We draaiden de Denali Highway op richting Anchorage. Onderweg wilden we tanken. Dia heeft zo’n leuk handig tanktasje van SW-Motech met een ring op de tank. Het ding kwam met geen mogelijkheid los. We zijn maar op zoek gegaan naar een camping om dan in alle rust het probleem oplossen. De camping  vonden we in Nenana, een gat met 100 inwoners maar een leuke plek. Na het opzetten van de tent zijn we aan de slag gegaan met de tanktas. Die kon van binnenuit losgeschroefd worden en dan kan je bij het mechaniek waarmee hij vastklikt op de tank. We zijn een uur bezig geweest met het uit elkaar peuteren en weer in elkaar zetten. Met veel gezucht en gesteun kregen we alle veertjes op hun plek en daarna werkte het ook weer. Deze dingen zijn dus niet echt stofbestendig.

De camping was prima, met overdekte kampeertafels en na een goede nachtrust vertrokken we vroeg richting Anchorage langs het Denali Park. De berg Denali heette een tijd Mount McKinley maar nu heeft hij zijn inheemse naam terug. De naam betekent “de hoge” en is de hoogste berg van Noord-Amerika met zijn 6194 meter. Hij ligt in een National Park waar je slechts bij loting met je eigen voertuig in mag en die zijn natuurlijk al lang van tevoren gereserveerd en dan krijg je een bepaalde dag toegewezen. Dat werkt natuurlijk niet als je op reis bent en niet hebt gepland wanneer je ergens bent. Wij hadden immers alleen de aankomst en vertrekdatum vastgelegd. Je kan echter ook met een toeristenbus door het park rijden. Dat schijnt wel leuk te zijn. Evenwel het was een donkere en regenachtige dag, sterker nog we hebben de hele berg niet gezien. Het was de enige dag dat we de hele dag in de stromende regen reden. We besloten door te rijden en gelukkig werd naar het zuiden het weer beter. Voor Anchorage had ik een afslag op genomen in de route, zodat we niet de hele dag op de snelweg zouden rijden.

We maakten een prachtige omweg door de bergen, met weer prachtige vergezichten. De laatste 50 km bleek echter onverhard te zijn. Het was redelijk diepe gravel en dat was na de avonturen op de Dempster toch even doorbijten. Het plan was om naar de BMW dealer te gaan in Anchorage en af te spreken dat we een 10.000 km oliewissel wilden doen als we er een paar dagen later weer langs zouden komen. Ik had me echter niet gerealiseerd dat het zaterdag was.

Vlak na sluitingstijd, om 16:00 uur, arriveerden we bij de BMW dealer. Gelukkig kwam er een jongedame naar buiten die ons vertelde dat ze ons, als reizigers, zeker nog ging helpen en we konden een afspraak maken voor dinsdag er na, precies zoals we gehoopt hadden.

Volgende keer: Kamperen bij de HD dealer in Anchorage en verder naar Homer op het Kenai Penisula

Itchy Boots rijdt met drie Ducati’s

Voor Itchy Boots kwam er een ​​echte Ducati-droom uit toen Ducati Zaltbommel haar drie motorfietsen uitleende om een ​​dag mee te gaan rijden. Ze begon met de Streetfighter 848, gevolgd door de Monster 1200 S en daarna stapte zij op de Panigale V2. Uiteraard delen we graag haar rij ervaringen. Corona zorgt er voor dat zij helaas niet haar normale motorreizen kan maken, maar gelukkig is er in Nederland ook een hoop te beleven op motorgebied.

Hans en Dia, onderweg naar Alaska

“Let’s go North- The Northern Rockies & de YukonTerritories.”

Hier het volgende reisverslag van onze vaste columnist Hans den Ouden, die samen met zijn vrouw Dia deze reis maakte in 2019:

In 2019 reden we vanuit Vancouver naar het noorden. Van Teslin naar Takhini Hotsprings en voorts naar Dawson City.

We reden rustig aan, een kleine 250 km. We kwamen langs de Miles Canyon, vlak voor Whitehorse. De Miles Canyon is een prachtige plek waar je leuk kan wandelen, zoals we dan ook gedaan hebben. De wanden bestaan uit gestolde lava. De lavawand is 110 meter diep en 8.5 miljoen jaar gelden ontstaan. Een indrukwekkend stukje van de Yukon Rivier.

Grappig was dat er midden in het bos een stel muziek zat te maken, een gitarist en een violiste. Niet voor het geld, maar gewoon voor de lol.

 

Iets noordelijker rij je dan Whitehorse binnen en na korte tijd kom je langs de SS Klondike II. Dat was het tweede schip met die naam. Deze schepen werden gebruikt op de Yukon voordat de weg van Whitehorse naar Dawson City er was. Begin jaren 50 werd het schip overbodig en werd er een cruiseschip van gemaakt, alleen daar bleek geen vraag naar. Uiteindelijk werd het, net voor de sloop, gered en nu is het een National Historic Site of Canada.

Whitehorse ligt op km 1426 van de Alaska Highway in het zuiden van de Yukon. Het is de provinciehoofdstad en de plaats waar veel mensen komen om boodschappen te doen. Er zijn veel buitensportzaken en andere winkels.  Er zijn ook meerdere motordealers (o.a. Honda en Yamaha).

De eerste (westerse) bewoners in dit gebied waren overigens Russen en Aziaten. Dat waren pelsjagers.

Weer een klein stukje noordelijker kom je bij de Takhini Hotsprings waar we gingen kamperen en in het warme water wilden dobberen.

Een leuke camping met veel ruimte.

Er liep zelfs een vosje over de camping. In de middag gingen we in de Hotsprings liggen. Nu waren we reeds in de Liard Hotsprings geweest waar je echt in een natuurbad ligt en dit is meer een zwembad met warm bronwater. Een deel was zo warm dat je het er maar een paar minuten volhoudt, dan zwem je naar het volgende bad waar het wat minder heftig is. De bron is al ruim 100 jaar bekend en in gebruik om in te baden. Al luierend daar spraken we twee dames die onderweg waren naar het zuiden en net van de Dempster Highway afkwamen. De Dempster is een onverharde weg en Dia moest daar tot dan toe niet zoveel van hebben. Evenwel, het enthousiasme van de dames was zo groot, dat we besloten die weg te gaan rijden. De Dempster is 740 km lang en eindigt in Inuvik.

Dan kan je nog een eindje verder naar de Arctic Ocean, daar ligt Tuktoyaktuk (in de volksmond Tuk geheten). Grappig is dat Tuk vroeger Port Brabant heette. Er wonen ongeveer 1000 mensen in 283 huizen, vrijwel allemaal mensen van inheemse stammen. Dit stuk van 140 km werd gepland in de jaren 70 van de vorige eeuw, maar was uiteindelijk pas in November 2017 klaar, het kostte $300 miljoen!

Hoe de tocht over de Dempster verliep beschreef ik reeds in een andere column.

Na twee nachten op de Takhini camping gingen we verder de Alaska Highway op richting Dawson City, na korte tijd buigt de Alcan af naar het westen en ga je verder op de Klondike Hwy. Onderweg zagen we grote bosbranden en zelfs vlak langs de weg. Best wel spannend als het zo dichtbij komt.

Er zijn veel bosbranden in Canada. De grootste oorzaak daarvan is de hogere temperaturen tegenwoordig, vooral in de winter. Daardoor gaan de “Mountain Pine Beetles” niet dood en deze kevers hebben veel naaldbomen gedood, die dan vervolgens makkelijk afbranden.

Tegenwoordig zijn er regelmatig bosbranden ten noorden van de poolcirkel, dat kwam vroeger zelden voor. Je ziet ook hele bossen die er bruin uitzien, je denkt het lijkt wel herfst, maar het zijn dus dode bomen. Het viel me trouwens deze zomer in Frankrijk ook op dat er daar ook zo veel dode naaldbomen waren. Naar ik begreep is dat ook het gevolg van een kever.

De afstand van Whitehorse naar Dawson City is 532km over de Klondike Highway.

Dawson City is een goudkoorts stadje. De Klondike Goldrush. Nu wonen er nog 1375 mensen maar in 1898 waren hier kampen van goudzoekers met 40.000 mensen. Een van de beroemdste inwoners was Jack London, die er The Call of the Wild schreef (dat stond op mijn eindexamen boekenlijst Engels op de HBS). Er wordt nog steeds goud gedolven overigens, maar niet zoals vroeger.

Het stadje leeft nu vooral van het toerisme. Het is nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. Door het ontdooien van de permafrost zijn er wel flink wat huizen aan het wegzakken, die staan daardoor helemaal scheef. Je kan je in de zomer nauwelijks voorstellen dat het 9 maanden per jaar winter is en de temperatuur daalt tot rond de -25°C en zelfs -40°C.

We zagen toevallig een aankondiging van een lezing in het dorpshuis van een gezin met drie jonge kinderen, dat een jaar in het achterland had gewoond. We besloten om er heen te gaan. Ze toonden veel prachtige natuurfoto’s en vertelden over hun belevenissen.

Het gezin besloot om een jaar samen in de wildernis te gaan wonen, in een zelfgebouwde hut om eens goed tot elkaar te komen en omdat het kon. De hut moesten ze zelf bouwen en de reis er heen werd gemaakt in een paar rubberbootjes. Indrukwekkend.

Vlak buiten Dawson City kan je een stukje de heuvels in rijden en daar vind je nog een gouddelfmachine. De Dredge No.4, zie foto, was de grootste van deze drijvende fabrieken. Het principe is hetzelfde als zeven met een pan, alleen dan in het groot want deze “dredge”kon 4.000 m3 per dag zeven. In totaal werd er met deze machine 8 kubieke ton goud gedolven in 46 jaar. Op het hoogte punt wasten ze 23kg goud uit per 3 à 4 dagen.

Er zijn twee campings in Dawson, de ene is in het stadje zelf maar die is totaal ongeschikt om te tent-kamperen. Wel kan je er douchen voor $2.- Het is gewoon een geasfalteerd parkeerterrein voor RV’s. De andere camping is aan de overkant van de Yukon en je moet dus met de pont naar de overkant. Daar is dan een camping zonder faciliteiten, zelfs geen kantoortje of park ranger. Je moet een formulier invullen op een enveloppe met de data van aankomst en vertrek en het verschuldigde geld stop je in die enveloppe. Een stukje scheur je er af en dat bevestig je aan de paal bij je plek zodat iedereen weet dat die plek bezet is.

De hoeveelheid muggen was ook hier weer heftig. Daarom gingen we snel koken en dan de tent in. Door die muggen lagen we dan wel weer vroeg in bed.

Het plan was om hier vandaan de Dempster Highway op te rijden. Daarom gingen we naar het Tourist Office voor advies en ontmoeten daar een Fries die er werkte en tevens een motorrijder bleek te zijn.  Over de Dempster schreef ik een aparte column. Een van de dingen die we leerden was dat de afstand tot de eerste benzinepomp 400 km was- in Eagle Plains. Daar we niet zeker wisten of Dia dat zou redden op een tank, stelde hij voor dat we na zijn werk bij hem thuis kwamen om een jerrycan op te halen voor 5 L reservebenzine. Na de tocht zouden we hem weer terugbrengen. Zo gemakkelijk zo als dat gaat met alles daar en hoe bereid iedereen is om te helpen, dat vind je in West-Europa zelden meer.

Volgende keer: Alaska!