In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.
Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.
Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.
Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.
Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.
Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.
De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.
Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.
De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.
De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.
Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.
De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.
We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.
Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.
De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de Kumsheenrafting company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.
Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.
We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.
Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:



















Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.
Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.
Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog. De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.
De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-
We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.
De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”
Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994,
Vanaf de Moon Shadows camping reden we verder naar het zuiden, richting de staat Washington.
Highway 3 naar de grens is erg leuk rijden met heel veel bochten in een stuk van 56 km. De grens overgaan als je een Visa Waiver in je paspoort hebt is erg makkelijk. We hoefden alleen ons paspoort te laten zien en konden weer verder rijden.
Tegen lunchtijd waren natuurlijk, zoals gewoonlijk alle picknick tafels als bij toverslag verdwenen. We zijn daarom op een boomstam gaan zitten van een bedrijf met historische voertuigen, zoals de huifkar op de foto. Er was een uitstapje bezig dat ons deed denken aan het TV programma “We zijn er bijna” – er stonden tien dezelfde campers op een rijtje.
Na de grensovergang reden we richting Spokane, dat is een saai stuk en veel graanvelden, eindeloos tot aan de horizon. De temperatuur liep op van 12ºC naar 33ºC, de warmste week tot dan toe – het was inmiddels 1 augustus.
We zetten de tent op nabij de Coulee dam, ten noorden van Spokane. De herten, een moeder met haar nageslacht, fotografeerde ik voor de tent zittend.
De route was 450 km, we stopten op een leuke camping aan een riviertje, de St Joe river. De rivier was heerlijk om in te zwemmen. De camping had dan wel normale toiletten, maar geen douches. De rivier voldeed echte prima, ook voor het wassen van de kleren. We voelden ons net van die kleine Indiase vrouwtjes, die doen het immers ook zo.
De volgende dag reden we nog 120 km langs deze kronkelende rivier op de St. Joe River Road. Ik moest denken aan de Lekdijk, maar dan zonder drempels. We kwamen in totaal 2 auto’s tegen op dit traject. Ten zuiden van Missoula vonden we een camping aan het begin van de Lewis & Clark highway. Deze weg is genoemd naar de twee mannen die deze route voor het eerst aflegden, van het oosten naar het westen, in 1803. De expeditie vond plaats op verzoek van president Thomas Jefferson. Ze werden daarbij uitgebreid geholpen door de indianen (
Ze hebben daar een vaste stacaravan en elke zomer verzorgen ze het dansen gedurende een aantal maanden. We werden direct uitgenodigd om dit mee te maken inclusief hapjes en drankjes. De “gangmaker” vertelde ons alvast dat het kijken naar een Square Dance net zo spannend is als kijken naar opdrogende verf. Elke weekend staat de camping daarom min of meer vol want het trekt veel volk.
Het viel ons op hoeveel motoren er langs de camping reden op de Lewis & Clark highway, maar zodra je de weg oprijdt, staat er een bord dat aangeeft dat de komende 96 miles een “winding road” zijn, ofwel 150 km bochten. We reden in totaal 360 km, deels langs de rivier en deels door het land waar in 1863 grote veldslagen plaats vonden tussen de indianen en de “pioniers”. Er reden de hele dag veel motoren op de weg, bezig met hun Sunday Ride Out. We stopten uiteindelijk in Donnely waar het erg warm was.
Op 5 augustus 2019 waren we 52 dagen onderweg en hadden 16.000 km afgelegd. We reden 460 km door het eindeloze en uitgestrekte prairie landschap van Idaho. Het is zo enorm dat je het ook niet gemakkelijk kan fotograferen. Het gebied ligt op een hoogte van 1000 meter, het heeft indrukwekkende graanvelden en ook veel gras voor veevoer.
De temperatuur liep gestaag op tot 35ºC. We moesten elke anderhalf uur onze cooldown vestjes natmaken. We besloten een hotel op te zoeken in Arco want er was nergens schaduw, dus kamperen sprak ons niet aan.
Ook de volgende dag reden we nog een eind door de prairies tot we bij het Yellowstone Park aankwamen. Het park was erg druk en je mag er in voor $30 per motor. Voor een auto hoeft maar $35 betaald te worden, onafhankelijk van het aantal inzittenden. Voor dat geld mag je er dan wel een paar dagen blijven. Alle campings waren echter vol, dus dat ging hem niet worden. In het park rij je eigenlijk in hetzelfde soort landschap als er buiten, alleen nu dan in de file.
De geisers zijn interessant om te zien, er stond een flinke file om het parkeerterrein op te rijden. Achteraf bleek dat aan de oostkant de wegen leuker zijn voor een motorrijder. Dan rij je via Beartooth Pass naar de ingang van het Yellowstone Park en dat moet een leuke weg zijn met haarspeldbochten. Die houden we dus te goed voor een volgende keer.