Categorie archieven: Gastcolumns & blogs

Vancouver Island

In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.

Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.

Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.

Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met  ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.

Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.

Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.

De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.

Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat  je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.

De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.

De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.

Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.

De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.

We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.

Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.

De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de Kumsheenrafting company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.

Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.

We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.

Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:

Norton’s en BSA’s op de bodem van de zee

Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.

Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.

Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.

 Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.

 Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.

Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.

Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.

Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.

Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.

De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.

Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.

Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.

De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.

De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.

Go West Young Man

Go West Young Man

Juist nu we niet kunnen reizen, niet mogen reizen, is het een troost om reisverhalen te kunnen lezen. Gewoon even dat gevoel alsof je de prachtigste routes langs indrukwekkende Amerikaanse kusten rijdt. Hans en Dia den Ouden reizen al jaren over de hele wereld en in hun motorreis-verhalen op Ikzoekeenmotor.nl delen zij met ons hun belevenissen. En of je deze verhalen nu leest als motorrijder, of als reiziger in het algemeen, het blijft genieten….        Hier weer een verhaal van Hans:  

Na het buitenaardse traject door Utah kwamen we aan in Nevada. Achteraf hadden we vanuit Utah nog Arizona in moeten rijden en dan vooral richting de Grand Canyon. Want dat is natuurlijk ook een schitterende omgeving. Dat hebben we dan nog te goed voor een volgende reis. Het stuk door Nevada was tamelijk leeg en er waren weinig campings en hotels langs onze route. Zo reden we 1200 km in twee dagen en we hebben geen enkele foto gemaakt. Soms reden we 200 km door een totaal leeg gebied. Een deel van dit traject ging langs de oude Route 66.

Bij een supermarkt kwam er een andere motorrijder aangereden op een KTM 1290. Hij keek naar onze nummerplaten en zoals iedereen wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Zijn openingszin was: “I can tell  by your face that you’ve been on the road a long time.” En zo voelde het ook wel na 18.000 km.

De man was 76 en vertelde dat hij pas een off-road trip had gemaakt met zijn zoon en kleinzoon. Hij kreeg last van warmtestuwing (een zonnesteek) en hij belandde daardoor in het ziekenhuis. Het was dan ook flink warm. Ik heb hem onze “Cooldown” vesten laten zien en de werking uitgelegd. We zijn gestopt in Carson City, de hoofdstad van Nevada en hebben onze plannen aangepast. We besloten om richting Sacramento te rijden en dan langs de kust over Highway One naar het noorden te rijden.

We waren erg moe van de afgelopen twee dagen rijden en sliepen mede daardoor ook nog eens slecht. Daarnaast moest er gas gekocht worden voor het kooktoestel en die winkel ging pas om 09:00 uur open. De timing om daar gas te gaan kopen bleek goed, want het oude blik was die zelfde avond leeg. We reden een heel stuk langs Lake Tahoe, een iconische plek. Het meer is prachtig en is omgeven door bergen. Tegen de wanden staan veel enorm grote huizen tussen naaldbomen. Het deed ons denken aan Paris Plage.

Van dit stuk had ik geen route gemaakt en dus gebruikte ik de functie “kronkelroute” van de Garmin Navigatie. In Nederland werkt dat niet geweldig maar hier wel. Behalve 10 km snelweg ging het inderdaad alleen maar over kleine bochtige weggetjes. Wel werd het weer erg warm, de temperatuur liep op tot 38ºC.

Na Lake Tahoe volgende nog Lake Donner, ook een mooi meer in de heuvels. We kampeerden in Oroville op weg naar Ford Braggs aan de kust.

De volgende dag reden we een leuke slingerweg door Napa Valley, tussen de wijngaarden door en daarna alleen maar bochten tot we aan de kust waren. Het werd in de middag wederom 38ºC en ondanks de Cooldown vesten was het samen met het intensieve rijden erg vermoeiend. Gelukkig ging de weg in de middag door een bos met sequoia bomen. We vonden een camping die vol stond met deze bomen.

Het bordje bij de camping meldde dat er geen plek was, de ervaring heeft geleerd dat het toch vaak loont om dat nog even na te vragen. De dame aan de balie meende in eerste instantie ook dat ze geen plek had, maar uiteindelijk bedacht ze dat er toch nog een klein plekje beschikbaar was. Op de foto kan je zien dat klein een relatief begrip was.

De volgende dag reden we op de kustweg en daar was het een comfortabele 21ºC. Op de parkeerplaats bij de supermarkt kwam een zeker Larry naar me toe. Hij wilde alles weten van onze reis en wilde met ons op de foto. Hij reed ook op een GS, maar hij was nog nooit op reis geweest. Hij bleek een pastor te zijn, na het gesprek kreeg ik een boekje van hem, zie de foto, nu zou het vast goed komen met ons…

Vanaf Gualala reden we langs de kust noordwaarts over een prachtige weg, grotendeels met uitzicht over de oceaan. Na een half uur kwamen we bij wegwerkzaamheden waar we tien minuten moesten wachten op de tegenliggers.

Tijd genoeg dus voor een babbel met de verkeersregelaar en de agent die er toezicht hield. Uiteraard werd er uitgebreid gevraagd waar we vandaan kwamen en hoe we de motoren getransporteerd hadden.  Na wat selfies over en weer konden we weer verder rijden. De temperatuur vlak aan zee was wederom perfect met 21ºC. Na 150 km boog de weg, Highway One af landinwaarts en liep de temperatuur snel op naar 32ºC.

We kwamen langs de sequoiaboom waar je met de auto onderdoor kan rijden. Dat kost $10.- voor twee motoren. Het staat daar echter vol met van die bomen, daar kan je dan weer niet onderdoor, maar ach.  Highway 1 gaat over in de 101 en die loopt weer terug naar de kust, alleen dat is dan 150 km verder. We besloten te stoppen na slechts 185 km gereden te hebben en vonden een camping met zwembad.

We zijn twee uur gaan wandelen in St. Patricks Point State Park. Vlak aan de kust was het met 12ºC aan de frisse kant,

 

De volgende dag reden we Oregon in. Californië is een dure staat. De camping daar kostte $39 gemiddeld en in Oregon $16. De benzine was in Oregon $0,70 per gallon goedkoper. De camping in Humbug Mountain State Park was wat meer ingericht op tentkamperen i.p.v. RV’s.

Grappig is dat Amerikanen op een camping altijd onmiddellijk in de weer gaan met hout om een kampvuur te maken, dat zorgt kennelijk voor het “outdoor” gevoel of is het “survival”? In ieder geval zit je dus vaak in de rook en kerosine lucht. Iedereen heeft minstens twee honden bij zich. De buren hier waren continu in de weer met hun bedoeninkje. Het was verbazingwekkend om te zien wat ze meegesleept hadden. Ze hadden bijlen bij zich waar je een sequoia mee kon omhakken.

We reden verder langs de kust richting de ferry naar Vancouver Island. Onderweg zagen we veel arenden en in de zee zeehonden. Het was moeilijk om een camping te vinden want het was het laatste weekend van de schoolvakantie en dan trekken velen er nog even op uit, Uiteindelijk vonden we een KOA camping in Astoria, met nog een plek waar je de tent op een vlonder moet neer zetten. Dat paste maar net.

De volgende dag waren we in Washington en ook daar waren de campings erg vol. Bij een visten we net achter het net en werd de laatste plaats aan iemand anders vergeven. Het was inmiddels 16:30 uur en de dame van de camping zei dat er 100 mijl naar het noorden nog wel een camping was, dat is dus 160 km. We zagen er kennelijk moe en hopeloos uit, een van de mensen die wel een plekje hadden gekregen kreeg medelijden met ons en we mochten hun plekje hebben, zij zouden dan nog een eind naar het zuiden door rijden. Geweldig!

->> Volgende keer: Vancouver Island

Met je motor over de Million Dollar Highway

Wyoming, Idaho, Colorado en Utah

(Trouwe lezers volgen via onze site de motorreisverhalen van Hans den Ouden en zijn vrouw Dia. We horen zelfs dat mensen die nooit motorrijden ze met heel veel plezier nu lezen. De wens om te reizen is zeker nu voor velen herkenbaar. Hier weer een volgend verslag van Hans. Facebookers vinden Hans en Dia ook hier.)

Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.

We reden door het prachtige Grand Teton National Park en daarna nog door een ander park. Net zo fraai als Yellowstone en gratis toegankelijk. Het vinden van een aantrekkelijke camping viel niet mee. We reden er 10 voorbij zonder faciliteiten, alleen toilethuisjes met een grote bak waar het ongelooflijk stinkt en geen water is om je handen te wassen. Rond 16:00 uur begon het te regenen en de weg ging over in gravel. Dat is in de regen met een zwaar beladen GS een uitdaging. Aan het einde van de middag, na 450km rijden, hadden we daar geen zin meer in.

Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.

 

Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog.  De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.

Daar hebben we mee gewacht tot het bijna donker was.

Ook was het inkopen doen niet helemaal goed gelukt, er waren geen winkels in de buurt en daarom werd het een avondje water drinken in plaats van wijn.

De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado  waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-

We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.

De Million Dollar Highway, tussen Silverton en Ouray,werd gebouwd in 1882-1883 door een ondernemer, Otto Mears. Hij was een succesvol ondernemer en wilde het zuidwesten van Colorado verbinden met de buitenwereld. Het bouwen van de weg kostte $10.000 per mijl. Ongelooflijk veel geld voor die tijd. Daarom werd er ook een aanzienlijke tol geheven, $5 voor een paard en wagen en $1.- voor elk stuk vee. Het aanleggen van de weg gebeurde door mannen aan touwen naar beneden te laten zakken naar de juiste hoogte, die plaatsten dan dynamiet en voor het ontplofte werden ze weer snel omhoog gehesen. De geschiedenis van Otto Mears, hoe hij als wees, zonder enig geld begon en zo ver wist te komen is de moeite waard om eens te lezen.

De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”

De weg heeft nog steeds geen vangrails en naar beneden kijken vanaf de motor voelde best wel spannend. Gelukkig was het mooi weer tot Durango. Daar begon het ongelooflijk hard te regenen. Een complete wolkbreuk. Na een half uur nam de regen gelukkig af en reden we richting Arizona langs het vierstatenpunt waar Arizona, Utah, New Mexico en Colorado aan elkaar grenzen. Er is  dat een monument waar ik wilde gaan kijken, ook daar was ik in 1966. Tegenwoordig moet je $20 per voertuig betalen om het monument te bekijken en dat ging toch echt te ver.

We reden Utah in richting Monument Valley. Elke camping en elk hotel die we onderweg tegenkwamen zat vol, overwegend met busladingen Chinezen. Uiteindelijk kwamen we om 19:00u, na 568 km rijden, bij het Navajo reservaat aan en ook daar waren de tentplaatsen vol, maar we konden wel de laatste RV plek huren. Dat bleek achteraf gunstig, want de tentplekken bleken allemaal in het dal te liggen en konden alleen te voet bereikt worden, vanaf een hoger gelegen parkeerplaats en dat was dus een heel gesjouw geweest.

Nu stonden we boven op een plateau en hadden een schitterend uitzicht. Er stond een snoeiharde wind, zo hard dat we de tent maar ternauwernood opgezet kregen. We moesten grote keien verzamelen om op de scheerlijnen te leggen en de rotspennen vast te houden. Toen de zon eenmaal onder was, ging de wind gelukkig liggen en hadden we een prima plekje. Zowel de zonsondergang ’s avonds als de zonsopgang de volgende morgen waren sprookjesachtig. De hele omgeving is betoverend.

We zaten de volgende ochtend weer vroeg op de motor om de warmte voor te blijven. De Valley of the Gods en de “Road of the ancients” De weg door deze contreien, de Highway 95 is nauwelijks in woorden te vatten. Enerzijds rij je in een “onaardse” omgeving en anderzijds zitten de wegen ook nog vol bochten.

Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994, nabij Mexican Hat, dat is overigens vlak bij de plek waar we kampeerden. Er zijn mensen die er speciaal naar toe reizen om exact op die plek een foto te maken. Men stopt dan midden op de snelweg om een foto te maken. Hoewel het er stil lijkt, rijden er natuurlijk wel auto’s met meer dan 100 km/uur voorbij. Het staat inmiddels bekend als “Forrest Gump Point”

Na 410 km eindigden we in Escalante. Next stop: Carson City

(Wordt vervolgd….)

De Million Dollar Highway, al rijdend:

De elektrische motorfiets, blijft het onze toekomst?

Binnen onze besloten Facebookgroep PASSIE VOOR MOTOREN met inmiddels 2300 leden is Andrew Thijssen een bekende trouwe schrijver. Andrew rijdt zowel op zijn trouwe Yamaha FJR1300A als op zijn Zero, de elektrische motor. We zaten bij de redactie met wat vragen, dus hebben we deze aan hem voorgelegd…

Hoe lang is het geleden dat je jouw eerste elektrische motorfiets kocht, en was dit nog voor dat je een elektrische auto reed?

Mijn eerste elektrische motorfiets kocht ik nog maar anderhalf jaar geleden. De eerste elektrische motorfiets reed ik in 2009. Dat was overigens meer duwen dan rijden. Die Quatya kon op papier 20 -25 km ver. Ik kwam er maximaal 12 km ver mee.  In de jaren daarvoor kwam ik hobby-matig steeds meer in de gelegenheid om op allerlei soorten motorfietsen te rijden. Ik was in die jaren ook steeds meer geïnteresseerd geraakt in de energie-transitie die er onvermijdelijk aan kwam. Daarmee gepaard gaande de overgang naar alternatief vervoer, dus ook elektrische motorfietsen. Daar werd toen nog nauwelijks over gesproken. Een elektrische auto rijd ik nu drie en een halfjaar. Je moet er tegenwoordig wel bij zeggen: Prive gekocht, zonder ondernemers voordelen … ik ben “slechts” loonslaaf. Ik heb in de loop van de jaren steeds meer mensen leren kennen die werkzaam zijn in de duurzame mobiliteit. Reuze interessant.

Wat was toen voor jou de belangrijkste reden? En is dit nog steeds een belangrijke reden?

Ik was als 16 jarige ooit in Toronto (Canada), daar werd ik als plattelands jongetje voor het eerst geconfronteerd met smog sluiers boven de stad. Daar was ik erg van onder de indruk. Vooral het idee  dat je daar de hele dag in zou moeten leven.. 10 jaar later was ik met de motor in Madrid, tijdens een onweersbui proefde ik letterlijk de zurige regen en voelde het prikken in mijn ogen. Ik vond dat echt smerig.  Ik raakte onder andere daardoor steeds meer geïnteresseerd in de overgang naar schone energie.  Dit had uiteindelijk ook te maken met mijn werk. Ik werk inmiddels 10 tallen jaren als geriatrie fysiotherapeut in de ouderen revalidatie. En geloof me, daar zie ik dagelijks  verschrikkelijke dingen die me/ ons  misschien nog te wachten staan.  Mede als gevolg van 100 jaar ( zeker de afgelopen 60 jaar), rotzooi inademen door industrie, verkeer, tuin en landbouw. Denk hierbij aan longaandoeningen, kankers en neurologische aandoeningen (bv Parkinson).  De cijfers daaromtrent liegen er inmiddels niet om. Inderdaad een van de redenen is volksgezondheid. Ik ben me in die jaren steeds meer gaan verdiepen in de werking van klimaatsystemen …. En dan wordt het allemaal een stuk duidelijker, maar vooral verontrustender.  Een leefbare gezonde wereld voor mijn (klein)kinderen en de rest van de wereld is voor mij nog steeds de belangrijkste reden… buiten het feit dat elektrisch fantastisch rijdt.

Als je motor rijdt, en je hoeft nergens naar te kijken, pak jij liever de benzine motor, of rij je liever elektrisch?

Ik heb dagelijks de keuze tussen mijn FJR1300A te pakken of mijn elektrische Zero. Aangezien ik de motorfiets bijna dagelijks gebruik is dat best prettig. Mijn FJR staat bijna het hele jaar stil. Ik gebruik die alleen als ik een verre trip ga maken met mijn petrolhead vriendjes . Dat zegt genoeg denk ik. Zodra de laad/tank infrastructuur parallel lopen gaat de FJR de deur uit. En dat is veel sneller dan de meesten nu in de gaten hebben.

Wat zijn de belangrijkste vooroordelen die je tegenkomt?

– Onbruikbaar door slechte actieradius,
– Batterijen zijn na 2 jaar op en kosten een godsvermogen,
– Batterijen zijn slechter voor het mileu dan brandstof,
– Als  het koud is kom je niet ver,
– Je rijdt op kolenstroom,
– Geen beleving,
– Je hoort ze niet aankomen dus gevaarlijk, loud pipes save lives

Rijden er volgens jou over in 2040 nog benzine motoren rond in NL?

Er rijden in 2040 vast nog wel brandstofvoertuigen rond in het verkeer. Maar dat zijn slechts uitzonderingen die gereden worden door mensen die er, om wat voor reden dan ook,  geen afstand van willen / kunnen doen. Of door liefhebbers die ons technisch erfgoed in stand houden. Maar die rijden  niet of nauwelijks meer op brandstoffen zoals we nu kennen. Trouwens, de brandstoffen zoals we die we nu tanken zijn ook niet meer de brandstoffen van 20-30 jaar geleden. Fossiele benzine zul je dan echt moeten zoeken of heel duur betalen. Vergeet niet dat de brandstofmotor binnen nu en 10 jaar verboden wordt om nieuw verkocht te worden. Waarschijnlijk wordt dit nog wel een paar jaar eerder vervroegd. De brandstof voertuigen die dan nog rondrijden krijgen te maken met steeds meer restricties. In de loop van de jaren worden die uitgefaseerd  middels biobrandstoffen en/of E fuels. Voordeel van deze laatst genoemde brandstoffen is dat je die kan maken van C02 uit de atmosfeer. Vergeet niet dat we in 2040 alweer snel een jaar of 20 verder zijn. De meeste mensen die nu nog verknocht zijn aan hun voertuig rijden dan niet of nauwelijks meer rond. Een nieuwe generatie motorrijders is dan aan de beurt.

Hoe zit het met waterstof?

Waterstof wordt door een aantal mensen gezien als de heilige graal. Begrijpelijk, want dan kun je “gewoon” tanken … en dat kennen we. Waterstof wordt inderdaad een steeds belangrijker onderdeel in de energie transitie. Waterstof is een mooie energiedrager. Dit kan gebruikt worden als de zon niet schijnt en de wind niet waait. Het probleem met waterstof is dat het niet zo maar bestaat op aarde. Dat moet gemaakt worden … en iets wat gemaakt moet worden kost energie. Wat dat betreft is er geen verschil met fossiele brandstoffen. Je spreekt nu nog over waterstofgas. Waterstof wordt overigens nu nog voor veruit het grootste deel gemaakt van afval gassen uit de olieraffinage. Je begrijpt dat olie maatschappijen dit dan ook graag willen gebruiken en verkopen als een schoon produkt. Dit wordt dan ook greenwashing genoemd

Misschien overbodig te zeggen, maar waterstof rijden is ook elektrisch rijden, met batterij. Weliswaar een kleinere, maar toch een batterij. Buiten het feit dat waterstof gemaakt moet worden, wat veel energie/elektriciteit kost, moet waterstofgas ook worden opgeslagen, vervoerd en weer omzet worden naar elektriciteit in een brandstofcel. Dit is een bijzonder inefficiënt proces.

Je moet eerst met elektriciteit waterstof maken, dit opslaan, vervoeren en weer omzetten naar elektriciteit. Dit laatste gebeurt in een brandstofcel (fuelcell). Je hoeft geen raketgeleerde te zijn om te begrijpen dat dat veel verlies oplevert.  Om het waterstofgas volume te geven om een afstand te kunnen rijden moet het vloeibaar worden opgeslagen. Dat gaat onder extreem hoge druk (500-700 bar) en extreem lage temperatuur (-250 graden celcius). Je begrijpt dat dat technische complex, duur en ruimte innemend is. Voor een motorfiets (nog) ongeschikt. Voor zwaar vervoer veel beter…

Waterstof als brandstof voor brandstofmotoren  is geen issue meer, dat is tot 10 jaar geleden nog geprobeerd. Maken van waterstof, opslag en vervoer is hiervoor beschreven. Het verbranden van een duur gemaakte brandstof in een inefficiënte brandstofmotor hebben we nu 130 jaar gedaan … dat doen we niet meer, nog afgezien van de hoge verbrandingstemperatuur van waterstofgas in een brandstofmotor wat technisch grote problemen levert. Ik noem even wat. Waterstof moet vloeibaar worden ingespoten. Vloeibare waterstof verdampt constant als de motor loopt. Dit moet omdat anders de druk in de waterstoftank te hoog oploopt. Ook als de motor niet loopt. Gevolg is dat het voertuig ook waterstof verbruikt bij stilstand en dat wil je niet bij een duur gemaakte brandstof. Waterstof gedraagt zich anders dan benzine en de verwachtte vermogens worden bij lange na niet gehaald. De verbranding verloopt dus nog vele malen inefficiënter dan al het geval is bij fossiele brandstoffen. De hele constructie wordt zoals hierboven gezegd veel groter en ingewikkelder. (Bron BMW)

Wat moet er met de voertuigen die nu nog verkocht e worden en rondrijden?

Dat is inderdaad een punt, je ziet nu al dat fabrikanten worstelen om de emissie normen te halen. Het gaat hierbij niet om het individuele voertuig maar om het vlootgemiddelde. Dit is overigens niet iets van de laatste jaren maar iets wat al 40 + jaar speelt. De ouderen onder ons weten al dat we in halverwege jaren 80  van het lood in de benzine zijn afgegaan en steeds meer naar mix met ethanol. Dat in combinatie met steeds compactere motoren in de voertuigen die meer vermogen gingen leveren.

Door  de toenemende klimaat problematiek (je mag er in geloven of niet, maar dat doet er nu niet toe) en volksgezondheidsproblemen worden de emissie eisen snel steeds strenger aangehaald. Om de uitfasering van de brandstofmotor te ondersteunen wordt nu ingezet op bio fuels en E fuels. Deze E fuels worden bv gemaakt van CO2 die opgeslagen zit in de atmosfeer. Dus netto stoot je niks meer uit dan je verbruikt, (straks meer).  Bio fuels zijn gemaakt op basis van planten (resten) en plantaardige afval-oliën. De grondstoffen hiervoor zijn onlangs geoogste bio bestanddelen die deel uitmaken van deze CO2 cyclus. Echter, deze Bio fuels doen bij onjuist gebruik  een beroep op onze voedsel keten.

Nu wordt het interessant voor de petrolheads: E fuels zijn synthetische brandstoffen. Deze zogeheten e-fuels worden gemaakt met duurzaam opgewekte stroom en CO2. Die CO2 komt uit de atmosfeer of fabrieksschoorstenen. Het proces van E fuells begint met duurzame elektriciteit, opgewekt door windmolens of zonnepanelen (of naar smaak met aardwarmte of kernenergie). Die groene stroom gaat naar grote elektrolyse-apparaten die water ontleden in waterstof en zuurstof.

De waterstof gaat naar een fabriek waar de synthese plaatsvindt met CO2 tot de verschillende synthetische koolwaterstoffen: e-methanol, e-diesel, e-LNG en e-kerosine. Via een soortgelijke route — maar dan met stikstof in plaats van koolstof — is e-ammoniak te produceren. Deze brandstoffen hebben een e’tje in de naam (van ‘elektriciteit’), maar ze verschillen niet wezenlijk van hun fossiele broertjes. Ze zijn nu alleen niet gemaakt van organisch materiaal wat miljoenen jaren in de aardkorst is opgesloten.

Resumerend: Transitie brandstoffen, zoals bio en E fuels  worden gebruikt om de “uitstervende “ brandstofmotoren naar hun eind te helpen en toch de emissie doelen te halen. Waterstof elektrisch is geschikt voor industrie en zwaar vervoer. Batterij elektrisch voor personen vervoer en motorfietsen. Wie weet wat voor combinaties hiervan er in de verre toekomst zullen zijn … of nieuwe technieken …. 100 jaar geleden konden we toch ook niet overzien waar de brandstofmotor toe zou leiden!

Een keer elektrisch proefrijden, in Brabant (Helmond) kan o.a. bij:
//ikzoekeenmotor.nl/bedrijven/electric-motorbikes-nl/