Tag archieven: motorcolumnist

Rondje André

(VBT26 – 09. Dit verhaal, een ode aan hun motorvriend André, lazen we een week terug op het Facebook account van onze trouwe schrijver Coos van der Spek. En we mogen dit delen met jullie, onze lezers.)

Het wordt vandaag een mooie dag.

We vergeten weliswaar Ed op onze tour mee te nemen, maar corrigeren dat razendsnel met elkaar. We rijden vandaag route PH21. We noemen hem eigenlijk route André. Onderweg komen wij langs de plek waar André vorig jaar crashte.

We staan stil bij de plek en halen herinneringen op. We hebben behoefte om nog een keer het ongeval te reconstrueren.

Het diepe grind, de afwezigheid van waarschuwingsborden, de crash, de plek waar de motor tegen de vangrail kwam, waar André waarschijnlijk heeft gelegen etc.

En we praten over onze verbijstering. Alles komt weer boven. Het draaiboek (op papier), dat wij vorig jaar in een paaltje aldaar stopten, is verdwenen. Maar de stok van toen staat er nog in. We stoppen er een extra stok en een grote steen bij. Wie weet staat het er volgend jaar nog.

Hoe gaat het met onze vriend? André woont voortaan in een verzorgingshuis. In het weekend is hij thuis bij Rita. Met zijn muzieklessen gaat hij goed vooruit. Helaas blijven grote vorderingen op ander gebied achterwege. André loopt met een rollator. Het is wat het is.

We verlaten de onheilsplek en reizen verder. Al snel dienen de L-511 / 512 zich aan. Het is een horizontale rollercoaster die niet snel te vergelijken is. Enorm korte bochten. Bijna haaks en fel. En het houdt niet op. Kilometerslang. Prima asfalt. Fantastische weg. Lekker op het gas. En zonder zorgen. We zouden het anders moeten doen. Best bizar. Daarna volgen o.a. de C-1412b en de L-112. Teveel om op te noemen.
     

Rond de klok van vier weer terug in het hotel. Lekker met korte broek bij het zwembad. Biertje erbij en stoere verhalen. En over oude en nieuwe relaties, donkere kelders, dreigende bossen, pantoffels met gaten, Garmin navigatiesystemen, banden en bouten en moertjes en zo.

Het was koel in de bergen en lekker warm bij het hotel. Het was vandaag een mooie dag. Maar wel één met een randje. Absoluut.

Nog wat indrukken van deze dag:

Als je valt met je motor, is het je eigen schuld!

(Een column door Dolf Peeters)

Ik ben zeker geen getalenteerde motorrijder. Maar na meer dan een halve eeuw – waarvan de laatste vijf jaar niet meer ’s winters – te hebben gereden, zie ik mezelf wel als een ervaren motorrijder. In de eerste twintig jaar zijn er een paar dingen tamelijk serieus mis gegaan. Dat gebeurde feitelijk door te weinig ervaring en te veel testosteron.  Maar ergens in die tijd tot nu ging de ongeval-score naar ongeveer nul. Dat traject ten goede ging in na het lezen van een boek van Ernst ‘Klacks’ Leverkus.

Ernst Leverkus testte in de jaren vijftig tot zeventig vrijwel elke nieuwe motorfiets die in Duitsland op de markt kwam. Samen met zijn partner Inge Rogge ontwikkelde hij testmethoden en meetprocedures voor motorfietsen, die een vast onderdeel vormden van talloze rondjes op de ‘groene hel’, de Nürburgring-Nordschleife, en de daarop gebaseerde testrapporten in de tijdschriften ‘Das Motorrad’ en ‘PS’. Hij maakte de motor-journalistiek volwassen. Op de meest degelijke, Duitse manier.

Als motorjournalist en auteur heeft Ernst Leverkus sinds 1950 in Duitsland letterlijk motorfietsgeschiedenis geschreven. En boeken schreef hij ook. Van zijn hand is het statement ‘Elke val is een schande’. Wie dat direct tot zich door wil laten dringen moet op de socials maar eens zoeken naar Daily Crazy Corner van KanyarFoto.

Maar in het echt heeft de opmerking van Leverkus mij wakker geschud. ‘Elke val is je eigen schuld’. Daar van gaan mensen steigeren.  Dat kan zelfs zijn omdat ze een geliefde zijn verloren door een motorongeluk dat feitelijk wel degelijk door ‘de andere partij’ werd veroorzaakt. Waarvoor mijn diepe medeleven.  Want: ‘Het licht stond voor mij op groen’, ‘ík reed op een voorrangsweg, ‘hij/zij/het kwam van links’. Gelijk heb je. Maar krijg je het? Is dat gelijk, dat recht relevant als je net bent opgekrabbeld en naar je gekneusde motorfiets kijkt?

Sinds het bij mij (Dolf Peeters) is geland dat elke mogelijke val, elk ongeluk ‘eigen schuld’ is ben ik anders gaan rijden. In een milde paranoia denk ik aan de muis die dapper van onder het aanrechtkastje komt, in de lens kijkt en piept “Wij muizen hebben ook het recht op de keukenvloer!”  ‘Famous last words’. Want er was een kat in de keuken.

Op de motor ga ik er opgewekt en ontspannen van uit dat elke andere weggebruiker hersendood, blind of crimineel is. Ik heb anticiperen, vooruitzien tot op een Olympisch niveau gebracht. Kijk tussen files naar voorwielen. Want die verraden elke mogelijke richtingverandering. Mannen met gleufhoeden in oudere grotere middenklassers of artrosevriendelijke gebakjes? Gevaarlijk!  Een permanentje met een blauwe kleurspoeling achter het stuur. Elke willekeurige fietser of fatbiker vanaf een jaar of zes. Jonge mannen met hun petjes achterstevoren op. De automobilist in de stilstaande auto voor je  kan elk moment zijn deur open doen. Elk levend wezen van elke mogelijke gender met een smartphone in de voorpoten is potentieel dodelijk.

Ze zijn er allemaal op uit mij dood te maken. Net als wegwerkers en hun bitumeuze asfaltreparaties. Gemeentes met levensgevaarlijke wegmarkeringstechnieken. Natte zwarte- of regenboogkleuren in bochten. Ik paranoia? Wat zou jij zijn als iedereen je probeert dood te maken?!

Bij die hele filosofie hoort natuurlijk dat je je motorfiets beheerst. En met het gehoorde gemiddelde kilometrage van de gemiddelde motorrijder geloof ik niet dat er zo een goede voertuigbeheersing op te bouwen is. Ik ben vrij allergisch voor regelgeving en voorschriften.  Maar voor ‘gewone’ recreatieve motorrijders zou een voortgezette rij opleiding, al was het maar een training van een dag, verplicht moeten zijn. Alleen al om te leren dat je een stoep kunt oprijden en dat je op een gewone motor best een stuk berm mee kunt pakken. Om te leren dat je gaat waar je naar toe kijkt. Dat je nooit kort voor je op de weg moet kijken.

Zelf ben ik dus al zo’n dertig jaar schadevrij. Nou ja bijna. Op een keer stapvoets onderuitgaan na, op zwart grit op de weg tijdens een donkere nacht.

Dertien blije snuitjes

(Een motorverhaal, geschreven door Coos van der Spek.)

“Als blije koeien in het voorjaar! Zo voelen wij ons bij het verzamelpunt van onze motorclub. Opgedirkt met onze gepoetste laarzen, gewassen motorpakken en onze lederen kleding in het verse vet. Lekker knuffelen met elkaar.

Gezamenlijk gluren naar de nieuwste gadgets en wetenswaardigheden uitwisselen over nieuwe banden en helmen en zo. Plannen bespreken en grappen maken. Saamhorigheid en vriendschap. Heerlijk.

We dansen de Lekdijk af. We doen het rustig aan, want niet alle leden rijden ‘s winters door. Zij moeten weer even wennen en het motorgevoel opbouwen. We hangen op de bochtige dijk met een denkbeeldig elastiekje aan elkaar en ons treintje krimpt en rekt. Soms wel twee kilometer lang. Het is mijn spiegels een machtig gezicht.

Bij Tiel wisselen wij van rivier en zwieren wij de Waalbandijk op richting het terras met de broodjes gezond en de uitsmijters.

Het is 17 graden en het zonnetje laat zich meer dan regelmatig zien. Prima weer voor een Italiaans ijsje bij Millingen.

In Duitsland vullen wij onze brandstoftanks, veranderen van koers, zien in de verte heel even de Maas en ontdekken in Batenburg de restanten van een indrukwekkende ruïne van een van de oudste kastelen van Gelderland.

We kiezen voor de brug bij Ewijk en draaien een stukje verder de A15 op. De meesten zijn voor half zeven weer thuis. We hebben zomaar een kleine 5000 km met z’n allen gereden.

MOTORJEUK

Even wat zeuren hoor mensen….

Ken je dat? Het woord ‘motorjeuk’ zal niet iedereen misschien iets zeggen, maar het gevoel is bij veel motorrijders bekend. Je hebt door je drukke agenda al twee weken niet meer op je motor gereden, het is op dat moment nog september en heerlijk najaarsweer. Je plant min of meer in die week al dat je dat weekend, de zaterdag, eens een lekkere trip gaat maken. Ergens even op de koffie en dan lekker binnendoor. Maar op de donderdag wordt je al wakker met zo’n onbestemd droog gevoel in je keel, en eer dat het vrijdag is heb je een stevige keelontsteking te pakken met wat koorts. Dat wordt dan een rot griepje en hup, die week erna zit je dus niet op de motor.

Dan denk je, och dat komt dan het weekend erna wel, maar dan krijg je na de keelontsteking een rare ontsteking in je ogen met brandende jeuk. De vervangende huisarts gokt met wat druppels die zeker een volle week totaal niet helpen en uiteindelijk zit je dan toch bij de oogarts in het ziekenhuis. Daar krijg je dan toch de juiste druppels. Na enkele dagen is de oog ontsteking over en denk je dat je na die werkweek wel even lekker kunt gaan toeren op de motor. Is het natuurlijk drama k-u-t weer, het valt met bakken uit de hemel tijdens wat stevige storm dagen. Weer een weekend dat je geliefde motor eenzaam staat te zijn in de schuur. Het weekend daarna wordt opgeslokt door een klus aan het huis van je moedertje, en, waar veiligheid een rol speelt ga je dat niet uitstellen.

Weer komt je motor op de tweede plek. Enfin, lang verhaal kort, het is nu eind november en al meer dan twee maanden wordt mijn agenda elk weekend ingehaald door de waan van de dag, en niet door een snellere motor.

Mensen, mensen, die motorjeuk wordt erger, ik moet krabben.

En ook al is het maar 5 graden nu, de zon schijnt, ik ga mijn dikke motorjas in elkaar ritsen met de wintervoering, de nieuwe Daytona motorlaarzen staan lachend naar me te knipogen..

Deze column hoeft niet af te zijn, dat toetsenbord zoekt het zelf maar uit. Ik ben weg zo.

Houdoe. John

PS:

Het woord motorjeuk zag ik het eerste voorbij komen in een tekst van Roland Oomens, en heb ik ongevraagd van hem geleend. Wij motorrijders mogen dat, en vinden dat altijd goed, wij doen onder elkaar niet moeilijk over wat ronkende auteursrecht-dingetjes.

Een motor met kuip, is dat voor echte bikkels?

Vandaag publiceren we motorverhaal 4 van Bart Meijer (Facebook).  Bart geeft ons als gastblogger een kijkje in zijn jongere motor-jaren. Bart Meijer (LinkedIn) woont op een boerderij in Kroatië, heeft passie voor motoren, weet veel over vergeten groenten en luistert naar zijn hart.

“Na mijn ervaringen met de Kawasaki LTD 305 had ik het wel gezien met de snaar aandrijving, een ketting was mij te veel gespetter en gesmeer. Om eens de cardan te ervaren, probeerde ik een tijdje de Suzuki Katana GS650G. Misschien was deze motorfiets een poging om mijzelf te genezen van het idee?

Die motor zag er goed uit, apart en deed me wat denken aan mijn vroegere Honda CB550 four, met zijn dwars geplaatste 4 cilinder. Het genieten duurde maar even. Uiteindelijk was het toch mijn motor niet, er zat goed snelheid in maar de wegligging en het dwingen van het frame gaf me geen vertrouwen. Daarnaast was het ook een piep, krak, tuut motor die teveel storingen gaf door een kapotte kabelboom. Hij voelde onveilig, had een beroerde zithouding voor mijn inmiddels slechte rug en het was schrikken van dat spontane getoeter of opeens knipperende verlichting.  Ik had geen zin meer om er aan te sleutelen. Ondanks de cardan was dit niets voor mij, niet meer mijn stijl, toch te kaal en te koud voor deze bikkel, dus weg ermee.

Ik ging verder kijken, van kaal naar kuip. Nou reed indertijd mijn vader op een kale Honda CX 500, een 2 cilinder V motor met een leuk geluidje en een eigen karakter. Deze motor had ook cardan-aandrijving, die je alleen elk jaar eens wat moest smeren en de rest van het onderhoud was ook makkelijk. Na een klein rondje rond Zwijndrecht en Dordrecht was ik verkocht, maar dan niet aan dit model, er was er namelijk ook een model met een kuip. Dus ik ging op zoek naar een Honda Silverwing, en vond een GL500D Interstate, met acceleratie pomp. Ik was de koning te rijk, wat lekker rijden was dat! Geen nat kruis meer na wat regen en ik kon zelfs roken op de motor tijdens de rit. Het frame liet je ook weleens voelen alsof de achterkant licht kwispelde, niet zo prettig, maar voor de rest gleed het vooruit. Deze motor had karakter, was eigenwijs maar handelbaar, vergaf me mijn foutjes waardoor ik ook zijn foutjes voor lief nam. Er zat weer plezier onder mijn kont, zelfs de vriendin ging graag mee om te toeren en we hadden ruimte zat om van helmen en jassen af te komen voordat we in een mooi stadje of dorpje zonder
gesleep een verfrissing haalden. Wat een fijne, eigenwijze motor, een karakter wat bij mij paste.

Nou had mijn grote broer een stapje grotere Honda GL650 Silverwing gekocht een half jaartje later, want ja, het kon ook groter. Eerlijk gezegd, was ik een beetje jaloers, totdat we een keer samen een toer reden. Hij kon me niet bijhouden want ik had, jawel, een acceleratiepomp! Wat een grap bij stoplicht na stoplicht, ik was er telkens sneller vandoor en kreeg nog meer respect voor mijn eigenwijze motor. Meestal reed ik niet hard met mijn Silverwing, maar af en toe ging ik wel even goed op het gas, lekker. Heerlijk luisterend naar het mooie motortje onder me. Nee, ik had op mijn luxe bike geen radio nodig, hij maakte zelf muziek.

Dan zie je opeens een videoclip van Prince, Purple Rain waar hij op de zelfde motor rijd, dan voel je jezelf, de ‘prince te rijk’. En dan krijg je van iemand in de buurt een Reliant Robin, “Omdat je het zo koud hebt elke keer”? Ik zeg lief “Oh geweldig, dankjewel” en bedacht me wat ik in hemelsnaam met zo’n 3 wieler moest.

Even luisteren naar Purple Rain? Check:

Wil je alle verhalen van Bart Meijer op onze site lezen? Ga naar:
//ikzoekeenmotor.nl/tag/bart-meijer/