Prachtig weer. Ik stap vanuit mijn hypermoderne huis het terras op om mijn BMW even een hele goede morgen te wensen en te vragen of zij de nacht ook lekker is doorgekomen. Ze staat er nog! Wat is ze lief, hè?
(We kunnen weer verder in onze serie Coos op Reis)
En … mijn helm en doorwaai-handschoenen zijn er ook nog… Jeetje, DIE was ik gister gewoon vergeten van het trapje van de buren te halen. Ze hebben vannacht gewoon buiten gebivakkeerd. Das knap stom van mij. Ik vind hier echt niet vlot een nieuw potje met mijn XXL-hoofd. En handschoenen in maatje 13/14 zullen in dit kabouterland ook wat lastig zijn. Nog beter opletten dus. Potver, sufferd!
Alles ingepakt en opgebonden. Daar gaan we weer. Het wordt vandaag 30 graden. Joepie. Zonder aarzelen komt met donderend geraas mijn ijzeren vriendin tot leven. Bij een supermarktje, 300 meter van de uitgang van de camping, koop ik een sappie en een lekker bruin broodje. En ik laat daar gelijk wat hele oude kaas snijden. Het breekt in stukjes uiteen. Op een muurtje in de schaduw van een olijfboom peuzel ik dat op. En ik geniet van mijn vruchtensapje. Jôh, het is pas half tien, maar mijn dag kan nu al niet meer stuk. En gelukkig heb ik mijn helm en handschoenen ook nog…
Ik mik mijn afval in mijn koffer. We vinden straks wel een prullenbak. Vervolgens draai ik de weg op en zoek naar mijn route. De onderkant van de vangrail is hier bijna altijd open. Patatsnijders, noemen motorrijders de ijzeren paaltjes. Maar over de motor-onvriendelijke vangrail geniet ik van de zee, het lichtspel van de zon op het water en van de baby-eilandjes in de verte. Achgossie, ze zijn vannacht helemaal alleen in het pikdonkere water geweest.
Ik vervolg mijn weg door het binnenland. En ik zie stenen, stenen en nog eens stenen. Man, wat een stenen. Tien kilometer verderop pruttel ik een dorp binnen, ik draai een bocht door en rijd tegen een soort warenhuis aan. Verkopen ze daar sténen! Gekkenhuis.
Ik krijg tot drie keer een insect in mijn gezicht. Dat doet trouwens flink zeer. En hoe harder ik rijd, hoe meer zeer het doet. Weer eens iets anders dan verkeersdrempels. Bij zee heb je normaliter minder last van beessies.
Dit blijken zwarte torren te zijn. Met zo’n keihard schildje. Een soort vliegende schildpadden. Ik sluit mijn vizier en hoor steeds Tok-Tok-Tok op mijn helm. Ga iemand anders pesten.
Dichterbij zee is het gelukkig weer over.
Tja, en dan komen we bij het volgende dorp langs een carwash. En natuurlijk vraagt ze of ze in bad mag. Ze voelt zich vies en wil dolgraag gewassen worden. Mmmm… Ik kleed haar helemaal uit: alle pakken en zakken haal ik van haar rug en heupen. Ze kirt als ik allemaal sop over al haar rondingen doe en haar later lekker spons in al haar geheime gaatjes en kiertjes. Ik was haar koplamp en haar uitlaat en raus ruig over haar spaken en velgen. En dan pak ik warm en helder water….. nou, verder deel ik geen intimiteiten, hoor…. Maar ze glimt en ruikt weer heerlijk fris. En dat allemaal voor drie eurootjes.
In een prachtig stuk natuur nuttig ik mijn gezonde, lichte lunch. Fotooo!
Vroeg in de middag vind ik op de camping de allerlaatste beschikbare caravan. Dat valt mij erg mee, want half Duitsland heeft Pinkstervakantie en is hier aanwezig. De caravan staat vijftig meter van het strand. Whoeiii! Een half uur na aankomst zit ik met mijn E-reader op mijn stoeltje in het zonnetje aan het strand. Het is 28 graden en er staat een lekkere bries van zee.
TripAdvisor (toffe app!) brengt mij ‘s avonds naar het Nummer Twee restaurant in het oude gedeelte van Stobrec: Kasa Grill. Lekkere kipfilet met gegrilde groenten. Voor tien euro. En alles van de houtgrill. Super. Heerlijke dag, heerlijk gereden.
GEVAARLIJK INDUSTRIETERREIN
De route is vandaag lekker kort. Dat is weer eens iets anders.
Op precies 3,6 km van mijn eindbestemming rijd ik tegen een afsluiting in verband met wegwerkzaamheden aan. Normaal is dat geen probleem. Binnen de motorclub hanteren we in dit soort gevallen de ‘MC Zegveld Methode’: we volgen de weg totdat 100% bewezen is dat we echt niet verder kunnen. Meestal kunnen we er met de motor wel langs, er is altijd wel een gaatje. Bij deze wegopbreking staat echter een hoog hek, volledig over de breedte van de weg. Er is geen doorkomen aan.
In Linschoten is elke versperring een fluitje van een cent. Als de vuilnisman Het Jaagpad blokkeert, dan rijd ik eenvoudig een straatje om. Maar in zo’n omgeving als dit, ligt dat anders. Dit is geen woonbuurt. Links is afgesloten, dus ik ga overstag en kies voor rechts en rijd daarmee een of ander smerig industrieterrein op. Je weet het niet, hè. Je kiest in een onderdeel van een seconde. Foute keus. Dat had ik niet moeten doen…
Er ligt allerhande troep in de berm. Lege flessen, doorgeroeste ijzeren jerricans, natte kartonnen dozen, half gevulde en aangevreten vuilniszakken, vervuild kinderspeelgoed, vergane autobanden, stukken hout, afgebrokkeld gips en weet ik veel… In de dode takken van grote dorre sinistere bomen klapperen flinke lappen gevangen plastic en wappert papier in de wind. Het ziet er hier vreselijk naar en spookachtig uit. Waar ben ik in vredesnaam in terechtgekomen? Een dikke penetrante lucht van de vuilnisbelt van Split rolt over het vergiftigde veld zó mijn helm binnen. In de verte ontwaar ik de contouren van een grauwe, traag malende cement-fabriek.
De rijweg is hier totaal verrot gereden. Aan de wegkanten steken stukken geroest betonijzer vanuit het asfalt omhoog. Grote kiepauto’s, diepladers, vrachtwagens en ander verkeer jakkert met hoge snelheid over wegen die ze al jaren berijdt en verder naar de klotuh helpt. En ik? Ik zit daar plotseling en zonder enige waarschuwing ineens midden tussen en ben voor 200% bezig met overleven. Man, die auto’s zijn zo vreselijk groot! En die wielen! Pff… Ik ben op mijn motor nergens. Ik stel helemaal niks voor. Mijn kasteel is plots een minihuisje uit Madurodam.
Een tegemoetkomende vrachtauto neemt bij een wegversmalling in stofwolken nonchalant en hondsbrutaal voorrang. De lul kijkt vanuit zijn hooggeplaatste bestuurdersplek niet eens naar mij. Rechts gaat de betonweg, zonder vangrail, minstens vier meter naar beneden. Ik kan met moeite mijn motor tijdig stoppen en met mijn rechtervoet (!), half onder mijn motor, mijzelf in evenwicht houden. Doodstil in balans blijven, even niet ademen en vér vooruitkijken. Concentreren op een niet bestaand punt in de verte. De volle twee seconden in overgave en wachten totdat alle 18 wielen met veel kabaal en in een wolk rubberlucht voorbij gedenderd zijn. Het gaat. Het is letterlijk en figuurlijk op het randje. Ik haal opgelucht adem, kantel mijn motor naar links en geef gas, weg van die rand. Het was echt mijn tweede ‘bijna ongeluk’.
Dit is een bandeloos gebied zonder wetten en regels. Een terrein waar de grootse, lelijkste en goorste vrachtauto de baas is. Het stinkt naar verrotting. Een gebied van rondrijdende zombies en living dead in trucks, geladen met oude kadavers. En van waaruit bijna geen ontsnappen mogelijk lijkt. Hier moet ik heel snel weg, flitst er door mijn hoofd. Ik ben nog aan het shaken van de woeste aanval van die truck. Ik moet zelfs een beetje opletten om niet in paniek te raken.
Met een grote bocht probeer ik weer terug naar mijn route te gaan. Als ik mijn geprogrammeerde route kruis, dan blijkt die weg als viaduct dertig meter boven mijn weg te liggen. Daar heb ik niks aan.
Ik keer om, want ik sta aan alle kanten vast. Ik moet persé weer door dat nare oorlogsgebied. Er is geen andere mogelijkheid. Zonder kleerscheuren sta ik een half uur later weer bij dezelfde immens grote rotonde. Natuurlijk stuurt mijn Garmin mij weer hetzelfde gebied in. Als ik zelf niet ingrijp, dan doet dat navigatietuig dat nog 100 keer, hoor. Maar deze keer kies ik voor rechtuit en rijd toch maar de snelweg op. Ik zie de rokende schoorstenen in mijn spiegels verdwijnen.
De weg komt door vier tunnels en de eerste afslag is pas twintig kilometer verder. Daar is echter geen veilige plek om te stoppen om mijn situatie even in ogenschouw te nemen. Ik zie dat ik steeds verder wegrijd van mijn eindbestemming. Dat is niet de bedoeling.
Bij een uitritje van een weiland besluit ik om mijn eindbestemming vanuit het zuiden te benaderen. Ik programmeer een plaatsje in de bergen in mijn navigatietoestel om vervolgens dan maar vanuit die nieuwe richting naar de camping te rijden. Ik heb weer moed en vertrouwen. Ik heb wat water gedronken en tegen een boom geplast. Daar knap ik altijd wel van op….
Onderweg zie ik trouwens dat het een volledig werkende fabriek is die een complete berg aan het opeten is. De berg is al half verdwenen. Gatver, wat kan de wereld soms ook naar zijn. Ik kom verdorie net uit het paradijs.
Maar het lukt allemaal. Ik worstel en kom boven. Al met al ben ik ruim een uur aan het vechten en zwoegen geweest. Mwah, het was best lekker spannend.
Ik heb nog even tijd om lekker in de zon te zitten. Morgen met de bus naar Split. Lekker relaxed. De bus stopt tegenover de camping. Maar das geen geluk, dat had ik afgelopen winter al uitgevogeld.
Héééé, spannend verhaal, hè? Whoeeiii!
Tip van de redactie:
Ben je thuis, met koud weer bij de kachel, of lig je net als Coos lekker ergens aan het water? Je kunt heel gemakkelijk alle verhalen van “Coos op Reis” op deze site lezen, via de rubrieken. Of ga meteen naar:
-> //ikzoekeenmotor.nl/category/coos-op-reis/








































