Het is 20 april. (We publiceren hier het 52e verhaal in onze serie Coos op Reis. Coos reist drie maanden door Zuid-Europa, schreef bijna dagelijks een verslag, en wij pubiceren ze wat trager hier)
Ik word wakker op Campeggio Villa Doria in Genua, Italië. De wekker loopt af. Verrek, het blijft pikkedonker als ik mijn ogen open. Ik ben dood, denk ik. Maar dan zou ik de wekker niet horen. Pisnijdige Italiaanse automobilisten hebben mij levend begraven. Samen met mijn piepwekkertje. Omdat zij nu nog steeds in de file aan de Cote d’Azur staan en ik ze gisteren met mijn ronkende kasteel allemaal heb ingehaald.
Ach welnee jôh, de luiken van het slaapkamerraam zijn buiten nog gesloten… Ik begrijp dat wel, want het uitzicht is niet heel erg boeiend. Ze waren mij gisteravond trouwens helemaal niet opgevallen. D’r uit, met je luie reet!
Deur open en …. prachtig weer! Strakblauw! Ontbijt op de camping bij een aardige jongedame die wel vijf of zes talen spreekt en nu ff Duits studeert. Croissants en koffie. Wat een luxe. We hebben een leuk gesprek samen over het goede leven in Italië en in Nederland.
Ik kijk vanaf het terras geamuseerd toe hoe twee corpulente heren plus drie ongeïnteresseerde stevige dames een gehuurde Spaanse Ford Fiesta (!) volladen. Ze moeten drie keer opnieuw beginnen om het passend te krijgen. Ik moet even aan mijn eigen bagage denken…
Ik verbaas mij over de enorme hoeveelheid flessen limonade die ze meenemen. Ik maakte eerder al even een praatje met de grootste dikkerd. Het gezelschap komt uit Argentinië en gaat nu naar Valencia. Heeeele prettige reis! roep ik ze nog na… Teringjantje. Ik ging voor geen goud mee. En dan moest ik onderweg vast al die grote flessen vieze limonade opdrinken… Jakkes.
De campingmevrouw beweert dat Genua een prachtige oude stad is met een rijk verleden. En dat het een hele grote haven heeft. Nou, dat zullen we dan wel eens zien. Ik koop op de camping voor € 4,50 een heen-en-weertje. Dat is 24 uur geldig en daarmee kan ik van al het openbaar vervoer in de omgeving gebruikmaken, inclusief een lift die mij boven de stad tilt. De Genuanen weten precies hoe ze de toeristen met hun auto’s uít de stad houden…
Ik wandel vanaf de camping een kilometertje naar beneden en pak de trein naar Genua. Die gaat elk kwartier. In twintig minuten sta ik in het centrum van Genua: station Genova Sestri Ponente. Perfect.
Het is hier 29°. Ik loop in een mouwloos shirt, korte broek en keurig geknipte blote tenen in sandalen. Lekker luchtig. Nu kan het nog. Morgen moet ik mijn motorpak weer aan.
Mensen kijken mij maar raar aan. Dat zijn ze hier allemaal niet gewend. De Italianen lopen hier met een lange broek en sommigen dragen zelfs een warme jas. Maar goed, ik denk dat die Italianen niet op vakantie zijn. Wellicht is dat het. Hoop ik dan maar.
Via Le Strade Nuove loop ik langs gebouwen die op de Unescolijst staan. Ik stap gewoon doelbewust overal naar binnen en als ik er niet in mag, dan houden ze mij wel tegen, stel ik mij zo voor. Ik kom zo overal.
In de kerk dus niet! Daar houden ze mij tegen. Omdat ik geen mouwen aan mijn shirt heb. Klopt, het is buiten ondertussen 31 graden en ík hoef niet te werken en ook niet persé een warme jas aan en ik ben toevallig wel op vakantie. Ik begrijp trouwens die hele kerkelijke redenering ook niet. Jezus heeft naakt aan het kruis gehangen, maar mijn blote schouders mogen ze in de kerk niet zien.
Maar … men heeft een praktische oplossing bedacht. Ik krijg een gouden gewaad om mijn schouders in de dezelfde kleur als het plafond. Haha! Klaarblijkelijk mag ik er als prins carnaval wel in. Mij best. Zou … uh… d’r een foto van zijn..? Nou?
Ik loop trouwens ook nog tegen Het Laatste Avondmaal aan. Uit 1618! Heel bijzonder.
Met een lift kan ik via mijn openbaar vervoerkaartje naar het hoogste punt van Genua, lees ik ergens. Aldaar heb ik een fenomenaal uitzicht, belooft men mij. Ik kijk verder nergens naar en loop met behulp van Google Maps naar de lift. Ik klim een trap op, nog een trap op, nog eentje en nog eentje. Pfff.. Niet normaal. Afijn, sta ik helemaal boven, bij de lift dus. Handige Harry. Heb ik de lift maar naar beneden genomen. Kon ik toch nog mijn vervoerkaartje gebruiken.
De deuren van de lift gaan open en ik kom beneden uit in een hele andere wijk. Ik loop via het oude centrum terug naar mijn route en dan word ik plots aangesproken door een feestelijk uitgedoste mevrouw. Haar rokje en truitje zijn allebei erg kort en haar truitje goed gevuld. Wat was het kamernummer op dat label van een poosje terug, nou ook al weer?
Ze zegt in het Duits dat ik hele mooie benen heb en dat ik daarom vast een Duitser ben. Dat zijn twee leugens in één zin, dat zou je bij mijn motormaat Henk eens moeten proberen, zeg ik haar. Want die gelooft nooit iets.
Verderop zie ik nog meer uitdagende dames staan. Of ik met haar mee ga, vraagt ze. Nee joh, het is veel te warm hoor, roep ik en vlucht snel bij deze half ontblote verleiding vandaan.
Ik dwaal door hele smalle straatjes. Als ik mijn armen spreid, dan kan ik gemakkelijk allebei de muren raken. Maar het zegt wellicht ook iets over de spanwijdte van mijn armen.
Ik wandel weer verder en ik kom door de vrolijkste straatjes van mijn reis. Quanto è bella la vita, roep ik. Wat is het leven mooi. Elke dag weer.
In de buurt van een groentemarkt vind ik bij een gezellig restaurant een rustig terrasje. Ik bestel een lauwwarme pasta als lunch. Ik zit heerlijk in de schaduw op een heel koel pleintje waar een zalig briesje waait. Ik zit er zowaar een uurtje in mijn e-reader te lezen. Mijn boek is spannend want Jack Reacher is weer iets aan het slopen…
Plotseling sta ik voor het huis van Columbus. Niet één of andere Tinus de Zoveelste. Nee, Columbus, himself! Super om daar te zijn. Het huis blijkt een 18de-eeuwse reconstructie van het orsinele huis van Christoffel Columbus te zijn. Hij woonde hier rond 1460. Een poossie terug.
Ik slenter verder door de havens. Het is prachtig. De campingmevrouw had gelijk. Genua is zeer de moeite waard.
In de haven kijk ik naar een boot die op het punt van vertrekken staat. Whale Watching, staat er met grote letters op. Het kost drie euro heen en drie euro terug. Waarheen dan? Nou, naar Perli, precies naar het plaatsje waar ik weer moet zijn en waar mijn camping is. Wat een geluk, hè.
Weet je wat? Ik doe het. Lekker met de koele boot in plaats van met de warme trein. Ik laat mijn 24-uurskaartje nog even zien, maar dat zit er helaas niet in. Stelletje krenten…. Haha.
Géén walvis gezien natuurlijk, tja, wat wil je voor drie euro? Zal ik mijn geld terugvragen? Wel lekker om op zee 40 minuten lang geen last van die kutbomen en de pollen te hebben. Ik heb gelijk weer lucht. Dan is het leven nog mooier.
Ik stap aan de haven uit, slechts op korte afstand van de camping. Goed gepland.
‘s Avonds eet ik op een terrasje aan zee. Ik zie het zachtjes donker worden terwijl ik een mooie droge witte Italiaanse wijn drink en Trofie al pesto Genovese eet: een typisch Ligurisch gerecht van hier, heb ik zonet geleerd.
Ruim 17 kilometer en 43 verdiepingen van mijn sandalen afgesleten. Op blote voeten d’r in. Ik heb wel wat hete voetzolen. Yeah…
Morgen reis ik weer verder. Via Viareggio (Altijd Viareggio; heb je het boek van Rick Nieman gelezen?) en Pisa naar Livorno.
Ik probeer morgen waarschijnlijk wel een beetje de kust te vermijden. Dat schiet wellicht wat meer op.
WIJ DUITSERS BEGRIJPEN ELKAAR
Aan het einde van de avond heb ik in het restaurant nog even een gesprek met een echte Duitser.
We zijn samen van mening dat die spaghettivreters hier maar hele kleine kuttafeltjes hebben. Koelere. Wij passen er nooit onder.
Woefff…!







































We publiceren verhaal 49 in onze serie Coos Op Reis. Coos van der Spek reist drie maanden door Zuid-Europa en neemt ons mee hier op de website. 


























