Tag archieven: motorvakantie

Coos op Reis: bij Mostar is de politie je beste kameraad

DE BALKAN – BIJ MOSTAR IS DE POLITIE JE BESTE KAMERAAD

Op woensdag 12 juni (de datum dat ik dit schrijf) is het lammetje terug. Vanmorgen om 05:00 uur zat ik op de wc. Hatseflats… Maar het is gelukkig wel mooi weer vandaag…

Ideaal weer voor het vervolg van mijn verhalen in onze serie “Coos op Reis”.

Waarom schrijf ik eigenlijk zo vaak de datum op mijn reisverslag?, vraag ik mij af. Reisverslagen zijn immers tijdloos, die kun je altijd lezen. Nou, ik weet het eigenlijk niet. Wellicht voor als ik mijn verhalen eens bundel voor een boek. Dat denk ik. Ik blijf het gewoon doen.

Mijn wasje van gisteravond hangt in het zonnetje en is inmiddels lekker droog. Ik leer ut wel.

Ik start Rever voor de tracking en Flitsmeister voor de snelheidscontroles. Flitsmeister heeft mij al een paar keer gered. De plaatjes van Rever gebruik ik voor mijn verslaglegging. En als dat niet lukt, dan haal ik ze uit Basecamp.

Om 09:30 uur betaal ik de rekening, laad mijn route en ga op weg. Op jacht naar een ontbijtje. Dat lukt snel.

Na vijf kilometer rijd ik Dubrovnik al weer uit. Mijn spiegels tonen een prachtig uitzicht over de stad. Er vaart net weer een enorme boot binnen. Vast met van die lawaaiige Japanners…

Na 25 km ben ik uit de verkeershectiek en rijd een prachtig gebied in met veel cipressen. Het lijkt hier op Toscane.

Gelijk fotografeer ik een rode roos. Voor Janny. Zij is morgen jarig. Ik heb, vóór mijn vertrek, stiekem een kadootje ergens in ons huis verstopt. En daar ga ik haar morgen mee verrassen. Nou, is dat leuk of is dat leuk? Regeren is vooruitzien. Gelukkig heeft Janny geen Facebook. Anders zou ze het nu al weten…

MONTENEGRO

Bij de grenscontrole babbel ik met een Italiaans stel op twee Yamaha’s. Zij wonen in de buurt van het Como-meer en zijn nu onderweg naar Albanië. Daar varen zij over naar Italië en rijden weer terug naar huis. Das iets anders dan een rondje Veluwe.. Ze zijn … uh … zomers én vol vertrouwen gekleed…

De grenscontroles zijn kut-met-peren. Het duurt véél te lang allemaal. Als motorrijder sta je stil in de brandende zon. Het is ruim over de 30 graden. Het is echt géén doen.  En je bent twee keer aan de beurt: bij het verlaten van een land én bij het binnenkomen. Daar zit slechts een paar honderd meter tussen. Geen spoortje klantvriendelijkheid. Hoe bedoel je, even twee extra loketjes open omdat het zo druk is? Waarom?

Bij het ingaan van Montenegro moet ik zelfs de verzekeringspapieren van de motor laten zien. Alsof ik een motorfiets van over de 30K niet zou verzekeren. Hij controleert mijn kenteken ook niet, dus het kan ook zo maar een papiertje van iemand anders zijn. Wat een flauwekul, wat een paarse krokodil. En de grenspolitieman, met pistool en al, zit alles over te typen. Typen, typen, typen… Gewoon werkverschaffing. En te snauwen, te grauwen en te grommen. Ik zie door het luikje alléén een hand. Het gezicht van de grenspolitieman is afgeschermd. Ik vind het een beangstigende ervaring.  Mijn gevoel komt in opstand. Wat een lomperik, wat een ontevreden stuk onbenul. Óók
over de muur flikkeren, net als die Japanners in het vorige verslag.

Er staan twee rijen auto’s. In een ander hokje zie ik vier forse, volgevreten agenten verveeld onderuitgezakt op hun smartphone kijken. Die doen niks. Luie donders. Maar ja, het is ook klotuh-werk. Zo’n ambtenaar zit in een hokkie dat kleiner is dan mijn poepdoos thuis. De hele dag die stomme papieren te checken. Tot aan zijn pensioen. Pfff… OK, ik begrijp het misschien wel. Ik ga hier lekker vakantie vieren. Dág, stomme grenspost!

Om 12:00 uur heb ik nog maar 60 km gereden. En erg lang in de brandende zon staan wachten. Dat schiet lekker op. Maar …. ik ben in Montenegro. En dat wilde ik graag. Das gelukt. Het asfalt is slecht. Het is op en volledig kaal gereden. Rustig aan hier.

In Montenegro betaal ik met euro’s. Een grote en sterke koffie met een groot glas water kost een euro. En dat is een vriendenprijs. Dat water giet ik trouwens over de planten. En verder ziet alles er hier zo’n beetje hetzelfde uit als Kroatië. Eigenlijk best wel jammer. Tot aan de veerboot…

Ik ben de laatste passagier en kan er nog net op. Ik ben ook niet zo groot en mijn kasteel helemaal niet. Achter mij gaat ratelend de ophaalbrug omhoog. Ik moet er om grinniken. Een overtocht kost overigens twee euro.

Direct na de veerboot kom ik in een hele nieuwe wereld. Ik ben verrukt en sta vol enthousiasme op mijn steppies. Ook omdat ik een houten reet heb van het zitten, hoor. Ik rijd hier over een stokoude en smalle weg, heel laag langs het water van een baai met de naam Boka Kotorska, de baai van Kotor. Stenen muurtjes begrenzen de weg. Niks vangrail. Het is een soort Gardameer met héle steile bergen. En gelukkig niet zo druk. Het is fantastisch, waanzinnig! Het is de atmosfeer hier. Er is iets, het zindert, het vibreert. Het is heel apart. Ik zit te lekken op mijn motor.

Of komt dat door de temperatuur? Het is hier ongewoon rustig en niet zo absurd massaal. En toch voldoende terrasjes, mooie plekkies om te zonnen etc.

Wow, wat een tof land!

In een supermarkt scoor ik mijn lunch. Ze spreekt geen woord Engels, maar we komen er samen uit. Na afloop lacht ze haar fietsenrekkie bloot….

Ik gluur nog even naar een enorm cruiseschip en vind kort na Kotor een lekker lunchplekkie: een bankje aan het meer en in de schaduw. Het is een verstilde omgeving en ook hier is het extreem rustig. Ik koop hier een huis, ga hier wonen en nooit meer weg. Bijzonder, hè? Dat ik nou ineens zo’n gevoel kan hebben. Gewoon verliefd op een land. Dat enorm heldere water. Ik ben hier zó gelukkig. Of komt het omdat naast mij twee dames zitten die topless aan het zonnen zijn? Dat helpt natuurlijk wel. Maar mijn bolletjes zijn bruiner. En daar zit lekkere kaas op. Heb ik een foto? Tuurlijk! Snel kijken…. Jôh, sla de rest van dit zeikverhaal over en scroll snel naar die foto aan het einde! Schiet op! Whoehaaa!

Ik klim en kijk vanaf 600 meter naar de zee beneden. Ik rijd op een uiterst steile en slechte weg. Hier staan geen borden waarop staat dat je moet opletten voor vallende stenen. De stenen vallen hier en liggen er gewoon. Midden op de weg. En er zijn ook geen waarschuwingsborden voor overstekende koeien. Ze staan gewoon midden op de weg. En ook schapen en geiten. Heel normaal. Ik raak bijna met 50 km per uur zo’n bok. Het gaat net goed. Pokkebok…

Het is inspannend. Het water loopt van mij af. Als ik weer de N4 opdraai en de snelheid kan opvoeren, voel ik de koele wind door mijn ventilatie gieren. Heerlijk. Gas, gas!

Er steekt een schildpad over. Zó leuk. We hadden er vroeger eentje thuis. Ik stop, pak hem op en breng hem naar de overkant. Hij wurmt met al z’n beentjes. Ik lach even naar ‘m en zet ‘m in het gras. Hij gaat er als een haas vandoor. Echt dankbaar is hij niet, volgens mij.

BOSNIË-HERZEGOVINA

Bij Vraćenovići verlaat ik Montenegro weer en rijd de republiek Bosnië-Herzegovina in. De paspoortcontrole stelt weinig voor. Kort erna ga ik van de M20 af en draai de binnenlanden in. Bosnië is erg groen en erg verlaten. De natuur is prachtig. En toch domineert de natuur niet. Er is iets anders. Er zijn heel veel lege en vervallen huizen. Die maken op mij een droevige indruk. Het is hier treurig. Met slechte wegen. De armoede gonst over de velden. Er is niemand, beetje spookachtig. Het ziet er naar uit dat hier weinig werk is. Mensen trekken weg naar de stad of verlaten het land. Kortom, een prachtige en groene natuur,  maar voor mij niet zo’n inspirerende vakantie-omgeving.

Het is 17:45 uur en ik heb onderweg nog geen restaurant of slaapplaats gezien. Niets. Het is lastig zoeken op mijn telefoon. Ik heb onderweg geen internet. Dat komt omdat Bosnië niet in de EU zit en de Telco’s geen roamingcontracten met Bosnië hebben.

Rond 19:00 uur dender ik Mostar in. Ik ben er! Wow! Mostar stond al zoveel jaar op nummer één van mijn wish-list. Ik vervul mijn eigen wens. De mooiste cadeau’s geef je immers aan jezelf.

Ik parkeer in Mostar mijn motor op de stoep.

Waarschijnlijk staakt hier de vuilophaaldienst al een paar dagen. Tenminste, dat hoop ik dan maar… Er lopen wat gassies met opgeschoren koppies om mij heen, de één roept wat en een tweede schopt tegen een blikje. Ik steek vriendelijk mijn hand op en blijf grijnzend op mijn kasteel zitten. Ik tuur op mijn Garmin en hou de omgeving vanuit mijn ooghoeken en de spiegels in de gaten. Soms komt het gevaar van achteren, weet je nog?

Via de Points of Interest op mijn Garmin vind ik uiteindelijk een hotel. De receptionist is vriendelijk en aan het hotel mankeert niks, maar toch voelt de buurt hier niet goed. Ik vraag hem of ik mijn motor voor de deur van het hotel kan parkeren. Hij antwoordt dat het kan, maar dat hij het niet zou doen. Het zou ‘m verbazen als de motor er ‘s morgens nog zou staan…. Nou, lekker dan.

Met zijn toestemming rijd ik de motor een bevoorradingshelling op, manoeuvreer ik haar met veel moeite het hoekie van het gebouw om en parkeer de motor uit het zicht, een paar meter boven de grond. Ik controleer alle sloten drie keer, check het alarm twee keer, doe een schietgebedje en laat haar in het donker alleen. Ik besluit gelijk dat ik vannacht ga nadenken wat ik morgen ga doen.

Maar … het is hier beregoedkoop. Absoluut. Mijn kingsizekamer kost slechts 25 euro. Kom er elders maar eens om.

Ik mik mijn bagage in mijn kamer, stap onder de douche en wandel Mostar in. Deze stokoude stad werd al in de 13e eeuw gesticht. Het was in de middeleeuwen een belangrijke handelsstad en nog immer een smeltkroes van culturen.

Ik ben vreselijk nieuwsgierig naar de brug Stari Most. De brug houdt al sinds mensenheugenis de Moslims en de niet-moslims in Mostar gescheiden. Terwijl de brug nou juist moest verbinden. Ik zag in 1993 de jourmaalbeelden van de verwoesting van de oorspronkelijke brug. Die stamde uit 1566. Het is tot op de dag van vandaag niet bekend wie de brug heeft vernietigd. Je kunt de beelden van de vernietiging op JoeTjoep vinden. Het is nog steeds naar om te zien.

En dan …. sta ik op de brug. OP DE BRUG VAN MOSTAR!  En dát doet mij wat. Het is een soort eindbestemming van deze trip die ik bereik. Het verste punt. Een doel behaald. Een mijlpaal. Voor mij heel bijzonder.

Ik wandel verder, want stiekem is de Stari Most niet de oudste brug van de stad. De oudste brug ligt een paar minuten lopen verderop: Kriva Cuprija.

Ik wandel terug naar The Old Town. Als je goed kijkt, dan zie je overal sporen van de oorlog van 30 jaar geleden. Je kunt in deze omgeving als toerist niet om de oorlog heen. Een eigenlijk wíl ik dat ook niet. Ik kijk altijd naar de toekomst, maar het verleden mag niet vergeten worden. En dat verleden is hier duidelijk aanwezig. In de verte zie ik de Koski-Mehmed Pasha’s Moskee met haar minaret. Ik ben niet zo van de minaretten. Dat gejengel op die rare tijdstippen. Ik ben helemaal niet zo op geloofsuitingen, geloof ik. Ik geloof het allemaal wel… Haha.

Het is laat en ik ga eerst iets eten. Ik zorg ervoor om ergens op een terras te gaan zitten waar ik bier op tafel zie staan. Niet alle restaurants verkopen alcoholische dranken. En ik heb nu echt een groot glas bier verdiend. Of ze dat hier nou geloven of niet….

DE POLITIE IS JE BESTE KAMERAAD

Kort nadat ik Bosnië met mijn motorfiets ronkend binnendaver, stapt een forse agent vanaf de graskant de rijweg op en steekt tegelijk zijn spiegel-ei omhoog. Ik schrik er eigenlijk een beetje van en twijfel of ik niet een enorme poep gas moet geven. Iedereen kent immers de verhalen van nep-agenten in schurkenlanden met roverhoofdmannen zoals Radovan Karadzic. En als er iemand er als een-toerist-met-heel-veel-bagage uitziet, dan ben ik het wel. Ik neem binnen een seconde een besluit. Ik manoeuvreer de zware motor aan de kant en hou de agent vóór mij en in het zicht. Soms komt gevaar van voren. Ik zet de motor nog niet af. De agent lijkt echter wel veel op een heuse bromsnor. Hij is te gemoedelijk voor een boef. De agent wilt mijn paspoort zien. Nou had ik dat gelukkig vandaag al een paar keer nodig, dus ik hoef niet lang te zoeken. Bromsnor legt het document direct in zijn auto. Kijk, en dat doet in Nederland nou geen enkele agent, hè! Ik vind het bedreigend. Zonder kaal hoofd zouden mijn haren overeind gaan staan. Potverdorie. Het kost mij moeite om vriendelijk te blijven.

De agent spreekt niet één woord Engels, Duits of Frans. En Nederlands natuurlijk ook niet.

Met handen voeten gebaart hij dat de radarcontrole geconstateerd heeft dat ik te hard reed. Ik kan het mij nauwelijks voorstellen. Das niks voor mij. De agent kan mij nog niet exact vertellen hoeveel ik te hard heb gereden. Wat een onzin. Nou, het kan nooit veel zijn, probeer ik, meesmuilend.

Hij mag geen contant geld aannemen, geeft hij aan. Via Google Translate (tip van Coos!) vertelt hij dat ik met de bekeuring naar het dorp verderop moet en aldaar een bankoverschrijving moet laten uitvoeren. Ik vraag hem het adres. Maar dat weet hij niet. Dan vraag ik hem om mij uit te leggen waar het precies is. Het is ‘een disaster’, zegt hij plots, en schudt moedeloos zijn hoofd. Zelfs de inwoners kunnen die bank niet vinden, typt hij in zijn telefoon. Whoehaaa, zooo grappig!

We kijken een beetje meewarig naar elkaar en trekken onze schouders op. Mijn Rotterdamse oplossing is heel eenvoudig: laat me gewoon door. Hij kijkt mij met bruine ogen van zo’n trouwe labrador aan, aarzelt, twijfelt, kijkt om zich heen en typt op zijn telefoon ‘I never stopped you!’.

Natuurlijk niet, vriend! Ik heb je nóóóit gezien.

Ik geef ze de twee blikjes cola die ik zonet kocht om mijn iPhone te koelen, geef hem een hand, krijg mijn paspoort terug en zwaai gedag.

De politie bij Mostar? Die is je beste kameraad!

Owja, nog even de bruine bolletjes laten zien. Die had ik beloofd…

O ja, nog even de tip van de redactie:

Wil jij meer verhalen lezen van Coos? Ga naar:
//ikzoekeenmotor.nl/category/coos-op-reis/

Coos op Reis: Dubrovnik en De Man

DE BALKAN – DUBROVNIK en DE MAN

We gaan verder in onze serie Coos op Reis.

Het is schitterend weer vandaag. Tuurlijk. Het is om 07:00 uur al 26 graden.

Daar heb ik vannacht weinig van gemerkt met de airconditioning in de slaapkamer.

Het lammetje is weer voorbij. Das nu weer vaste stof. Deze informatie is alleen voor de oprecht geïnteresseerden natuurlijk. Bedankt voor alle belangstelling (not).


Ik ben nog maar tien minuten onderweg en de afsluiter van mijn verslag van vandaag zit al in mijn hoofd… Dat is wel lekker.

DUBROVNIK

Monter stap ik even voor tienen de bus uit en loop direct tegen een restaurant aan met een bord waar op staat English Breakfast. Daar hou ik van, dus ik stap het terras op. Het echtpaar naast mij zit al aan een fles rosé. Hatsekidee. Ik denk gelijk weer aan die fles rosé van een paar dagen terug: Kutjevo. Sommige dingen vergeet je nooit.

Voor slechts 200 Kuna mag ik én de stadsmuren én het kasteel bezoeken. Ik wandel boven de stad op de stadsmuren en dat is erg leuk. Het is een traject van twee kilometer en de uitzichten zijn schitterend. Deze muren werden al in de 12e eeuw gebouwd. Het zijn indrukwekkende verdedigingswerken.

Het is ondertussen bijna dertig graden. De zon fikt. En van mijn Alle-Duitsers-Zijn-Na-Pinksteren-Naar-Huis-Theorie klopt helaas ook geen ene reet.

Het is zó vreselijk druk, hier. Wat een mierenhoop.

Op de stadsmuur is eenrichtingsverkeer ingesteld en ik zie daar zelfs filevorming. Met gekmakende kwebbelende en alleen maar selfies-makende Japanners. Die overigens altijd in grote groepen ronddrentelen en veelal hinderlijk in de weg staan.

Ik maakte deze reis vóór het beruchte Corona tijdperk. Maar ik zie hier nu al Japanners met een mondkapje lopen. Jéétje. Die dragen ze sinds de aanval met Sarin in 1995. Je weet het immers maar nooit… En dan toch een selfie maken. Er loopt een Japanner naast mij met een neusuitsparing in het kapje. Jaaa, hallo, wat heeft zo’n kapje dan voor zin?

Japanners kunnen slecht tegen de warmte. Iedereen puft en loopt met waaiers. Zelfs eentje met een ventilator op batterijen. Nou, ga morgen maar ff mee op de motor, hoor. Maar nou opzij. Zal ik er eentje van de muur afschoppen? Wat denk jij? Zij zijn immers óók fout geweest in de oorlog. En dan gelijk een Duitser erbij doen? Haha.

Ik heb, geloof ik, weer wat nieuws gevonden om over te zeiken. Deze keer een belangrijk onderwerp!

Ik bekijk filmbeelden van de beschieting door het Joegoslavische leger van de stad in 1991. Marineschepen nemen de stad vanaf zee met daverende klappen onder vuur. Jachtvliegtuigen in de lucht. Ik herken plaatsen waar de zware granaten inslaan. Ik liep daar zonet. Het is dramatisch. Gewonden, huilende en dode mensen. Vernietigde gebouwen, bijna allemaal cultureel erfgoed.

Auto’s en boten in brand. En plotseling is ‘die oorlog van toen’ weer zó dichtbij. In de film loopt een vrouw in een witte jurk met een grote herdershond langs het haventje, waar ik net koffie dronk, als het schieten begint. In blinde paniek rent ze links en rechts zigzaggend over de weg, haar hond met zich meetrekkend. Als ze een schuilplaats vindt, trekt ze, met enorme schrikogen, de grote hond naar zich toe. Die denkt dat het een spelletje is en springt kwispelend tegen haar op. De tranen springen….. Sterk spul, dat Fisherman’s Friend…

Ik wandel weer verder over de verschroeiend hete muren. De stenen moeten wel 50 graden zijn. Op een terras zit een man in de schaduw een ansichtkaart naar huis te schrijven. Het bestaat echt nog.

Het is 13:45 uur en ik heb al anderhalf liter water op. Burn baby, burn! Tijd voor de lunch in de schaduw.

In Dubrovnik mag ik de kerk in met blote schouders en een kort hardloopbroekje. Ik snap dat wel. Ze hebben natuurlijk mijn Facebookpagina van een paar dagen terug gelezen.

Na mijn bestorming van de muren wandel ik door Stradun, de hoofdstraat van het stokoude Dubrovnik, bekijk de klokkentoren, het paleis van Rectar en de hele bliksemseboel. Ook in Dubrovnik zijn opnames gemaakt van de fantastische serie The Game of Thrones.

Proppers overtuigen mij dat ik voor tien euro 45 minuten met hun glasboot mee moet om bij een ander eiland te gluren. De boot vertrekt over vijf minuten. Ik doe het. Lekker uitwaaien op het water.

Iedereen heeft ergens op de wereld een dubbelganger. Henk van Rookhuijzen ook. De kapitein van de boot is mijn motormaat Henk. Henk woont normaal in Gouda. Maar vandaag dus ook in Dubrovnik.

Het is net Henk hè?

Werkelijk, zij lijken als twee druppels water. Alleen als Henk hier is, scheert hij zich fatsoenlijk. Dat ziet er wel beter uit. In Gouda loopt hij er wat vaker als Landru bij. En eerlijk is eerlijk, Henk kan lekker varen. Hij doet het goed. Hij doet trouwens net alsof hij mij niet herkent. Snap ik wel. Hij zal hier wel zwart werken. Die verzekeringslui zijn niet altijd betrouwbaar.

Henk van Rookhuijzen zelf.

Henk lult ook plots mooi Kroatisch. Goed gedaan, jochie. Motorclub: geen paniek, ik neem Henk zondag gelijk mee naar Oostenrijk.

Maar wacht vrijdagmorgen niet op hem in De Meern. Hij moet hier nog zijn kapiteinswerk afmaken.

Mwah. Ik heb 12 km gewandeld. Op mijn sandalen. Beter blaren dan hete poten, dacht ik vanmorgen. Ik heb maar drie dingen aan. Het is er heet zat voor. Er zijn hier nog mensen die een lange broek dragen. Maar ja, ik heb mooie benen… Dat dan weer wel.

Rond zessen ben ik weer terug op mijn strandje en geniet ik van het zonnetje, een koel biertje en de meer dan geweldige loungemuziek uit de paddo’s in de tuin. Wat een zaligheid, wat een heerlijke plek. Weet je wat? Ik neem nóg een biertje! Proost!

DE MAN

Onderaan de straat stap ik weer in de bus. Die ruikt naar warme mensen. Bus 6 brengt mij voor 15 Kuna naar The Old City. Ik rijd in de bus achteruit. De andere stoelen zijn bezet. Achteruitrijden is uiterst onnatuurlijk voor mij. Verder heb ik er altijd een hekel aan als ik niet weet wat er achter mij gebeurt. Op de motor komt het gevaar van voren. In de bus komt het vanachter. Dat is een wetmatigheid die ik net zit te verzinnen. Zoals zoveel trouwens…

De bus stopt bij de volgende halte en een zwerm toeristen bestormt het voertuig.

Ik ben fris gedouched en draag een luchtig shirt zonder mouwen. Plotseling krast een scherp voorwerp langs mijn arm. Net zei ik het nog. Als het komt, dan komt het vanachter. Een … uh …. wat forse man heeft een tas op zijn rug hangen. De wat erg forse buik van voren en zijn rugtas van achteren maakt het gangpad wel heel smal. Hij schraapt de gesp noges over mijn arm, draait zich om en duwt nu zijn dikke buik tegen mijn arm. Hij ademt zwaar en lange haren krullen uit zijn neus. Mijn voorkeur gaat uit naar de scherpe gesp…

De lege stoel naast de mijne is een stuk hoger geplaatst. Wellicht zit het wiel van de bus daar onder. Geen idee. Ik zie de dikkerd twee keer likkebaardend naar de lege stoel kijken. Ik doe snel een schietgebedje. Het helpt niet.

En ja hoor. Hij waagt het om in de schuddende en rijdende bus verlekkerd te kijken, half over mij heen te kruipen en moedig op weg te gaan naar de lege stoel naast de mijne. Zonder een enkele gène.

Het past niet, denk ik. Het past niet, het past nooit…

Geen idee hoelang het voor jou is geleden dat je in een bus zat, maar er is daar net zoveel ruimte als in het kleedhokje van een oud sportfondsenbad van twee eeuwen terug. De lomperd heeft niet eerst zijn rugtas afgedaan en zit nu, met de rugtas op, als een enorme reus klem in een te klein toilet. Hij kan geen kant op.

Vervolgens begint hij omstandig de rugtas af te doen. Ik deins achteruit om een elleboogstoot te voorkomen. Zwetend en puffend verricht hij zijn missie. Hij doet zijn machtige blote benen wijd en zet daar zijn tas tussen. De man puilt aan alle kanten over zijn stoel… Daarna schreeuwt hij iets in het Kroatisch naar zijn vrouw, die achter in de bus staat. Je leest het goed: zij staat… De man is inmiddels geïnstalleerd en het hoogteverschil tussen zijn stoel en de mijne brengt mijn neus naast zijn linker oksel zit. De man gebruikt géén deodorant, constateer ik.

Ik spurt de bus uit als de chauffeur omroept dat dit de halte voor de oude stad is. Wat een vreselijke onbeschofte hork. Een varken. Nee, laat die Jappen maar rustig stiefelen, ik flikker die hork wel van de muur. Whoehaa!

Heb ik een foto? Hèhè … Ik wist immers al héél snel waar mijn verhaal vandaag over zou gaan…

Tip van de redactie:

Wil jij meer verhalen lezen van Coos?
Ga naar:
//ikzoekeenmotor.nl/category/coos-op-reis/

Coos op Reis: het spel met de kawasaki’s

DE BALKAN – HET SPEL MET DE KAWASAKI’S

Op het moment dat ik dit schrijf voor de serie “Coos op Reis” is het maandag 10 juni ennuh … saai om te vertellen, maar het is wéér prachtig weer. Sorry.

Ik heb gisteravond mijn klamme strandlaken, zwembroek, handdoeken en wat andere kleding gewassen en buiten gehangen, maar alles is nu nog zeiknat. Das een misser van mij. Tja, ik heb ook geen centrifuge bij mij. Wellicht is dat een ideetje voor volgend jaar.

De op houtvuur gegrilde lamskoteletjes van gisteravond vallen vanmorgen … mwah … niet zo lekker. Het lammetje neemt wraak op mij én met veel bombarie … uh … afschijt van de wereld. Het was ook allemaal wat veel en eigenlijk ben ik niet zo’n enorme vleeseter. Ik ben al tevreden met een piepklein kipfiletje. Hé, ook ik moet moeite doen om niet zo’n dikke 65-plusser te worden, hoor!

OK. Ik zal het ff gewoon duidelijk schrijven: ik ben aan de diarree, aan de rees, spuitpoep, Poepen-Zonder-Douwe…
En dat is zeker niet handig op de motor. Nou ja, ik zie wel. Er is nu toch niks meer aan te doen. Dag lammetje. Vaarwel wrede wereld.

Ik red eerst even een bij uit mijn woonkamer. Hij is kwaad en vliegt woedend tegen het glas aan. D’r uit, d’r uit, d’r uit, roept zijn instinct. Ik vang hem met een glas en een stukje keukenrol. Voorzichtig, wij zijn vrienden, alleen wéét hij-de-bij dat niet. En ik heb genoeg aan één lichamelijk ongemak.

Als mijn meuk op mijn motor zit, dan pruttel ik op mijn motor naar de receptie. Het is dan al 29 graden. De receptionist overhandigt mij een nota met 1879 Kuna. Ik geef hem zijn kladbriefje van twee dagen terug met daarop .. 1618 Kuna. Hij doet quasi verbaasd en snapt niks van het bedrag dat op het briefje staat. Nou, ik ook niet hoor, antwoord ik nonchalant en kijk vervolgens een beetje achteloos om mij heen. Voor mij is het nog te vroeg om ruzie te maken. De receptionist stottert wat en zegt dat hij het verschil uit eigen zak zal bijbetalen.

Zullen wij samen lekker zoenen?, vraag ik hem. Dat snapt hij niet. Nou, als ik genaaid word, dan zoen ik er graag bij, glimlach ik. Yeah, life sucks… Je kunt best proberen om een toerist te neppen, maar dat lukt jou niet bij een zuunige Holllander, mooie oplichter.

Tussen de camping en Omis is het erg druk. Het verkeer gaat traag. Campers, vrachtauto’s, caravans en een bus met toeristen rijden allemaal voor mij uit. Het is ondertussen 31 graden. Het credo van een surfer luidt: wacht op wind. De motorrijder kan die wind maken… Ik voer de snelheid op en ga een paar keer de doorgetrokken streep over. FF dapper zijn. Er is trouwens opvallend weinig politie hier…

Bij een stop maak ik een praatje met een Duits stel. Hij rijdt op een oude African Twin, met van die lelijke schuinstaande beschuittrommels, en zij rijdt op een oude Triumph. Allebei in korte broek en in een luchtig hempie. Zij doen zoiets anders echt nooit, vertellen zij, met een beetje schaamte. Maar het is nu 33 graden… Ze dragen trouwens wél handschoenen. Tja, alle beetjes helpen. Als je vingers heel blijven na een crash, dan kan je tenminste nog zelf wat pleisters plakken.

Ik zie het echter anders. Ik heb al mijn motorkleding altijd aan. Het is óf zweet óf bloed. Als je met 50 km een schuiver over het ruwe asfalt maakt, dan lig je tot op het bot open. En verder. Ja, het is erg warm. De mouwen staan open, beide borstzakken zijn van mijn jas, de ventilatie is optimaal. De ruit een beetje naar beneden, blijven rijden, alleen in de schaduw stoppen en veel water drinken. Dat is het.

In een toeristisch plaatsje passeer ik een jongedame op een witte scooter. Het is ook hier weer retedruk.  De dame zit met een gipsen been op haar tweewieler. Ook wit. Het steekt een halve meter uit. Ik rijd met mijn kasteel bijna dat been eraf. Nou ja, wat maakt het uit, het was toch al gebroken. Tja, wie rekent dáár nu op?

Bij Drvenik verlaat ik even de route. De veerboot naar Hvar komt net aan. Ze hebben daar een waanzinnig kekke servicepaal voor fietsen. Het gereedschap hangt weliswaar vast aan stalen kabels, maar is door de lengte van de kabels allemaal te gebruiken. Ik heb zoiets nog niet eerder gezien.

In de buurt ga ik gelijk even plassen. Rustig aan. Vooral niet persen. Billen knijpen. De koteletjes van het lammetje blaten, maar het gaat goed…

Langs de rivier Neretva verkopen de lokale boeren hun producten. Aan de doorgaande weg wemelt het van de kraampjes. En die zien er allemaal precies hetzelfde uit. Bij wie moet ik nu ff stoppen om iets te eten te kopen? Maar verderop staan ook wat dames die hun vruchten te koop aanbieden. Daar is het zéker veel te warm voor, hoor.

Ik moet door dat fruit denken aan een mop. Een groenteboer heeft op de Wallen een publieke dame vermoord. De politie ondervraagt de groenteboer en wil zijn motieven weten. De man vertelt dat hij gewoon stikjaloers was omdat zij met haar ene pruim meer verdiende dan hij met zijn hele groentenwinkel. Haha. Het is wel een ouwe mop, denk ik. Mijn oma vertelde ‘m al en zij is in 1984 gestorven. Wat er allemaal door je hoofd gaat op zo’n drukke provinciale weg met wat fruitkramen.

Ik stop om te tanken en koop gelijk wat water. Ik schat het water van mijn veldfles in mijn tanktas op ruim 40 graden. Mijn grote grijze zak, achterop de duo-plek, staat inmiddels bol omdat daar de zak met de natte was aan het exploderen is. Het is inmiddels 34 graden. We steunen en kreunen wat en ik verlos de zak van haar spanning. Wat een hitte.

Er staat plots een symbool van een temperatuurmeter op mijn iPhone. Huh? En eronder staat ‘ik ga weer verder als ik ben afgekoeld’. Ik snap dat. Het is heet!

Mijn persoonlijk warmterecord staat op 38.5 graden. Dat stamt al weer van een paar jaar terug. We reden met de motorclub dwars door Freiburg in Duitsland. Veel verkeersdrukte en talloze stoplichten. Het hield niet op. Ik had hetzelfde Stadler-pak aan. Ik lag bijna op apegapen… Yeah..

Joh, ik stop mijn oordoppies gewoon vandaag niet in. Dan kan de stoom makkelijker uit mijn oren! Tegelijk roep ik, net als Nux in Mad Max Fury Road: Oh, what a day, what a lovely day! Het is afzien! Lijden! Zweten! Met klotsende oksels! Natte sokken, het water in mijn laarzen. Tanden op elkaar. The man and his machine!

Ik rijd een soort tolpoort in, moet stoppen en mijn paspoort laten zien. Het blijkt dat ik een stukje door Bosnië ga rijden. Het is Europa’s grootste zeegeheim: Bosnië-Herzegovina heeft stranden!
Ze hebben in het verleden wellicht een doorgang naar zee geclaimd toen de grenzen werden bepaald, denk ik. Ik dender ruim vijfentwintig kilometer over de zogenaamde Neumcorridor en moet vervolgens mijn paspoort weer laten zien om terug Kroatië in te komen.


Op mijn eindbestemming blijkt de camping vol. Cobus, jij denkt wel heel slim te zijn met je Pinkstertheorie, maar nu zit je er mooi naast. Er is nog één twee-onder-één-kap caravan vrij, die ‘gesplitst’ is in 1a en 1b. Kost 90 euro per nacht. Zien! De uiterst vriendelijke receptionist neemt mij in een golfkarretje mee om het onderkomen te showen. De man doet de deur open en ik kijk zó de wc in. Het lammetje blaat gelijk vrolijk tegen de binnenkant van mijn motorbroek. Ik vraag aan de receptionist: verrèk, hoe wéét jij nou dat ik aan de spuitpoep ben?

Verder is er alleen een slaapkamer en een keukentje van één bij één. Lekker gezellig om vanavond nog ff een boekje te lezen. En een dun plastic wandje tussen de buren en mij. Hoe kan je nu een caravan opdelen in twee appartementen? Wat een schijthok! En dat voor 90 euro. Dat is toch niet normaal?

Ik bedank de man vriendelijk voor zijn service, zoek via Booking-dot-Com een appartement, neem het adres van de site over in mijn navigatiesysteem, rijd er heen, onderhandel met de uiterst vriendelijke dame over de bovenste verdieping, want ik wil persé geen mensen boven mijn hoofd, en de prijs. Ik heb de etage nog veertig euro onder de al extra scherpe prijs van Booking. En het is super. Mooier en beter en ruimer dan elke caravan tot nu. Het is echt een aanrader. Ik betaal contant en zeg dat ik geen factuur hoef. Ze is zooo aardig en alles is zooo schoon. Super.  Het kost 140 euro voor twee nachten. Inclusief de schoonmaak. Ja, túúrlijk, dit is hier geen peperdure naturistencamping…

Tip van Coos? Het stikt in héél Kroatië van de appartementen. Om de tweehonderd meter kom je iets tegen. Op de mooiste plekken. En veel appartementen hebben uitzicht op zee.

Even samen mijmeren? Het is zo tof om elke keer in een andere omgeving te komen. Alles is elke keer nieuw. Alle omgevingsparameters veranderen permanent. Andere stad, andere restaurants, ander terrassen, andere mensen. Er is steeds een andere dynamiek. Je reset jezelf steeds, de teller op nul. Je weet elke keer niks. Wéér ergens je weg vinden. Enerverend en inspirerend. Ik hou ervan!

Na mijn douche wandel ik, downhill, in twintig minuten naar het strand in Lapad. Het beach-restaurant heeft de speakers in verborgen paddenstoelen in het groen in de tuin geplaatst. Het geluid is overal! Ze draaien loeiharde loungemuziek. En het klinkt vreselijk goed. WoW! Ik zit in mijn blote bast in het zonnetje met een biertje helemaal te genieten. Het kost mij moeite om te vertrekken.

Oh, what a day, what a lovely day! En wat een mooie avond.

DE KAWASAKI’S

Bij een stoplicht sluit ik aan bij vier jonge gassies op Kawasaki’s. Ik mik op Z1000’s of Ninja’s, fraaie straatvechters. Ik heb weinig verstand van die racemachines. Ik ben er veel te groot en lomp voor. En ik herken het merk aan het Kawasaki-green. De mannen zijn Oostenrijkers. We groeten elkaar vriendelijk. Ik steek, rechtop zittend, meer dan een halve meter boven ze uit. De kleuren en lijnen van hun lederen motorpakken corresponderen met de motoren. Ze zijn professioneel gekleed. Goede pakken, prima helmen en laarzen en uitstekende handschoenen. Het ziet er prima uit. Dit zijn de mannen die opgegroeid zijn in de bergen. Zij hebben het motorrijden met de paplepel ingegoten gekregen. Wij zijn opgegroeid met pindakaas en stroopwafels, zij met gas blijven geven in scherpe bochten.

Het stoplicht gaat op groen en ze spuíten op volle snelheid en met oorverdovend lawaai weg. De achterste motorrijder checkt zijn spiegels om te zien wat ik doe. Ik volg op gepaste afstand vanwege het lawaai. Er is niet ééntje die een standaard uitlaat heeft. Koelere, was een pokkeherrie. Het is net de doorstart van een F16 van General Dynamics.

Ik geef mijn volbepakte kasteel twee toefjes gas en het personeel gooit vast wat stevige blokken hout op het haardvuur. … Ik verklein de afstand iets. Mijn BMW heeft bijna 140 pk aan boord, dus ik hoef mij nergens voor te schamen.  En ik hoef mij trouwens ook nog niet te haasten.

De spiegels van hun motoren hangen onder hun stuur. Vast een nieuw modeverschijnsel, denk ik. Hebben ze opgepikt uit een motorblad of op internet gezien. Zo gaat dat. Je hebt wéér niet opgelet, ouwe lul… Daar rijd je dan, met je spiegels bóven je stuur.

De mannen hebben moed, ervaring in de Oostenrijkse bergen en durven een poepie gas te geven. Ze gaan er voor zitten en geven ‘m van Jetje. Ik volg gezellig. Ik sluit mijn helm en mijn vizier. Ze ronden prachtig de bochten af en, zoals de echte racers dat doen, met het knietje aan de grond. En elke keer lekker vroeg in de bocht dat gas open en brullend er uit. Heerlijk om te zien. De achterste rijder kijkt weer in zijn spiegels.

Het asfalt is goed en het is droog. Ik geef twee toefjes gas bij en trek met de schakelassistent het motorblok in de volgende versnelling. Ik houd voldoende afstand en ga lekker mee. Ik duw niemand op. Niet remmen, beheerst de bocht in en vol d’r weer uit. Als een dweil er in en als een speer er uit, heet dat.

De achterste coureur kijkt links en rechts steeds wat nerveus in zijn hypermoderne upsite-down-spiegels. En … ziet daar steeds maar die grote kale Nederlander op zijn kasteel in zijn spiegels. Hij praat waarschijnlijk via de motorintercom met zijn maatjes en ze schakelen door en door. De achterste kijkt weer in zijn spiegels, en daar is die lelijke kale BWM-rijder weer. Wat bochten later weer. En weer. En noges! Als een Knaus-caravan achter een Volkswagen. Ik zit met een grote grijns op mijn gezicht. Het is zó grappig en het gaat moeiteloos. Ze trekken en scheuren en draaien en gummen. En hup, daar is dat kasteel met die drie lampen weer in de spiegels. Elke keer weer en weer en weer. Hèhèhè…

Het spel eindigt na een half uur bij een pauzestop. En dan is het klaar. Het was goed en het was leuk. We zwaaien naar elkaar.

Mooie dag. Wel warm. Maar ik kan er goed tegen. Fantastische avond. Magisch, met die lounge-muziek aan het strand. Net een trip. Topper.!

Morgen met de bus naar Dubrovnic. Ik kijk er naar uit. Lekker lang verhaal!

Tip van de redactie:

Wil jij meer verhalen lezen van Coos?
Ga naar:
//ikzoekeenmotor.nl/category/coos-op-reis/

Coos op Reis: dagje Split, toch weer een ongeval

DE BALKAN – DAGJE SPLIT – TÓCH WEER EEN ONGEVAL

Het is strakblauw en nu al 29 graden. En al weer zaterdag 8 juni. Op de dag dat ik dit schrijf in onze serie Coos op Reis.

Op de camping zit een prima restaurant. Ik scoor er voor minder dan vier euro scrambled eggs met bacon. Vertel dat ook ff aan Janny als je haar tegenkomt? Alle beetjes helpen…

Vandaag ga ik met bus 60 naar Split. Paar honderd meter wandelen, een half uur meehobbelen en dan ben ik er. En dan is hij óók nog tien keer gestopt. Ik wandel vanuit de bus vanzelf de beroemde fruitmarkt op. Het plein heet Vocni Trg en het is vol in bedrijf.

Naast de grote marktkoopmannen verkopen daar ook nog steeds de lokale boertjes hun fruit en groenten. Met allemaal hun eigen ouderwetse weegschalen met gewichtjes. Als kind zag ik in de
jaren vijftig de groenteboer in Rotterdam die ook gebruiken. Dat vond ik toen al magisch.

Ik scoor bij een dame voor een paar euro een sapje met vers geperst fruit van ananas, sinaasappel, citroen en weet ik veel. Ze mikt er ook gember in. Lekker pittig. Super.

Ik kom bij het Paleis van Diocletianus. Het paleis is van het begin van de vierde eeuw. Het paleis bestond uit een rechthoek met vier hoektorens, enkele muurtorens en grote poorten. De vorm lijkt sterk op een Romeins castrum, een versterkte legerplaats. Het oude centrum van Split wordt gevormd door het oude paleis, waarin winkels, restaurants en markten zijn gevestigd. Het paleis is een ommuurde stad in een stad en bestaat uit zeer smalle en hoge straatjes, poortjes, nisjes,
trappetjes en steegjes waar de zon niet komt. Het is prachtig!

En ik zie toeristen, toeristen en nog eens toeristen. Bijna net zoveel als stenen onderweg. Als mieren lopen ze zwetend in het rond. Groot en klein, dun en dik. De meesten te dik. De mensendrukte komt natuurlijk omdat het ook hier Pinksteren is.

De glimmende, spekgladde uitgesleten stenen, nog met de groeven van oude karren, maken op mij diepe indruk. Hier kijkt de oudheid mij vanuit het verleden aan en is mijn leven plotseling maar nietig. We zijn hier maar even. I am just a passenger, zingt Iggy Pop in mijn hoofd.

 

Vervolgens bezoek ik het Republiekplein. Het heet Trg Republike. En natuurlijk kuier ik over de Riva, een mooie en autovrije boulevard. Ik loop zo Narodni Trg op, ook een mooi en oud plein. Het is allemaal oud en zeker de moeite waard om te bekijken. In Split en omgeving zijn veel opnames van The Game of Thrones gemaakt. Ik vond het een onwijs mooie serie. Ik ben gek op die spectaculaire beelden. Ik kan het niet nalaten om het museum van de Game of Thrones te bezoeken. Mwah, het is aardig. En best wel klein.

Door het museum schalt bulderend de muziek van de soundtrack. Das best wel stoer. In het museum veel replica’s van kostuums en wapentuig. De gids laat foto’s uit de film zien en vertelt waar in de stad de opnames zijn gemaakt. Ik was een uurtje daarvoor o.a. in de crypte. In de film werd nou precies daar de draak gevangen gehouden.

De filmopnames zijn in Split en in de buurt gemaakt, maar ook o.a. in Dubrovnik. Dat ligt ook in Kroatië. Ik kom trouwens over een paar dagen ook in Dubrovnik.

Er is een grote zeehaven. Er liggen talloze enorme boten. Voor een paar centen…

Het is ondertussen 32 graden en de koperen knoert brandt ongenadig op mijn witte hoedje. In het park Sustipan is het even lekker koel. Park Suma Marjan blijkt te ver weg om te lopen. Dat bewaar ik voor een andere keer.

Ik liep vandaag ruim 15 kilometer. En twee dagen eerder hád ik al een blaar onder mijn rechtervoet… Pff.

Conclusie? Split is een mooie stad en een bezoek zeker waard. Het is enorm druk en absoluut toeristisch. Maar dat heeft natuurlijk een reden en dat maakt Split erg gezellig. Ook het avondleven bruist en knalt. Als ik rond 22:00 uur naar de bus wandel, dan zitten alle terrassen, en het zijn er héél veel, nog stampvol.

EN TOCH WEER EEN ONGEVAL…

Aan het einde van de dag wandel ik vanuit het oudste gedeelte van Split weer terug naar de bus. Een jochie van een jaar of zes fietst mij onstuimig op het trottoir met een noodgang voorbij. De dood of de gladiolen. Ik denk nog: kind, doe hier rustig, die oude stenen zien er echt spekglad uit.

Met een knal gaat hij onderuit en zijn fiets draait 360 graden. Het geluid maakt mij misselijk. In eerste instantie zet hij een enorme keel op en dan … wordt het plotseling doodstil. Beangstigend. Het joch draagt weliswaar een fietshelm, maar is met zijn platte gezicht op de stenen gevallen. Hij verroert geen vin, blijft seconden als dood, heel onnatuurlijk, met zijn gezicht naar beneden op straat liggen en beweegt totaal niet. En … wordt vervolgens na een minuutje krijsend wakker. Breath Holding Spell heet dat, leer ik nog dezelfde avond van motormaatje Hans den Ouden. Het is een reflex en het komt voor bij jonge kinderen.

 

Uh … zijn vader en moeder zijn erbij, en volgens mij ook zijn opa en oma en neven en nichten, ik vind het best zo en ik heb toch geen pleisters bij mij, draai mij om en haast mij naar de bus. Die arriveert gelijk.

Mooie dag. Mooie stad. Lekker rondgesjouwd!

Coos op Reis: gevaarlijk industrieterrein

Prachtig weer. Ik stap vanuit mijn hypermoderne huis het terras op om mijn BMW even een hele goede morgen te wensen en te vragen of zij de nacht ook lekker is doorgekomen. Ze staat er nog! Wat is ze lief, hè?


(We kunnen weer verder in onze serie Coos op Reis)

En … mijn helm en doorwaai-handschoenen zijn er ook nog… Jeetje, DIE was ik gister gewoon vergeten van het trapje van de buren te halen. Ze hebben vannacht gewoon buiten gebivakkeerd. Das knap stom van mij. Ik vind hier echt niet vlot een nieuw potje met mijn XXL-hoofd. En handschoenen in maatje 13/14 zullen in dit kabouterland ook wat lastig zijn. Nog beter opletten dus. Potver, sufferd!

Alles ingepakt en opgebonden. Daar gaan we weer. Het wordt vandaag 30 graden. Joepie. Zonder aarzelen komt met donderend geraas mijn ijzeren vriendin tot leven. Bij een supermarktje, 300 meter van de uitgang van de camping, koop ik een sappie en een lekker bruin broodje. En ik laat daar gelijk wat hele oude kaas snijden. Het breekt in stukjes uiteen. Op een muurtje in de schaduw van een olijfboom peuzel ik dat op. En ik geniet van mijn vruchtensapje. Jôh, het is pas half tien, maar mijn dag kan nu al niet meer stuk. En gelukkig heb ik mijn helm en handschoenen ook nog…

Ik mik mijn afval in mijn koffer. We vinden straks wel een prullenbak. Vervolgens draai ik de weg op en zoek naar mijn route. De onderkant van de vangrail is hier bijna altijd open. Patatsnijders, noemen motorrijders de ijzeren paaltjes. Maar over de motor-onvriendelijke vangrail geniet ik van de zee, het lichtspel van de zon op het water en van de baby-eilandjes in de verte. Achgossie, ze zijn vannacht helemaal alleen in het pikdonkere water geweest.

Ik vervolg mijn weg door het binnenland. En ik zie stenen, stenen en nog eens stenen.  Man, wat een stenen. Tien kilometer verderop pruttel ik een dorp binnen,  ik draai een bocht door en rijd tegen een soort warenhuis aan. Verkopen ze daar sténen! Gekkenhuis.

Ik krijg tot drie keer een insect in mijn gezicht. Dat doet trouwens flink zeer. En hoe harder ik rijd, hoe meer zeer het doet. Weer eens iets anders dan verkeersdrempels. Bij zee heb je normaliter minder last van beessies.

Dit blijken zwarte torren te zijn. Met zo’n keihard schildje. Een soort vliegende schildpadden. Ik sluit mijn vizier en hoor steeds Tok-Tok-Tok op mijn helm. Ga iemand anders pesten.

Dichterbij zee is het gelukkig weer over.

Tja, en dan komen we bij het volgende dorp langs een carwash. En natuurlijk vraagt ze of ze in bad mag. Ze voelt zich vies en wil dolgraag gewassen worden. Mmmm… Ik kleed haar helemaal uit: alle pakken en zakken haal ik van haar rug en heupen. Ze kirt als ik allemaal sop over al haar rondingen doe en haar later lekker spons in al haar geheime gaatjes en kiertjes. Ik was haar koplamp en haar uitlaat en raus ruig over haar spaken en velgen. En dan pak ik warm en helder water….. nou, verder deel ik geen intimiteiten, hoor…. Maar ze glimt en ruikt weer heerlijk fris. En dat allemaal voor drie eurootjes.

In een prachtig stuk natuur nuttig ik mijn gezonde, lichte lunch. Fotooo!

Vroeg in de middag vind ik op de camping de allerlaatste beschikbare caravan. Dat valt mij erg mee, want half Duitsland heeft Pinkstervakantie en is hier aanwezig. De caravan staat vijftig meter van het strand. Whoeiii! Een half uur na aankomst zit ik met mijn E-reader op mijn stoeltje in het zonnetje aan het strand. Het is 28 graden en er staat een lekkere bries van zee.

TripAdvisor (toffe app!) brengt mij ‘s avonds naar het Nummer Twee restaurant in het oude gedeelte van Stobrec: Kasa Grill. Lekkere kipfilet met gegrilde groenten. Voor tien euro. En alles van de houtgrill. Super. Heerlijke dag, heerlijk gereden.

GEVAARLIJK INDUSTRIETERREIN

De route is vandaag lekker kort. Dat is weer eens iets anders.

Op precies 3,6 km van mijn eindbestemming rijd ik tegen een afsluiting in verband met wegwerkzaamheden aan. Normaal is dat geen probleem. Binnen de motorclub hanteren we in dit soort gevallen de ‘MC Zegveld Methode’: we volgen de weg totdat 100% bewezen is dat we echt niet verder kunnen. Meestal kunnen we er met de motor wel langs, er is altijd wel een gaatje. Bij deze wegopbreking staat echter een hoog hek, volledig over de breedte van de weg. Er is geen doorkomen aan.

In Linschoten is elke versperring een fluitje van een cent. Als de vuilnisman Het Jaagpad blokkeert, dan rijd ik eenvoudig een straatje om. Maar in zo’n omgeving als dit, ligt dat anders. Dit is geen woonbuurt. Links is afgesloten, dus ik ga overstag en kies voor rechts en rijd daarmee een of ander smerig industrieterrein op. Je weet het niet, hè. Je kiest in een onderdeel van een seconde. Foute keus. Dat had ik niet moeten doen…

Er ligt allerhande troep in de berm. Lege flessen, doorgeroeste ijzeren jerricans, natte kartonnen dozen, half gevulde en aangevreten vuilniszakken, vervuild kinderspeelgoed, vergane autobanden, stukken hout, afgebrokkeld gips en weet ik veel… In de dode takken van grote dorre sinistere bomen klapperen flinke lappen gevangen plastic en wappert papier in de wind. Het ziet er hier vreselijk naar en spookachtig uit. Waar ben ik in vredesnaam in terechtgekomen? Een dikke penetrante lucht van de vuilnisbelt van Split rolt over het vergiftigde veld zó mijn helm binnen. In de verte ontwaar ik de contouren van een grauwe, traag malende cement-fabriek.

De rijweg is hier totaal verrot gereden. Aan de wegkanten steken stukken geroest betonijzer vanuit het asfalt omhoog. Grote kiepauto’s, diepladers, vrachtwagens en ander verkeer jakkert met hoge snelheid over wegen die ze al jaren berijdt en verder naar de klotuh helpt. En ik? Ik zit daar plotseling en zonder enige waarschuwing ineens midden tussen en ben voor 200% bezig met overleven. Man, die auto’s zijn zo vreselijk groot! En die wielen! Pff… Ik ben op mijn motor nergens. Ik stel helemaal niks voor. Mijn kasteel is plots een minihuisje uit Madurodam.

Een tegemoetkomende vrachtauto neemt bij een wegversmalling in stofwolken nonchalant en hondsbrutaal voorrang. De lul kijkt vanuit zijn hooggeplaatste bestuurdersplek niet eens naar mij. Rechts gaat de betonweg, zonder vangrail, minstens vier meter naar beneden. Ik kan met moeite mijn motor tijdig stoppen en met mijn rechtervoet (!), half onder mijn motor, mijzelf in evenwicht houden. Doodstil in balans blijven, even niet ademen en vér vooruitkijken. Concentreren op een niet bestaand punt in de verte. De volle twee seconden in overgave en wachten totdat alle 18 wielen met veel kabaal en in een wolk rubberlucht voorbij gedenderd zijn. Het gaat. Het is letterlijk en figuurlijk op het randje. Ik haal opgelucht adem, kantel mijn motor naar links en geef gas, weg van die rand. Het was echt mijn tweede ‘bijna ongeluk’.

Dit is een bandeloos gebied zonder wetten en regels. Een terrein waar de grootse, lelijkste en goorste vrachtauto de baas is. Het stinkt naar verrotting. Een gebied van rondrijdende zombies en living dead in trucks, geladen met oude kadavers. En van waaruit bijna geen ontsnappen mogelijk lijkt. Hier moet ik heel snel weg, flitst er door mijn hoofd. Ik ben nog aan het shaken van de woeste aanval van die truck. Ik moet zelfs een beetje opletten om niet in paniek te raken.

Met een grote bocht probeer ik weer terug naar mijn route te gaan. Als ik mijn geprogrammeerde route kruis, dan blijkt die weg als viaduct dertig meter boven mijn weg te liggen. Daar heb ik niks aan.

Ik keer om, want ik sta aan alle kanten vast. Ik moet persé weer door dat nare oorlogsgebied. Er is geen andere mogelijkheid. Zonder kleerscheuren sta ik een half uur later weer bij dezelfde immens grote rotonde. Natuurlijk stuurt mijn Garmin mij weer hetzelfde gebied in. Als ik zelf niet ingrijp, dan doet dat navigatietuig dat nog 100 keer, hoor. Maar deze keer kies ik voor rechtuit en rijd toch maar de snelweg op. Ik zie de rokende schoorstenen in mijn spiegels verdwijnen.

De weg komt door vier tunnels en de eerste afslag is pas twintig kilometer verder. Daar is echter geen veilige plek om te stoppen om mijn situatie even in ogenschouw te nemen. Ik zie dat ik steeds verder wegrijd van mijn eindbestemming. Dat is niet de bedoeling.

Bij een uitritje van een weiland besluit ik om mijn eindbestemming vanuit het zuiden te benaderen. Ik programmeer een plaatsje in de bergen in mijn navigatietoestel om vervolgens dan maar vanuit die nieuwe richting naar de camping te rijden. Ik heb weer moed en vertrouwen. Ik heb wat water gedronken en tegen een boom geplast. Daar knap ik altijd wel van op….

Onderweg zie ik trouwens dat het een volledig werkende fabriek is die een complete berg aan het opeten is. De berg is al half verdwenen. Gatver, wat kan de wereld soms ook naar zijn. Ik kom verdorie net uit het paradijs.

Maar het lukt allemaal. Ik worstel en kom boven. Al met al ben ik ruim een uur aan het vechten en zwoegen geweest. Mwah, het was best lekker spannend.

Ik heb nog even tijd om lekker in de zon te zitten. Morgen met de bus naar Split. Lekker relaxed. De bus stopt tegenover de camping. Maar das geen geluk, dat had ik afgelopen winter al uitgevogeld.

Héééé, spannend verhaal, hè? Whoeeiii!

Tip van de redactie:

Ben je thuis, met koud weer bij de kachel, of lig je net als Coos lekker ergens aan het water? Je kunt heel gemakkelijk alle verhalen van “Coos op Reis” op deze site lezen, via de rubrieken. Of ga meteen naar:
->  //ikzoekeenmotor.nl/category/coos-op-reis/