Categorie archieven: Gastcolumns & blogs

Go West Young Man

Go West Young Man

Juist nu we niet kunnen reizen, niet mogen reizen, is het een troost om reisverhalen te kunnen lezen. Gewoon even dat gevoel alsof je de prachtigste routes langs indrukwekkende Amerikaanse kusten rijdt. Hans en Dia den Ouden reizen al jaren over de hele wereld en in hun motorreis-verhalen op Ikzoekeenmotor.nl delen zij met ons hun belevenissen. En of je deze verhalen nu leest als motorrijder, of als reiziger in het algemeen, het blijft genieten….        Hier weer een verhaal van Hans:  

Na het buitenaardse traject door Utah kwamen we aan in Nevada. Achteraf hadden we vanuit Utah nog Arizona in moeten rijden en dan vooral richting de Grand Canyon. Want dat is natuurlijk ook een schitterende omgeving. Dat hebben we dan nog te goed voor een volgende reis. Het stuk door Nevada was tamelijk leeg en er waren weinig campings en hotels langs onze route. Zo reden we 1200 km in twee dagen en we hebben geen enkele foto gemaakt. Soms reden we 200 km door een totaal leeg gebied. Een deel van dit traject ging langs de oude Route 66.

Bij een supermarkt kwam er een andere motorrijder aangereden op een KTM 1290. Hij keek naar onze nummerplaten en zoals iedereen wilde hij weten waar we vandaan kwamen. Zijn openingszin was: “I can tell  by your face that you’ve been on the road a long time.” En zo voelde het ook wel na 18.000 km.

De man was 76 en vertelde dat hij pas een off-road trip had gemaakt met zijn zoon en kleinzoon. Hij kreeg last van warmtestuwing (een zonnesteek) en hij belandde daardoor in het ziekenhuis. Het was dan ook flink warm. Ik heb hem onze “Cooldown” vesten laten zien en de werking uitgelegd. We zijn gestopt in Carson City, de hoofdstad van Nevada en hebben onze plannen aangepast. We besloten om richting Sacramento te rijden en dan langs de kust over Highway One naar het noorden te rijden.

We waren erg moe van de afgelopen twee dagen rijden en sliepen mede daardoor ook nog eens slecht. Daarnaast moest er gas gekocht worden voor het kooktoestel en die winkel ging pas om 09:00 uur open. De timing om daar gas te gaan kopen bleek goed, want het oude blik was die zelfde avond leeg. We reden een heel stuk langs Lake Tahoe, een iconische plek. Het meer is prachtig en is omgeven door bergen. Tegen de wanden staan veel enorm grote huizen tussen naaldbomen. Het deed ons denken aan Paris Plage.

Van dit stuk had ik geen route gemaakt en dus gebruikte ik de functie “kronkelroute” van de Garmin Navigatie. In Nederland werkt dat niet geweldig maar hier wel. Behalve 10 km snelweg ging het inderdaad alleen maar over kleine bochtige weggetjes. Wel werd het weer erg warm, de temperatuur liep op tot 38ºC.

Na Lake Tahoe volgende nog Lake Donner, ook een mooi meer in de heuvels. We kampeerden in Oroville op weg naar Ford Braggs aan de kust.

De volgende dag reden we een leuke slingerweg door Napa Valley, tussen de wijngaarden door en daarna alleen maar bochten tot we aan de kust waren. Het werd in de middag wederom 38ºC en ondanks de Cooldown vesten was het samen met het intensieve rijden erg vermoeiend. Gelukkig ging de weg in de middag door een bos met sequoia bomen. We vonden een camping die vol stond met deze bomen.

Het bordje bij de camping meldde dat er geen plek was, de ervaring heeft geleerd dat het toch vaak loont om dat nog even na te vragen. De dame aan de balie meende in eerste instantie ook dat ze geen plek had, maar uiteindelijk bedacht ze dat er toch nog een klein plekje beschikbaar was. Op de foto kan je zien dat klein een relatief begrip was.

De volgende dag reden we op de kustweg en daar was het een comfortabele 21ºC. Op de parkeerplaats bij de supermarkt kwam een zeker Larry naar me toe. Hij wilde alles weten van onze reis en wilde met ons op de foto. Hij reed ook op een GS, maar hij was nog nooit op reis geweest. Hij bleek een pastor te zijn, na het gesprek kreeg ik een boekje van hem, zie de foto, nu zou het vast goed komen met ons…

Vanaf Gualala reden we langs de kust noordwaarts over een prachtige weg, grotendeels met uitzicht over de oceaan. Na een half uur kwamen we bij wegwerkzaamheden waar we tien minuten moesten wachten op de tegenliggers.

Tijd genoeg dus voor een babbel met de verkeersregelaar en de agent die er toezicht hield. Uiteraard werd er uitgebreid gevraagd waar we vandaan kwamen en hoe we de motoren getransporteerd hadden.  Na wat selfies over en weer konden we weer verder rijden. De temperatuur vlak aan zee was wederom perfect met 21ºC. Na 150 km boog de weg, Highway One af landinwaarts en liep de temperatuur snel op naar 32ºC.

We kwamen langs de sequoiaboom waar je met de auto onderdoor kan rijden. Dat kost $10.- voor twee motoren. Het staat daar echter vol met van die bomen, daar kan je dan weer niet onderdoor, maar ach.  Highway 1 gaat over in de 101 en die loopt weer terug naar de kust, alleen dat is dan 150 km verder. We besloten te stoppen na slechts 185 km gereden te hebben en vonden een camping met zwembad.

We zijn twee uur gaan wandelen in St. Patricks Point State Park. Vlak aan de kust was het met 12ºC aan de frisse kant,

 

De volgende dag reden we Oregon in. Californië is een dure staat. De camping daar kostte $39 gemiddeld en in Oregon $16. De benzine was in Oregon $0,70 per gallon goedkoper. De camping in Humbug Mountain State Park was wat meer ingericht op tentkamperen i.p.v. RV’s.

Grappig is dat Amerikanen op een camping altijd onmiddellijk in de weer gaan met hout om een kampvuur te maken, dat zorgt kennelijk voor het “outdoor” gevoel of is het “survival”? In ieder geval zit je dus vaak in de rook en kerosine lucht. Iedereen heeft minstens twee honden bij zich. De buren hier waren continu in de weer met hun bedoeninkje. Het was verbazingwekkend om te zien wat ze meegesleept hadden. Ze hadden bijlen bij zich waar je een sequoia mee kon omhakken.

We reden verder langs de kust richting de ferry naar Vancouver Island. Onderweg zagen we veel arenden en in de zee zeehonden. Het was moeilijk om een camping te vinden want het was het laatste weekend van de schoolvakantie en dan trekken velen er nog even op uit, Uiteindelijk vonden we een KOA camping in Astoria, met nog een plek waar je de tent op een vlonder moet neer zetten. Dat paste maar net.

De volgende dag waren we in Washington en ook daar waren de campings erg vol. Bij een visten we net achter het net en werd de laatste plaats aan iemand anders vergeven. Het was inmiddels 16:30 uur en de dame van de camping zei dat er 100 mijl naar het noorden nog wel een camping was, dat is dus 160 km. We zagen er kennelijk moe en hopeloos uit, een van de mensen die wel een plekje hadden gekregen kreeg medelijden met ons en we mochten hun plekje hebben, zij zouden dan nog een eind naar het zuiden door rijden. Geweldig!

->> Volgende keer: Vancouver Island

Met je motor over de Million Dollar Highway

Wyoming, Idaho, Colorado en Utah

(Trouwe lezers volgen via onze site de motorreisverhalen van Hans den Ouden en zijn vrouw Dia. We horen zelfs dat mensen die nooit motorrijden ze met heel veel plezier nu lezen. De wens om te reizen is zeker nu voor velen herkenbaar. Hier weer een volgend verslag van Hans. Facebookers vinden Hans en Dia ook hier.)

Vanaf het Yellowstone Park reden we verder naar het zuiden door de staat Wyoming, langs de grens met de staat Idaho naar Utah. We reden zo ver naar het zuiden, omdat ik in Colorado de Million Dollar Highway wilde rijden. Daarover later meer, want dat was een trip met een persoonlijk tintje.

We reden door het prachtige Grand Teton National Park en daarna nog door een ander park. Net zo fraai als Yellowstone en gratis toegankelijk. Het vinden van een aantrekkelijke camping viel niet mee. We reden er 10 voorbij zonder faciliteiten, alleen toilethuisjes met een grote bak waar het ongelooflijk stinkt en geen water is om je handen te wassen. Rond 16:00 uur begon het te regenen en de weg ging over in gravel. Dat is in de regen met een zwaar beladen GS een uitdaging. Aan het einde van de middag, na 450km rijden, hadden we daar geen zin meer in.

Daarom keerden we om en reden naar Kamas waar een hotel zou zijn volgens de Garmin. Er was alleen geen hotel. We hadden geen bereik op de telefoon, dus Google was ook niet te raadplegen. Vervolgens naar Woodland waar een Inn zou zijn. We troffen er inderdaad een prachtig huis, meer dan 100 jaar oud en de eigenaresse was een dame met Nederlandse ouders. Ze kwamen uit Utrecht, we waren er de enige gasten. De volgende ochtend pakten we de route weer op richting Duchesne. Het was niet heel erg mooi weer maar grotendeels droog.

 

Op 8 augustus reden we 415 km, grotendeels door de bergen. De dag begon fris met 12ºC en daarom met extra onderlaagjes, in de namiddag werd het 35ºC en het cooldown vest onder het motorpak kwam goed van pas. Onderweg hingen de onweersbuien boven de bergen en zagen we de bliksem in de verte. Gelukkig bleven we grotendeels droog.  De camping in Grand Junction was prima, maar met 33ºC aan het begin van de avond was het zelfs nog te warm om de tent op te zetten.

Daar hebben we mee gewacht tot het bijna donker was.

Ook was het inkopen doen niet helemaal goed gelukt, er waren geen winkels in de buurt en daarom werd het een avondje water drinken in plaats van wijn.

De volgende dag reden we naar Ouray, het begin van de Million Dollar Highway. In 1966 was ik daar met mijn ouders en broer. Mijn vader werkte ondermeer voor de overheid op Curaçao en in die tijd kregen de uit Nederland afkomstige ambtenaren eens in de zes jaar een betaald “groot verlof”. Daar mijn ouders ook reizigers waren gingen we toen naar de U.S.A en Canada. We vlogen naar Denver, Colorado  waar we de volgende dag een complete kampeeruitrusting aanschaften bij een warenhuis, David Cook geheten. Voor de tent, 4 luchtbedden, 4 slaapzakken, een kooktoestel en een grote koelbox betaalde mijn vader nog net geen $100.-

We reden via de Rocky Mountains naar de kust en kwamen we toen over deze weg. Mijn vader had de hele route gepland en ik lees in mijn vaders memoires dat het toen erg koud was in juli.

De Million Dollar Highway, tussen Silverton en Ouray,werd gebouwd in 1882-1883 door een ondernemer, Otto Mears. Hij was een succesvol ondernemer en wilde het zuidwesten van Colorado verbinden met de buitenwereld. Het bouwen van de weg kostte $10.000 per mijl. Ongelooflijk veel geld voor die tijd. Daarom werd er ook een aanzienlijke tol geheven, $5 voor een paard en wagen en $1.- voor elk stuk vee. Het aanleggen van de weg gebeurde door mannen aan touwen naar beneden te laten zakken naar de juiste hoogte, die plaatsten dan dynamiet en voor het ontplofte werden ze weer snel omhoog gehesen. De geschiedenis van Otto Mears, hoe hij als wees, zonder enig geld begon en zo ver wist te komen is de moeite waard om eens te lezen.

De man had een vooruitziende blik, want een paar jaar later liet hij een spoorweg aanleggen door de bergen van Colorado. Hij dacht ook dat de auto de toekomst had en werkte hij aan de verharding van het wegdek om autoreizen beter mogelijk te maken. Dat is dus echt “Living the American dream”

De weg heeft nog steeds geen vangrails en naar beneden kijken vanaf de motor voelde best wel spannend. Gelukkig was het mooi weer tot Durango. Daar begon het ongelooflijk hard te regenen. Een complete wolkbreuk. Na een half uur nam de regen gelukkig af en reden we richting Arizona langs het vierstatenpunt waar Arizona, Utah, New Mexico en Colorado aan elkaar grenzen. Er is  dat een monument waar ik wilde gaan kijken, ook daar was ik in 1966. Tegenwoordig moet je $20 per voertuig betalen om het monument te bekijken en dat ging toch echt te ver.

We reden Utah in richting Monument Valley. Elke camping en elk hotel die we onderweg tegenkwamen zat vol, overwegend met busladingen Chinezen. Uiteindelijk kwamen we om 19:00u, na 568 km rijden, bij het Navajo reservaat aan en ook daar waren de tentplaatsen vol, maar we konden wel de laatste RV plek huren. Dat bleek achteraf gunstig, want de tentplekken bleken allemaal in het dal te liggen en konden alleen te voet bereikt worden, vanaf een hoger gelegen parkeerplaats en dat was dus een heel gesjouw geweest.

Nu stonden we boven op een plateau en hadden een schitterend uitzicht. Er stond een snoeiharde wind, zo hard dat we de tent maar ternauwernood opgezet kregen. We moesten grote keien verzamelen om op de scheerlijnen te leggen en de rotspennen vast te houden. Toen de zon eenmaal onder was, ging de wind gelukkig liggen en hadden we een prima plekje. Zowel de zonsondergang ’s avonds als de zonsopgang de volgende morgen waren sprookjesachtig. De hele omgeving is betoverend.

We zaten de volgende ochtend weer vroeg op de motor om de warmte voor te blijven. De Valley of the Gods en de “Road of the ancients” De weg door deze contreien, de Highway 95 is nauwelijks in woorden te vatten. Enerzijds rij je in een “onaardse” omgeving en anderzijds zitten de wegen ook nog vol bochten.

Bekend is natuurlijk het beeld uit Forest Gump, de film met Tom Hanks uit 1994, nabij Mexican Hat, dat is overigens vlak bij de plek waar we kampeerden. Er zijn mensen die er speciaal naar toe reizen om exact op die plek een foto te maken. Men stopt dan midden op de snelweg om een foto te maken. Hoewel het er stil lijkt, rijden er natuurlijk wel auto’s met meer dan 100 km/uur voorbij. Het staat inmiddels bekend als “Forrest Gump Point”

Na 410 km eindigden we in Escalante. Next stop: Carson City

(Wordt vervolgd….)

De Million Dollar Highway, al rijdend:

De elektrische motorfiets, blijft het onze toekomst?

Binnen onze besloten Facebookgroep PASSIE VOOR MOTOREN met inmiddels 2300 leden is Andrew Thijssen een bekende trouwe schrijver. Andrew rijdt zowel op zijn trouwe Yamaha FJR1300A als op zijn Zero, de elektrische motor. We zaten bij de redactie met wat vragen, dus hebben we deze aan hem voorgelegd…

Hoe lang is het geleden dat je jouw eerste elektrische motorfiets kocht, en was dit nog voor dat je een elektrische auto reed?

Mijn eerste elektrische motorfiets kocht ik nog maar anderhalf jaar geleden. De eerste elektrische motorfiets reed ik in 2009. Dat was overigens meer duwen dan rijden. Die Quatya kon op papier 20 -25 km ver. Ik kwam er maximaal 12 km ver mee.  In de jaren daarvoor kwam ik hobby-matig steeds meer in de gelegenheid om op allerlei soorten motorfietsen te rijden. Ik was in die jaren ook steeds meer geïnteresseerd geraakt in de energie-transitie die er onvermijdelijk aan kwam. Daarmee gepaard gaande de overgang naar alternatief vervoer, dus ook elektrische motorfietsen. Daar werd toen nog nauwelijks over gesproken. Een elektrische auto rijd ik nu drie en een halfjaar. Je moet er tegenwoordig wel bij zeggen: Prive gekocht, zonder ondernemers voordelen … ik ben “slechts” loonslaaf. Ik heb in de loop van de jaren steeds meer mensen leren kennen die werkzaam zijn in de duurzame mobiliteit. Reuze interessant.

Wat was toen voor jou de belangrijkste reden? En is dit nog steeds een belangrijke reden?

Ik was als 16 jarige ooit in Toronto (Canada), daar werd ik als plattelands jongetje voor het eerst geconfronteerd met smog sluiers boven de stad. Daar was ik erg van onder de indruk. Vooral het idee  dat je daar de hele dag in zou moeten leven.. 10 jaar later was ik met de motor in Madrid, tijdens een onweersbui proefde ik letterlijk de zurige regen en voelde het prikken in mijn ogen. Ik vond dat echt smerig.  Ik raakte onder andere daardoor steeds meer geïnteresseerd in de overgang naar schone energie.  Dit had uiteindelijk ook te maken met mijn werk. Ik werk inmiddels 10 tallen jaren als geriatrie fysiotherapeut in de ouderen revalidatie. En geloof me, daar zie ik dagelijks  verschrikkelijke dingen die me/ ons  misschien nog te wachten staan.  Mede als gevolg van 100 jaar ( zeker de afgelopen 60 jaar), rotzooi inademen door industrie, verkeer, tuin en landbouw. Denk hierbij aan longaandoeningen, kankers en neurologische aandoeningen (bv Parkinson).  De cijfers daaromtrent liegen er inmiddels niet om. Inderdaad een van de redenen is volksgezondheid. Ik ben me in die jaren steeds meer gaan verdiepen in de werking van klimaatsystemen …. En dan wordt het allemaal een stuk duidelijker, maar vooral verontrustender.  Een leefbare gezonde wereld voor mijn (klein)kinderen en de rest van de wereld is voor mij nog steeds de belangrijkste reden… buiten het feit dat elektrisch fantastisch rijdt.

Als je motor rijdt, en je hoeft nergens naar te kijken, pak jij liever de benzine motor, of rij je liever elektrisch?

Ik heb dagelijks de keuze tussen mijn FJR1300A te pakken of mijn elektrische Zero. Aangezien ik de motorfiets bijna dagelijks gebruik is dat best prettig. Mijn FJR staat bijna het hele jaar stil. Ik gebruik die alleen als ik een verre trip ga maken met mijn petrolhead vriendjes . Dat zegt genoeg denk ik. Zodra de laad/tank infrastructuur parallel lopen gaat de FJR de deur uit. En dat is veel sneller dan de meesten nu in de gaten hebben.

Wat zijn de belangrijkste vooroordelen die je tegenkomt?

– Onbruikbaar door slechte actieradius,
– Batterijen zijn na 2 jaar op en kosten een godsvermogen,
– Batterijen zijn slechter voor het mileu dan brandstof,
– Als  het koud is kom je niet ver,
– Je rijdt op kolenstroom,
– Geen beleving,
– Je hoort ze niet aankomen dus gevaarlijk, loud pipes save lives

Rijden er volgens jou over in 2040 nog benzine motoren rond in NL?

Er rijden in 2040 vast nog wel brandstofvoertuigen rond in het verkeer. Maar dat zijn slechts uitzonderingen die gereden worden door mensen die er, om wat voor reden dan ook,  geen afstand van willen / kunnen doen. Of door liefhebbers die ons technisch erfgoed in stand houden. Maar die rijden  niet of nauwelijks meer op brandstoffen zoals we nu kennen. Trouwens, de brandstoffen zoals we die we nu tanken zijn ook niet meer de brandstoffen van 20-30 jaar geleden. Fossiele benzine zul je dan echt moeten zoeken of heel duur betalen. Vergeet niet dat de brandstofmotor binnen nu en 10 jaar verboden wordt om nieuw verkocht te worden. Waarschijnlijk wordt dit nog wel een paar jaar eerder vervroegd. De brandstof voertuigen die dan nog rondrijden krijgen te maken met steeds meer restricties. In de loop van de jaren worden die uitgefaseerd  middels biobrandstoffen en/of E fuels. Voordeel van deze laatst genoemde brandstoffen is dat je die kan maken van C02 uit de atmosfeer. Vergeet niet dat we in 2040 alweer snel een jaar of 20 verder zijn. De meeste mensen die nu nog verknocht zijn aan hun voertuig rijden dan niet of nauwelijks meer rond. Een nieuwe generatie motorrijders is dan aan de beurt.

Hoe zit het met waterstof?

Waterstof wordt door een aantal mensen gezien als de heilige graal. Begrijpelijk, want dan kun je “gewoon” tanken … en dat kennen we. Waterstof wordt inderdaad een steeds belangrijker onderdeel in de energie transitie. Waterstof is een mooie energiedrager. Dit kan gebruikt worden als de zon niet schijnt en de wind niet waait. Het probleem met waterstof is dat het niet zo maar bestaat op aarde. Dat moet gemaakt worden … en iets wat gemaakt moet worden kost energie. Wat dat betreft is er geen verschil met fossiele brandstoffen. Je spreekt nu nog over waterstofgas. Waterstof wordt overigens nu nog voor veruit het grootste deel gemaakt van afval gassen uit de olieraffinage. Je begrijpt dat olie maatschappijen dit dan ook graag willen gebruiken en verkopen als een schoon produkt. Dit wordt dan ook greenwashing genoemd

Misschien overbodig te zeggen, maar waterstof rijden is ook elektrisch rijden, met batterij. Weliswaar een kleinere, maar toch een batterij. Buiten het feit dat waterstof gemaakt moet worden, wat veel energie/elektriciteit kost, moet waterstofgas ook worden opgeslagen, vervoerd en weer omzet worden naar elektriciteit in een brandstofcel. Dit is een bijzonder inefficiënt proces.

Je moet eerst met elektriciteit waterstof maken, dit opslaan, vervoeren en weer omzetten naar elektriciteit. Dit laatste gebeurt in een brandstofcel (fuelcell). Je hoeft geen raketgeleerde te zijn om te begrijpen dat dat veel verlies oplevert.  Om het waterstofgas volume te geven om een afstand te kunnen rijden moet het vloeibaar worden opgeslagen. Dat gaat onder extreem hoge druk (500-700 bar) en extreem lage temperatuur (-250 graden celcius). Je begrijpt dat dat technische complex, duur en ruimte innemend is. Voor een motorfiets (nog) ongeschikt. Voor zwaar vervoer veel beter…

Waterstof als brandstof voor brandstofmotoren  is geen issue meer, dat is tot 10 jaar geleden nog geprobeerd. Maken van waterstof, opslag en vervoer is hiervoor beschreven. Het verbranden van een duur gemaakte brandstof in een inefficiënte brandstofmotor hebben we nu 130 jaar gedaan … dat doen we niet meer, nog afgezien van de hoge verbrandingstemperatuur van waterstofgas in een brandstofmotor wat technisch grote problemen levert. Ik noem even wat. Waterstof moet vloeibaar worden ingespoten. Vloeibare waterstof verdampt constant als de motor loopt. Dit moet omdat anders de druk in de waterstoftank te hoog oploopt. Ook als de motor niet loopt. Gevolg is dat het voertuig ook waterstof verbruikt bij stilstand en dat wil je niet bij een duur gemaakte brandstof. Waterstof gedraagt zich anders dan benzine en de verwachtte vermogens worden bij lange na niet gehaald. De verbranding verloopt dus nog vele malen inefficiënter dan al het geval is bij fossiele brandstoffen. De hele constructie wordt zoals hierboven gezegd veel groter en ingewikkelder. (Bron BMW)

Wat moet er met de voertuigen die nu nog verkocht e worden en rondrijden?

Dat is inderdaad een punt, je ziet nu al dat fabrikanten worstelen om de emissie normen te halen. Het gaat hierbij niet om het individuele voertuig maar om het vlootgemiddelde. Dit is overigens niet iets van de laatste jaren maar iets wat al 40 + jaar speelt. De ouderen onder ons weten al dat we in halverwege jaren 80  van het lood in de benzine zijn afgegaan en steeds meer naar mix met ethanol. Dat in combinatie met steeds compactere motoren in de voertuigen die meer vermogen gingen leveren.

Door  de toenemende klimaat problematiek (je mag er in geloven of niet, maar dat doet er nu niet toe) en volksgezondheidsproblemen worden de emissie eisen snel steeds strenger aangehaald. Om de uitfasering van de brandstofmotor te ondersteunen wordt nu ingezet op bio fuels en E fuels. Deze E fuels worden bv gemaakt van CO2 die opgeslagen zit in de atmosfeer. Dus netto stoot je niks meer uit dan je verbruikt, (straks meer).  Bio fuels zijn gemaakt op basis van planten (resten) en plantaardige afval-oliën. De grondstoffen hiervoor zijn onlangs geoogste bio bestanddelen die deel uitmaken van deze CO2 cyclus. Echter, deze Bio fuels doen bij onjuist gebruik  een beroep op onze voedsel keten.

Nu wordt het interessant voor de petrolheads: E fuels zijn synthetische brandstoffen. Deze zogeheten e-fuels worden gemaakt met duurzaam opgewekte stroom en CO2. Die CO2 komt uit de atmosfeer of fabrieksschoorstenen. Het proces van E fuells begint met duurzame elektriciteit, opgewekt door windmolens of zonnepanelen (of naar smaak met aardwarmte of kernenergie). Die groene stroom gaat naar grote elektrolyse-apparaten die water ontleden in waterstof en zuurstof.

De waterstof gaat naar een fabriek waar de synthese plaatsvindt met CO2 tot de verschillende synthetische koolwaterstoffen: e-methanol, e-diesel, e-LNG en e-kerosine. Via een soortgelijke route — maar dan met stikstof in plaats van koolstof — is e-ammoniak te produceren. Deze brandstoffen hebben een e’tje in de naam (van ‘elektriciteit’), maar ze verschillen niet wezenlijk van hun fossiele broertjes. Ze zijn nu alleen niet gemaakt van organisch materiaal wat miljoenen jaren in de aardkorst is opgesloten.

Resumerend: Transitie brandstoffen, zoals bio en E fuels  worden gebruikt om de “uitstervende “ brandstofmotoren naar hun eind te helpen en toch de emissie doelen te halen. Waterstof elektrisch is geschikt voor industrie en zwaar vervoer. Batterij elektrisch voor personen vervoer en motorfietsen. Wie weet wat voor combinaties hiervan er in de verre toekomst zullen zijn … of nieuwe technieken …. 100 jaar geleden konden we toch ook niet overzien waar de brandstofmotor toe zou leiden!

Een keer elektrisch proefrijden, in Brabant (Helmond) kan o.a. bij:
//ikzoekeenmotor.nl/bedrijven/electric-motorbikes-nl/

The Cassiar Highway

Going South: The Cassiar Highway, Boya Lake

We brengen al een tijd verslag uit van de motorreizen die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakte. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets. Hier “The Cassiar Highway.

De voorgaande twee dagen reden we 1200 km over de Alaska Highway tot aan het begin van de Cassiar Highway (ook wel Highway 37geheten). Deze weg is nog niet zo oud, hij werd voltooid in 1972 als gravelweg en het is er nog altijd erg stil. Ik las dat er ongeveer 700 voertuigen per dag overheen rijden. De weg is 874 km lang en inmiddels, op een enkele kilometer na, geasfalteerd. Er zijn geen dorpen aan de weg en na de supermarkt bij Dease Lake duurt het een hele tijd voor je weer wat voorraad kan inslaan. We hebben er daarom uitgebreid boodschappen gedaan.

We hadden gehoord dat er bij Boya Lake een aardige camping was en dat die in een mooi gebied lag. We stopten op de hoek bij de afslag om ons er van te vergewissen dat we de goede kant opgingen.

Vrijwel direct dook er een nieuwsgierige vos op die graag wilde weten wat we dan wel voor eetbaars in die koffers hadden zitten. Hij liet zich ook gewillig fotograferen.

De camping is prachtig. We stonden vlak aan het meer en naast ons stond een Australisch gezinnetje.  De man was wel in Canada geboren en zelfs in de buurt. In de avond ging hij wandelen met zijn zoon in een draagstoeltje op zijn rug en vanwege de beren in de omgeving had hij de “bearspray” aan zijn riem vastgemaakt. Bearspray is gewoon traangas overigens. Hij had de veiligheidspin verwijderd zodat het direct gebruiksklaar was.

Het draagstoeltje kwam tegen de “trekker” en spoot het enorm irriterende goedje over vaders been. Hij zette snel zijn zoon op de grond en rende het ijskoude water in om zich af te spoelen. Er was geen stromend water op de camping. Later op de avond -rond middernacht- hoorden we een plons in het water en gingen kijken. Hij zat wederom in het water, in de loop van de avond was het branderige gevoel weer zo toegenomen dat hij het niet meer uithield. Om twee uur hoorden we hem nog een keer te water gaan.

De veiligheidspal kan je er maar beter in laten tot je het echt nodig hebt.

Op de camping spraken we met een jong, Duits, stel met drie kleine kinderen. De jongste was nog geen jaar oud, de andere twee waren kleuters. Ze waren op de fiets, ze konden door de kinderen niet erg ver fietsen op een dag, zo’n 50 km. Daar er verder geen campings meer zouden zijn, de komende 300 km vroeg ik hoe ze dat deden met overnachten. Dat zouden ze op de parkeerplaatsen doen langs de weg. En eten? Er zijn geen winkels. Nou dat zouden ze wel krijgen van automobilisten die er stopten. Over de beren maakten ze zich geen zorgen. We vonden het allemaal wel erg optimistisch om zo te reizen met zulke jonge kinderen. We hebben het er nog vaak over gehad…

Een uurtje lopen van de camping was er een beverdam en een “beaver lodge”. We wandelden er heen, maar de bevers waren niet te zien.

 

Zo’n lodge is best een indrukwekkend bouwwerk. Ze zijn vaak wel 6 meter hoog en hebben een diameter van 2 meter. De ingang zit onder water, je kan ze er dus niet in- en uit zien zwemmen. Het zijn complete flatgebouwen en ze bouwen ze meestal in twee dagen.

Op de terugweg naar de camping zag ik een meter of 10 naast het pad iets zwarts zitten en inderdaad was het een zwarte beer. Hij was druk in de weer met bessen eten en had gelukkig geen belangstelling voor ons. Helaas waren de foto’s niet helemaal scherp, pas later zag ik dat de camera had gefocust op een boompje. Ik had niet echt de tijd genomen, de beer was toch best dichtbij.

Verder rijdend naar het zuiden zagen we een kleine grizzly, vlak langs de weg.

Het was daar, eind juli niet warm, 9ºC in de ochtend en rond de middag max. 15ºC. Het weer was wat wisselvallig met af en toe een bui.

We namen de afslag naar Stewart en Hyder, dat is een enclave die hoort bij Alaska. Het is een ommetje van 130 km. Naar verluid kan je daar de grizzlies zien vissen op zalm. De zalmen waren er inderdaad in overvloed, de grizzlies waren er niet want we hoorden pas naderhand dat die er alleen ’s ochtends vroeg en laat in de avond zijn.  Dat vertellen ze je niet als je de entree betaald. We vroegen zelfs of er grizzlies waren die dag.

De rit was wel prachtig en voerde ons langs de Bear Glacier, die heeft blauw ijs.

Hyder is een leuk historisch dorpje, het hoort bij Alaska en dus de USA, je moet bij vertrek langs de Canadese douane. Wonderlijk genoeg niet als je er inrijdt en dus vanuit Canada de USA in gaat. Hyder heeft 63 inwoners en eigenlijk is alles er Canadees, ook het geld, alleen niet in het postkantoor, daar moet je met US$ betalen.

In 2019 is door de Covid de grens tussen de USA en Canada gesloten en de inwoners van Hyder konden de grens niet over, van maart tot eind oktober. De drie tieners die er wonen konden al die tijd niet naar school, want in Hyder is geen school meer. De school is in Stewart in BC. Nu mogen de inwoners in ieder geval de grens weer over, maar alleen voor boodschappen en school, niet voor sport en bezoek van vrienden of familie. De mensen zitten dus nu al acht maanden vast in hun dorp.

De laatste paar honderd kilometer op de Cassiar Highway zijn een beetje saai en je hebt er geen cell phone bereik en op de campings is geen wifi. Dan ben ik toch altijd weer blij dat ik de Garmin Inreach (Mini) mee heb, zodat als de nood aan de man is, er toch hulp ingeschakeld kan worden via een satellietverbinding, je kan over de hele wereld hulp inroepen als het fout gaat. Het apparaatje heeft niet alleen een noodknop, je kan er ook textberichten mee versturen naar elke cell phone en zelfs de thuisblijvers je spoor laten volgen op een website. Je kan de InReach met BT koppelen aan je smartphone en een app. en dan is het

Aan het eind van de Cassiar reden we de bergen weer in en het werd meteen een heel stuk warmer. De temperatuur liep op van 12-15ºC naar 28ºC.

We sloegen de tent vlak ten zuiden van Merrit op. Daar we op weg naar het noorden ook doorheen gekomen. De camping heette Moon Shadows, er pal naast lag een festival veld waar de volgende dag een muziekfestival zou beginnen.  Als voorgerecht draaiden ze er nu jaren 70 muziek en country, heel gezellig zo.

De volgende dag zouden we de grens met de “lower 48” passeren en de USA inrijden.    ( …… wordt vervolgd …… )

Tip redactie: Wil je meer lezen over de motorreisverhalen van Hans den Ouden? Klik dan op deze tag, of hieronder op de tag “Hans den Ouden”.

Van Anchorage naar Homer

All the way to land’s end and back.
Anchorage-to Homer…

Hier weer een volgend stuk van de motorreis die Hans den Ouden met zijn vrouw Dia maakt. Ze hielden een dagboek bij, en delen met ons alle beelden en verhalen. Als je onderaan op de tag “Hans den Ouden” klikt, dan kom je al zijn verhalen vanzelf chronologisch tegen. Alsof je meereist op je motorfiets.

We hadden nog geen camping op het oog toen we bij de BMW dealer waren in Anchorage, daarom vroegen we aan de dame die er werkte of zij er een kon aanbevelen. Ja zei ze, er zijn er een aantal, maar de leukste is bij de Harley-Davidson dealer en die is ook nog gratis. We reden er heen en meldden ons aan. Gezellige tent en aardige lui. De camping bleek een grasveld naast het gebouw te zijn en het sanitair was in het gebouw.

Er tegenover zaten meerdere restaurants. We bleken de enige gasten te zijn en daarbij was het een industrieterrein waar het was gevestigd. Dia zei meteen al dat ze het niet zo’n fijne plek vond, maar ik zei: “ach, wat kan er nou gebeuren?”

Afijn we hebben de tent opgezet en zijn gaan eten aan de overkant. Daar het redelijk uitgestorven was gingen we op tijd naar bed met het idee om vroeg te vertrekken. Om plm. 23:00 was er wat geschreeuw in de omgeving en dat hield niet op, het werd zelfs steeds erger. We zagen wat dronken zwervers op het terrein en bij het gebouw. Het was nog licht, uiteindelijk ben je in het hoge noorden. De lui waren evident dronken, aan het schreeuwen en luid aan het kotsen. Ze kwamen weliswaar niet in de buurt van onze tent, maar van slapen kwam het niet omdat ze ook steeds tegen de metalen vuilnisbakken schopten. Tot overmaat van ramp lag de “camping” strak onder de aanvliegroute van een plek waar watervliegtuigen landden. Gemiddeld kwam er elk kwartier een over en ze waren op dat moment ongeveer op 200m hoogte, een oorverdovend lawaai. Het werd zo geen goede nacht.

We besloten om 03:00u dat het mooi was geweest en hebben de tent afgebroken en we zijn vertrokken. We zagen tijdens het wegrijden uit de wijk dat er opmerkelijk veel zwervers in die buurt rondliepen.

 

Op naar het zuiden, langs de kust van het Kenai Peninsula. Rechts de zee en links de bergen. Een prachtige route, alleen hingen er dikke wolken boven op de bergen. Apart was dat het donkere wolken waren en wij reden in de zon.

Naderhand bleek dat het geen wolken waren maar rook van voorgaande bosbranden die bleef hangen tegen de bergwanden.

 

Aangekomen in Homer bleek dat de meeste campings vol waren. Alleen op de dure KOA camping was er plek voor ons en naast ons stond een andere BMW GSA rijder, Jeffrey uit Nieuw-Zeeland. Een schapenfokker die samen met een partner een grote schapenfokkerij uitbaatte. Omdat ze het samen deden kon hij elke jaar drie maanden op reis. Hij had heel Zuid-Amerika al gezien en dit was zijn eindpunt, nu ging hij net als wij omkeren en weer terug naar de “lower 48”. De motor liet hij steeds achter in de USA om het jaar daarop weer terug te keren.

Een paar duizend kilometer verderop stonden we toevallig weer naast elkaar op de camping in Whitehorse. Daarover later meer.

Opvallend was dat ook deze camping vooral was ingericht op RV’s, er was bijvoorbeeld maar één wc, wel vier douches, dat dan weer wel. De tentplekken zijn dan een soort gemalen steen met een houten omlijsting waardoor de tent er eigenlijk net niet op past. Dat hebben we vaker meegemaakt.

Er bloeien daar prachtige paarse bloemetjes, de camping stond er vol mee, maar ook de omgeving. Dat geeft een vrolijk beeld.

De volgende dag reden we weer terug naar Anchorage zochten een wat rustigere camping op en ontmoeten daar al weer een andere GS rijder, Charles uit Tennesse. Hij was gestopt met zijn baan en had geïnvesteerd in een aantal appartementen. Eens per maand vloog hij naar huis om zijn zaken te regelen en dan kwam hij weer terug om zijn reis voort te zetten. Dat deed hij nu al een aantal jaren.

Dinsdag, zoals gepland, waren we bij de BMW dealer voor de oliewissel. I.v.m de garantie deden we dit bij de dealer en verder onderhoud was nu niet nodig. Dat hadden we tevoren afgesproken met de dealer in Nederland.

We waren op dat moment 39 dagen op reis en precies 10.000 km onderweg. Vervolgens vertrokken we richting Tok. Een prachtige stuurweg. Helaas betrok de lucht na 200 km en voordat we ons regenpak hadden kunnen aantrekken begon het keihard te regenen. Gelukkig duurde het maar een minuut of 20 voordat de zon weer doorbrak.

In de middag werd het weer somber en we besloten in het plaatsje Glacier View een kamer te zoeken. In de Mountain Goat Lodge had je geen eigen badkamer maar er was wel een bubbelbad dat je kon reserveren. Vanuit het warme bad kijk je uit over de bergen. Prima zo.

In de avond kwamen we aan in Tok waar we verbleven op de Eagle Claw Motorcycle Campground.  Op internet stonden nogal wat verhalen over deze camping. Het zou een prima plek zijn waar je geweest moest zijn als motorrijder. Wij vonden hem evenwel matig en aan de prijs. Achteraf lag er tegenover een veel betere camping die de helft kostte. In de ochtend vertrokken we richting Whitehorse via Beaver Creek. We kwamen vroeg langs de grens en moesten de gebruikelijke vragen beantwoorden aan de Canadese douane. Heeft u wapens bij u en heeft u drugs bij u? Dat is eigenlijk het enige wat ze vragen en dan mag je weer door.

We hadden inmiddels contact gehad met Eldo Ens van het Visitors Centre in Dawson City en die vond het een prima plan als we de, van hem geleende, jerrycan achterlieten bij de Fries, Sid geheten, van het Visitors Centre in Beaver Creek. Al die Friezen daar kennen elkaar.  Het was een kille dag, 10º C, dus Dia maakte nog even van de gelegenheid om nog een extra laagje aan te trekken onder haar pak. Aan het eind van de middag arriveerden we in Whitehorse en hadden er 600 kilometer opzitten. En even later kwam ook Jeffrey uit Nieuw-Zeeland de camping op rijden.

Hij had inmiddels ook drie keer lek gereden en ging net als wij de volgende dag naar de Yahama dealer voor nieuwe banden.

Nu waren onze voorbanden met inmiddels 14.000 km ook aan vervanging toe. Dia vond het wel een uitdaging om de voorwielen zelf te demonteren en met een beetje hulp van Jeffrey ging dat prima.

Daarna reden we verder naar het zuiden naar de Cassiar Highway (Highway 37). Paul van Hooff schreef er uitgebreid over in zijn boek “Man in het zadel”. Toen was de weg nog niet geasfalteerd en waren benzinepompen schaars. Nu is het strak asfalt en kan je elke 100 km tanken. Winkels en restaurants zijn er nog wel schaars, maar ja er woont ook vrijwel niemand. In Dease Lake is een supermarkt, dat is het dan wel. We hadden gehoord dat de camping bij Boya Lake de moeite waard was, dus daar sloegen we af.

Volgende keer de vos, de bevers en de beer en dan de verder de Cassiar Highway af.

Wil je meer lezen over de motorreizen van Hans en Dia?
Tik hier op de tag.