Categorie archieven: Gastcolumns & blogs

Coos op Reis: dit gaat écht gebeuren!

Gisteren stelden wij Coos van der Spek aan jullie voor. Vandaag zijn eerste verhaal in de serie: Coos op Reis: We publiceren dit graag zoals Coos het aan het begin van zijn pensionering schreef, de reis is dus al gemaakt, wij kijken mee in de film van Coos.

Een droom wordt werkelijkheid.

Ik ga binnenkort een paar maanden met mijn motor door Europa trekken. Tentje mee. In mijn eentje. Ja, ik weet het… Mijn motormaten noemen mij nu al Remi, vertellen dat ik een egoïst ben, zijn kwaad en wensen mij veel lekke banden. En tóch ga ik héérlijk in mijn eentje. Géén overleg, géén discussie, géén ergernissen, géén verantwoordelijkheden. Vrijheid!

Eind februari vertrek ik. Ergens eind mei ben ik terug. Óf eerder als ik heimwee krijg…

Omdat het in februari in Frankrijk voor mij nog niet warm genoeg is en ik daarom tóch alleen maar snelweg zou rijden, laat ik mijn motor vanaf Klundert met de vrachtauto naar Barcelona rijden. Nord-Cargo rijdt dagelijks o.a. naar Barcelona, Malaga etc.

Ik heb vandaag daar de manager gesproken en goede afspraken gemaakt. En ik heb in Klundert gezien hoe alles werkt. Ik rijd straks zelf mijn motor op een ijzeren rek en ben er bij als ze hem vastzetten. Het rek wordt met een vorkheftruck in de vrachtauto geplaatst. Mijn zijkoffers, tassen, motorkleding, laarzen en helm reizen op een aparte pallet mee.

Na ontvangst van de motor in Klundert brengt de manager mij naar station Zevenbergen. Vandaar kan ik in mijn gewone kleding met de trein naar huis. Een dag later vlieg ik in datzelfde kloffie naar mijn hotel in Barcelona en … wandel ik ‘s avonds over de Ramblas. Ik denk zo maar dat ik daar tapas eet en een San Miguel drink. Wellicht twee..

Twee dagen later pikt een medewerker van Nord Cargo mij bij het hotel in Barcelona op. Hij brengt mij 25 km verderop, naar de plek waar mijn motor veilig binnen staat. Dáár trek ik mijn motorspullen aan, start de motor en dender met een heerlijk lente-temperatuurtje richting het zuiden. Dat is het eerste deel van het plan. En dan volgt het vervolg…

Zo’n 600 km richting Gibraltar, bij Murcia, heb ik inmiddels voor een week een appartement gehuurd. Een mooie uitvalbasis voor wat tripjes de bergen in én op loopafstand van eettentjes, het centrum én… het strand!

Via Zuid-Spanje zal ik naar Portugal rijden. Dan via de westkust terug naar Noord-Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië en Zuid-Italië. Afhankelijk van het weer én het tijdstip én of het daar veilig is, kom ik óf via Italië weer richting huis óf vaar ik eerst over naar Griekenland.

Inmiddels ben ik aan het genieten van de voorbereidingen: heb ik in Moerkapelle de bovenzijde van mijn koffers tegen onnodig beschadigen beschermd, in Zoetermeer extra bagagetassen voor óp mijn drie koffers plus bevestigingsmaterialen gekocht, in Woerden een stoeltje en een gasbrander en in Gouda een pannetje, bord en bestek en een plastic wijnglas aangeschaft, in Amsterdam een speciale laptop voor mijn routes kado gekregen etc etc.

Kortom! Ik ben er bijna klaar voor… Hééé, hoe klinkt dat? Als een plan? Een goed plan?

Coos op Reis: Drie maanden met de motor door Zuid-Europa

Ikzoekeenmotor.nl stelt je graag voor aan een nieuwe motorreis-verhalenverteller: Coos van der Spek. We gaan nog heel wat verhalen van hem lezen. We publiceren dit zoals Coos het aan het begin van zijn pensioen schreef, de motorreis is dus al gemaakt, wij kijken mee in de film van Coos:

Coos van der Spek (1952) droomde op de Middelbare School op 14-jarige leeftijd al van brommers. Na zijn bromfietsperiode haalde hij direct in 1970 op 18-jarige leeftijd zijn motorrijbewijs in Rotterdam. Overigens in vijf lessen á negen gulden per uur. Vervolgens keerde hij zijn spaarvarken om en schafte een spiksplinternieuwe Honda CB250 aan. Daarmee stak hij voor het eerst van zijn leven de grens over en ging met zijn huidige vrouw met een tentje op vakantie naar Zwitserland. Vele motorreizen en avonturen volgden. En zó begon het motorleven van Coos….

Coos startte in 1969 zijn arbeidzame leven als shiftleader-operator in de ICT. Na een paar jaar avondstudie klom Coos snel via analist-programmeur op naar ontwerper en projectmanager. Aanvullende avondstudies zorgden ervoor dat hij het grootste deel van zijn vijftigjarige (!) carrière als manager leiding mocht geven aan grote ICT-afdelingen en interessante omvangrijke en complexe ICT-projecten. Coos werkte bij bedrijven als Melkunie, ISS en DAS Rechtsbijstand.

Kort na zijn pensionering liet Coos een oude droom in vervulling gaan. Hij startte zijn drie maanden durende avontuurlijke motorreis door Zuid-Europa.

In de komende maanden zal hij regelmatig op zijn eigen en kenmerkende wijze ‘een luchtig verslag’ over zijn avonturen schrijven. We kijken nu al uit naar zijn verhalen.

Coos (1952) is getrouwd met Janny (1951). Zij wonen sedert 1990 in Linschoten, een dorpje onder de rook van Utrecht. Zij hebben een dochter Danielle (1978).

Tip van de redactie: als je onderaan de artikelen op de “tag” Coos van der Spek” klikt, of links op deze banner, dan kom je straks vanzelf in zijn serie van verhalen. We starten vandaag… 

De laatste tien dagen in Canada


De afgelopen maanden hebben we kunnen genieten van de reisverhalen van Hans en Dia. We hebben genoten van al hun routes door Noord-Amerika (Canada en Alaska). Namens de redactie@ikzoekeenmotor.nl willen we Hans en Dia enorm bedanken voor al hun verhalen! Hier het 15e verslag:

“Aan alles komt een eind, zo ook aan deze reis. Dia en ik reden in totaal 26.000 kilometer in een krappe drie maanden. Het was een fantastische reis, we hebben er dubbel en dwars van genoten. Ik zou het zo weer doen.

Na deze reis zijn we een maand thuis geweest en toen naar Nepal vertrokken. Het volgende grote reisplan is om de motoren naar Valparaiso te verschepen en dan eerst naar het zuiden te rijden tot Tierra del Fuego en dan naar het noorden door Zuid-Amerika, Midden-Amerika en dan naar de USA en Canada. Dat hadden we gepland voor het najaar van 2020, maar nu hopen we in het najaar van 2021 te kunnen vertrekken.

Maar nu eerst het verslag van de laatste tien dagen in Canada.

Op 4 september reden we weg uit Lytton richting de Rocky Mountains. We wilden nog een rondje over die prachtige wegen rijden en naar het prachtige Lake Louise.

De kilometerteller stond inmiddels op ongeveer 23.000 km. We wilden gaan kamperen in het plaatsje Golden. Wachtend op een ferry, die hier allemaal gratis zijn, spraken we een aantal andere motorrijders. Een er van was een ex-leraar, geboren in Nicholson.

Hij vroeg waar we heen gingen en hij adviseerde ons om door te rijden naar Nicholson, omdat de camping in Golden vlak naast een spoorcomplex lag en daar zou het erg lawaaiig zijn door de diesellocomotieven.  De camping stelde inderdaad niet teleur. We waren er vrijwel alleen.

Eveneens op zijn advies reden we de volgende dag naar het Bugaboo National Park. De weg daarheen is een Forest Service Road. De eerste 15 km waren prima, maar daar het de nacht er voor flink geregend had, was de weg een enorme modderpoel. Er kwam nog bij dat het landschap  minder spectaculair was dan er was voorgesteld. Daar hadden we geen trek in, het moet tenslotte niet op werken gaan lijken.

We keerden terug richting Highway 95 en reden langs de Kootenai River. In de namiddag bleek dat het bij Lake Louise nog drukker was dan in juni. We hadden geen zin om in de file te staan voor het parkeerterrein, dus wederom hebben we het gelaten voor wat het was. Ook in Banff was het vreselijk druk met zeer veel toeristen.

Over de Highway 93 reden we richting het Jasper Park. We wilden het rustig aan doen en stopten al om 11:30 uur bij de “Mosquito Campground”. Er waren gelukkig niet veel muggen. We waren precies op tijd om het laatste plekje op de camping te bemachtigen.

Tijdens een wandeling in de middag ontmoeten we een ouder Duits echtpaar met een camper, ze konden de camping niet vinden. De bewegwijzering was ook niet erg duidelijk. We zeiden tegen hen hoe ze moesten rijden, maar dat de camping waarschijnlijk vol was en dat ze desgewenst bij ons op de plaats konden komen staan. Bij toeval wist ik het nummer nog uit mijn hoofd. De plaats was zo groot, dat er makkelijk drie tenten op konden staan, zonder dat je mekaar in de weg stond. Het is opvallend hoe groot de plaatsen zijn op de campings, maar het aantal plaatsen is beperkt. Toen we later terugkwamen bleken ze er inderdaad te staan. We werden beloond met een paar koude biertjes en het aanbod dat zij de plek zouden betalen. Het bier hebben we aanvaard, maar de plaats was niet duur en toch al betaald.

Op 6 september reden we weer naar Jasper. Het eind van de tocht begon te naderen, hierna zouden we weer richting Vancouver gaan. Het was erg koud ’s nachts en mijn slaapzak begon wat oud te worden. Dan is een temperatuur rond het vriespunt toch wel wat frisjes. Ik heb die slaapzak al weer een jaar of 15. Met een Cordurahoes om de slaapzak, een muts op en een extra laag motorondergoed aan, kroop ik al vroeg onder de wol.

Dia ontmoette de volgende morgen een groep “elk” dames (elanden) die de ingang naar het toiletgebouw blokkeerden. De parkwachters kwamen ze wegjagen, zelfs van de camping af. De kudde was hiervan duidelijk niet onder de indruk, want een half uur later waren ze weer terug, maar nu bij onze tent. Ik kon ze mooi fotograferen. Ondanks dat ik afstand hield vond de heer van de kudde dat niet voldoende.

Met zijn imposante gewei kwam hij in gestrekte draf op me af. Ik voelde een stevige adrenaline stoot en rende een stukje voor hem uit, tot ik achter een boom kon schuilen. Hij bleef staan en liet zich fraai fotograferen. Ik moet zeggen dat ik meer onder de indruk was van het optreden van deze eland, dan van de beren en bisons die we onderweg waren tegengekomen.

We verlieten de camping om richting Sorento te rijden waar neef Norman met zijn vrouw Pauline woont aan het meer (Lake Shushwap). Ze hebben er een prachtig plekje, pal aan het meer. We zouden met hen, de volgende dag de omgeving gaan verkennen en het meer in de rondte rijden. Maar het weer zat tegen, dus lieten we dat achterwege. De Triumph van Norman kon op stal blijven. Wel hadden we een gezellig diner, ook neef Doug met zijn vrouw Ruth waren aanwezig. De volgende dag vertrokken we alsnog in de regen, gelukkig klaarde het al vrij snel op. Verder hebben we geen regen meer gehad.

We namen de prachtige Highway 99 richting Lillooet, langs de Fraser River. Onderweg stopten we om foto’s te maken en we spraken met een jong Frans stel. Ze waren op hun motoren vanuit Frankrijk naar Zuid-Korea gereden en daarna hadden ze de motoren verscheept naar Japan. Vandaar uit waren ze met het vliegtuig naar Vancouver gevlogen en nu waren ze drie dagen in British Colombia. Wat een reis! We begonnen meteen ook te filosoferen over onze volgende reizen want het reisvirus zit inmiddels diep in ons geworteld.

Vancouver kom je aan de noordkant de stad binnen en daar bleek dat het stadsverkeer erg druk te zijn. Op elke straathoek staan er verkeerslichten en we deden er drie kwartier over om het Richmond te bereiken waar het vliegveld vlak naast ligt. We hadden daar een B&B geboekt zodat we de volgende dag gemakkelijk de motoren konden inleveren,

De B&B bleek midden in “China Town” te liggen en de dame van de B&B was ook Chinees en sprak geen Engels. Google Translate bracht uitkomst. De kamer was zeer ruim en kostte nog geen €40.-

De thuisreis verliep verder ongecompliceerd. Vanaf Vancouver duurt de vliegreis naar Nederland 9 uur en er is een tijdsverschil van eveneens 9 uur. Alles bijeen is dat tamelijk vermoeiend. Het inklaren van de motoren in Nederland verliep redelijk vlot en de laatste 80 km naar huis, waren na de 26.000 km aan de overkant eigenlijk zo voorbij.

Zes weken later zaten we in het vliegtuig naar India om vandaar naar Nepal te rijden op Royal Enfields.”

Wordt vervolgd…

Wil je alle verhalen van Hans en Dia lezen, klik dan op deze link.

Vancouver Island

In onze vervolgserie motorreisverhalen weer een prachtig artikel van Hans den Ouden die met zijn vrouw Dia de mooiste motortrips maakte die je je maar kunt voorstellen. Je kunt ze allemaal vinden via deze tag.

Van Port Angeles in het noorden van de staat Washington namen we de ferry naar Victoria op Vancouver Island. We hadden geen idee hoe laat het schip vertrok, alleen dat hij regelmatig ging. Dus natuurlijk hebben we er net eentje gemist. Na verloop van tijd konden we toch mee. De ferry had niet veel ruimte voor de motoren en die werden op een wat provisorische manier tussen de auto’s aan de wand van het schip vastgemaakt. Gelukkig was de zee rustig. Victoria is de hoofdstad van British Columbia en een echte toeristentrekker. Het was er erg druk en wij zijn er daarom zo snel mogelijk uit vertrokken.

Op Vancouver Island zijn maar weinig wegen. Er is een weg naar het noorden en er zijn wat zijwegen aan deze weg, maar je kan dus geen rondje rijden. Ten noorden van Victoria loopt de weg langs de oostkust en zie je het vaste land aan de overkant liggen. Nabij Qualicum Beach reden we Highway 4 op richting Port Alberni.

Daar woont neef Doug met zijn vrouw Darcy, ik had de papieren voor de terugreis van de motoren bij hen laten afleveren, dus dat was goed geregeld. De transport firma had onderweg contact met  ons opgenomen dat er wat wijzigingen waren en daardoor genoodzaakt waren nieuwe papieren te verzorgen. Vooral de Airway Bill is een essentieel papier, dat perse als “hard copy” bij de motor aanwezig moet zijn.

Na de lunch reden we door naar Tofino aan de westkust van het eiland. Het het plan was om daar een paar dagen te blijven en er een walvissen tocht te maken. De weg tussen Port Alberni was echter onder constructie waardoor er steeds maar een kant op gereden kan worden gedurende enkele uren. We moesten daarom een uurtje wachten voor we verder te kunnen rijden.

Aan het eind van de middag in Tofino bleek dat alle campings vol zaten, evenals de hotels. Een eindje naar het zuiden ligt Ucluelet. Dat is een leuk plaatsje en er was ook nog plaats op de camping.

De whale watching tour was gelukkig van hetzelfde bedrijf als in Tofino. Ik had tevoren uitgezocht met welke maatschappij we dat zouden willen doen. Sommige varen met trage, grote schepen en we hadden een voorkeur voor een rib. Die varen sneller en kunnen makkelijker bij de walvissen komen als die verder weg zijn. Het is voor de schepen verplicht, voor de veiligheid van de dieren, niet te dicht naar ze toe te varen. De soort die er veel voorkomt is de humpback whale, de bultrug.

Zodra je de haven van Ucluelet uitvaart kom je langs een aantal plaatsen waar groten aantallen zeeleeuwen liggen. Als je wel eens zeehonden bent wezen kijken bij de waddeneilanden, dan weet je dat  je die daar meestal als kleine streepjes op het strand ziet liggen en een enkele keer eentje naast de boot. Hier zijn ze echter in grote aantallen aanwezig en op korte afstand te bezichtigen.

De Humpbacks waren gelukkig ruim vertegenwoordigd en ze bleven een tijd in de buurt. Het zijn niet de grootste walvissen, maar 12-15 meter is toch indrukwekkend. Ze wegen 25 tot 30 ton. Het is lastig om vanaf een deinende rib met een 600 mm lens goed scherpe foto’s te maken, maar gelukkig kan je tegenwoordig net zo vaak knippen als je wilt en dan zijn er altijd wel een paar goede bij. Overigens zagen we ze later ook nog vanaf de ferry en tijdens de grizzly beer tocht.

De volgende dag reden we richting Telegraph Cove. Dat is 446 km naar het noorden. Vancouver Island is iets groter dan België om even de maat aan te geven. Telegraph Cove is een honderd jaar oud vissersplaatsje met 20 inwoners, de weg er heen is schitterend. Het bestaat alleen van het toerisme en vooral het ecotoerisme. Je kan er walvistochten maken, dat zijn hier voornamelijk orca’s. Wij gingen hier naar toe, omdat je er ook speciale grizzly beer tochten kan maken. De prijs daarvan was weliswaar fors, €255 per persoon voor een dag, maar de dag was onvergetelijk en zie je geen beren dan mag je nog eens mee.

Wij zagen grizzlies van zeer dichtbij, gespot door een van de andere gasten en niet door de begeleiders. Verder waren ook hier de zeeleeuwen talrijk aanwezig en op de terugweg naar de haven moesten we nog uitwijken voor een humpback whale.

De volgende morgen reden we naar Port Hardy en gingen aan boord van de ferry. Om op het vaste land te komen moet je drie verschillende ferry’s nemen, dus je bent wel een tijdje onderweg. De overtochten waren geen straf, want het was prachtig weer en onderweg zagen we weer diverse walvissen, zelfs vrij dicht bij het schip. We hadden besloten, aangekomen op het vasteland, als nog te gaan raften in Lytton.

We reden daarom wederom via de Sea to Sky Highway richting Whistler. Toen we bedachten dat het mooi was geweest, bleek dat de eerstvolgende camping nog 50 km verder op was. Het was snikheet en een hotel met airconditioning leek een goed plan. We vonden er snel een. Het was net overgenomen door een nieuwe eigenaar, een Chinees. Alleraardigste mensen maar ze spraken weinig Engels. In de tuin dachten we twee grote, zwarte honden te zien liggen. Bij nadere inspectie waren het echter twee zwarte beren.

Overal wordt er gewaarschuwd om je vuilnis goed op te ruimen want de beren komen er op af en zoals wordt aangegeven: “Een gevoede beer, is een dode beer”. Ze blijven terugkomen en vormen dan een gevaar voor de mensen, waarna ze worden afgeschoten. Deze kennis had de hotelier kennelijk nog niet bereikt. Maar ik kon wel van dichtbij, mooie foto’s maken, van de spelende beren.

De volgende dag waren we weer in Lytton om te gaan raften met de Kumsheenrafting company. Dat is echt bijzonder spectaculair, “white water rafting”. Na instructie in de ochtend en wat oefenen op relatief rustig water. We gingen met 4 boten met ieder zes gasten het wilde water van de Thomson River op. Het water was zo wild, dat een aantal boten omsloeg in een van de verblokkingen. Twee mensen, uit India, vielen uit een andere boot in het water en bleken niet te kunnen zwemmen. Ondanks de zwemvesten raakten ze volledig in paniek en verdronken daardoor bijna. Ze bleven met hun gezicht naar beneden in het water liggen.

Wij konden er een uit het water trekken en daarna weer overhevelen naar de eigen boot. De andere drenkeling werd door een andere boot uit het water getrokken. Die gaan dit dus nooit meer doen. Het was een enerverende dag. Na terugkomst bij het bedrijf, kan je buiten in de hot tub weer ontspannen.

We reden de dag er na richting Banff om vandaar naar het noorden te rijden.

Voor wie de bewegende beelden wil zien, check:

Norton’s en BSA’s op de bodem van de zee

Behalve motorreizen kun je ook duikreizen maken. Soms komen de hobbies dan samen. Dia en ik (Hans) duiken al weer vele jaren samen en we zijn op prachtige plekken geweest, maar de Rode Zee is favoriet om naar toe te gaan. Zo deden we een aantal keren de tocht die bekend staat als de “Noord Riffen en Wrakken Route”. We doken een tiental keren op het wrak van de SS Thistlegorm. We hebben onder water gefilmd. Hier een filmpje. Onderaan nog twee.

Normaal zong er al over: Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA. In het wrak van de Thislegorm liggen er zo’n 100. Het schip had twee dekken. Op het bovenste dek staan de BSA’s en op het lagere dek de Nortons.

Het schip de SS Thistlegorm werd op 09-04-1940 te water gelaten en het verging op 06-10-1941. Het maakte toen deel uit van een konvooi van 16 schepen dat op weg was naar Alexandrië om het achtste Britse leger in Tobruk te bevoorraden.

 Nergens in de wereld is er een wrak waar meer op gedoken wordt dan op dit schip. Het schip ligt redelijk diep, de bodem bevindt zich op 30 meter, gelukkig staat het rechtop op de bodem. Het bovenste dek is op 16 meter. Maar omdat het op die diepte ligt, kan je niet het hele wrak met een lengte van 128 meter, in een duik bekijken. Omdat het ter plaatse hard kan stromen is het een uitdagende duik en niet direct geschikt voor de beginnende duiker. In duiktermen: Padi Advanced of CMAS 2* wordt geadviseerd en omdat je er niet makkelijk zelf kan komen, zal een duikbedrijf je er niet snel mee naar toe nemen als je geen ervaren duiker bent.

 Omdat het vaak erg druk is, was het uitzonderlijk dat wij er een paar keer alleen op gedoken hebben. Er was verder niemand, ook de divemaster van het schip ging niet mee. Vooral de nachtduiken die we er samen op gemaakt hebben waren spectaculair.

Het schip werd in 1952 ontdekt door Jacques-Yves Cousteau, maar het bleef daarna lange tijd onopgemerkt. Begin jaren 90 werd Sharm El Sheikh een populaire duik bestemming en sindsdien is het er dus heel vaak zeer druk.

Het verhaal van het schip: De Thistlegorm was bezig aan de vierde reis en moest wachten bij Sha’ab Ali (Veilige ankerplaats), omdat een tanker op een Duitse mijn was gelopen bij het begin van het Suez Kanaal. Twee Heinkels He-111 bommenwerpers waren op de terugweg naar Kreta om te tanken toen ze bij toeval op het konvooi stuitten. Een van de bommen raakte het schip precies op de plaats waar munitie was opgeslagen was de ravage enorm. Het schip brak bijna in tweeën en zonk snel. Er kwamen vier zeelui en vijf marinemannen om het leven. De anderen konden worden opgepikt door een van de overige schepen van het konvooi.

Overigens werd een van de Heinkels uit de lucht geschoten vanaf een ander schip.

Vrijwel alles is op het wrak achter gebleven zoals dus de BSA (Birmingham Small Arms) motoren, karabijnen (Lee Enfield), tanks (UC-MKII), Wellington laarzen en twee stoomlocomotieven. Er zijn ook een aantal karretjes aan boord die vaak versleten worden voor zijspannen van de motoren. Het zijn echter de onderstellen voor de Lysanders en Raf laders om vliegtuigen mee te starten.

De Norton’s in ruim no 2 staan op Fordson War Office Transport Trucks. Overigens zijn er wel een aantal motoren verdwenen van het wrak en verkocht op de zwarte markt. Ook Jacques-Yves Cousteau nam er een motor mee.

Het schip lijdt erg onder het afmeren van alle toeristenschepen.Veel leggen aan direct op het schip en door de deining en stroming wordt er veel schade aangericht. Door de jaren heen zagen ook wij hoe het achter uit is gegaan. Zowel de meertouwen als de luchtbellen van de duikers zorgen voor erosie.

Men schat dat er ongeveer een miljoen mensen op het wrak gedoken hebben en dat het ongeveer $100 miljoen aan inkomsten heeft gegenereerd voor Egypte. Dat is meer dan de piramides opbrachten.

De Nortons zijn van het type 16 H, zie foto. Norton was de belangrijkste motorfiets leverancier voor het Britse leger en leverde ongeveer 100.000 motoren na het begin van de oorlog in september 1939.

De BSA’s zijn van het model W-M20. Ook hiervan zijn er 125.000 gebouwd in de loop van de jaren. De BSA’s zijn ook aan de legers van andere landen verkocht.