Tag archieven: Zuid-Europa

Coos op Reis: VERWACHTINGS MANAGEMENT

Prachtig weer. (Weer voor Coos op Reis.) Geen wolkje. Het is nu al 22 graden. Om 10:00 uur stap ik op mijn kasteel. Mijn ontbijt zit al diep achter mijn kiezen.

Mijn flesje met oogdruppels tegen de pollen mik ik weg. Waarschijnlijk is de vloeistof niet meer in orde. Gaat ook maar een maand mee, staat op de verpakking. Ik heb veel last van mijn ogen door de pollen. In mijn rechteroog zie ik wat kristalvorming en in mijn linkeroog zitten eiwitachtige draadjes. Het voelt alsof een ooghaar in mijn oog zit. Het kijkt niet lekker. Gelukkig zitten er nog meer flesjes in de voorraadtassen. Ik heb alles bij mij. Mij kan niks gebeuren. Ik ben een avonturier zonder risico’s. Ik spreek met mijzelf af om vandaag niet meer in mijn ogen te wrijven…

Ik wil de verkeersdrukte vermijden. Op mijn Garmin kies ik een plaatsje dat op 50 kilometer ten noordoosten van Genua ligt. Ik rijd de camping af, rij eerst een heuvel af naar beneden, dan drie ouwe straatjes door, langs twee armoedige flatgebouwen, rol over een stokoude brug en rij zó de bergen in. Joepie. Ik heb van de drukte en de warmte van Genua helemaal niets meegekregen.

Note: onbewust van het gevaar vermeed ik met mijn handigheidje daarbij de op dat moment gevaarlijkste brug van Italië: slechts vier maanden later zou Ponte Morandi instorten. Dat kostte 43 mensen hun leven. Deze verkeersbrug van voorgespannen beton werd half in de jaren zestig gebouwd.

De weg klimt de bergen in en we stijgen tot bijna 800 meter hoogte. Het is hier heerlijk koel: 20 graden. Wat een geluk. Het eerste stuk is superasfalt. Stroef. Het draait en draait en stijgt en daalt tot ik er horendol van word. Er is hier bijna geen enkel recht stukje weg. En het is lekker rustig op de weg. Af en toe zie ik in de diepte de auto’s op de tolweg in de zon glinsteren.

Wat later worden de weggetjes smaller en steiler. Soms houdt de kwaliteit van de wegen het midden tussen een beroerd weggetje en een knap karrenspoor. Er ligt ook veel steenslag op. Het is af en toe ook gruwelijk steil. Zo steil dat er soms bochten van meer dan 180 graden zijn. Er staan borden met daarop ‘tornanti’, maar die helpen niet, hoor. In sommige bochten val ik bijna stil. Dan moet ik er donders goed op letten om eventueel mijn bergbeen en niet mijn dalbeen neer te zetten, anders lig ik als ridder met mijn lange staken en mijn ventilerend maliënkolder onder de stenen en balken van mijn kasteel, te wachten tot er een Italiaan komt om mij uit te graven.

Maar het gaat goed en het is prachtig allemaal. Ik kan wel blijven stoppen om foto’s te maken. Maar ik moet dóór! Dit is een forse dag. Ik heb een einddoel.

Ik kom weer even beneden. Daar is het ondertussen 30° geworden. Ik was er al bang voor. Ik gebruik alle ventilatiekanalen in mijn Stadler-pak: de ramen op mijn borst èn de mouwen staan open. En ik heb mijn doorwaaihandschoenen aan. Als ik maar rijd, dan is het goed uit te houden. Ik ben wel tevreden zo.

Om nóg meer last van mijn ogen te voorkomen, houd ik het buitenste vizier van mijn helm maar dicht. Maar dat is wel erg benauwd bij deze temperatuur. Dus open ik dat vizier en schuif het donkere zonnevizier naar beneden. Ik heb een hekel aan dat zonnevizier. Mijn ouwe-mannen-ogen kunnen het verschil tussen de zon en de schaduw sowieso niet zo goed overbruggen. Een fietser met een zwart pak in de schaduw? Ik rijd hem plat. Ik heb het probleem ook als ik met lage zon aan het tennissen ben. Of bij het tennissen in een hal met kunstlicht. Maar goed, ik probeer het maar even zo.

Voor het eerst tref ik in een Italiaans dorp een zogenaamd snelheidsregulerend stoplicht aan: die blijven oranje knipperen of op groen staan als je je aan de toegestane snelheid houdt, en anders springen ze ff op rood. Kan je een minuutje afkoelen.

Spanje staat er vol mee. De eerste keren had ik het daar niet zo in de gaten. Toen sprong het oranje knipperende licht plots op rood. Ik schrok ervan en gaf een poep gas. Toen leerde ik ook dat als ik maar grof genoeg op dat knipperende licht af denderde, ik er door kon zijn vóórdat het rood werd. Haha. Wel wat onbehoorlijk. In Italië fotograferen ze ook bij dat soort lichten, dus ik neem het risico maar niet meer.

Ik koop een complete salade bij de Coöp en samen met mijn vork zoeken wij een plekje in de natuur op om ‘m lekker op de peuzelen. Ik hoor in de verte een gierend geluid. Het komt snel naderbij. Ik pak snel mijn iPhone … en het filmpje laat ik jullie straks nog even zien…!

Later kom ik ook weer even aan de kust, maar dan slingert de route toch weer de bergen in. Ik kan daar lekker doorrijden en het blijft er koeler. Ik slinger deze dag wel zo’n 200 km door de bergen. Heerlijk.

De laatste honderd kilometer gaan weer langs de kust. Anders wordt het teveel gepuzzel. Het is heet. Pfff.. Ik heb trek in een ijsje. Ik kan aan niks anders meer denken. Ik moet en ik zal een ijsje. Dus rijd ik Lerici in. Dat blijkt autoluw te zijn. Maar ik ben geen auto. Dus ik vind mijn ijsje. Het is drúk op het strand. Als mieren liggen ze daar op en naast elkaar.

Als mijn ijsje op is wandel ik weer terug naar mijn motorfiets. Ik ben net op tijd om te voorkomen dat zij met haar zijstandaard wegzakt in het gloeiend hete asfalt.

Foto! Lekker warm hier, hoor…

Ik rijd het laatste stuk van de route. En ook hier lonken weer de dames van lichte zeden. Gewoon aan de snelweg. Ze staan half naakt bij kleine inritjes. Grappig woord… De service vindt waarschijnlijk plaats in je eigen auto. Heb ik weer, ben ik op de motor! Maar ja, het zal je dochter maar zijn. Vrijheid, blijheid. En als het hun vrije keus is, dan moeten ze het allemaal zelf weten. Maar we weten allemaal beter.

Ik ben nu bij Livorno. Een camping gevonden dírect aan het strand. Schofterig duur.
Tja, er is hier geen concurrentie, vertellen ze doodleuk bij de receptie. Het is wel erg luxe. Het is bijna het nivo van een hotel.

Ik blijf hier tenminste twee dagen.

Morgen weer een lekker boekje lezen op het privé-strand van de camping. Morgen mooi weer! En aan het strand zijn altijd minder pollen.

Ik vond het een lekkere dag. Prima aangepaste route. Lekker gereje…

VERWACHTINGSMANAGEMENT

Even iets aan verwachtingsmanagement doen? (Let op, info redactie: dit artikel is een eerder jaar geschreven en wij publiceren deze serie dus later.)

Uiterlijk woensdag 9 mei ben ik weer thuis in Linschoten. Vlak voor het lange weekend met veel mensen in drukbevolkte hotels. Want donderdag is het Hemelvaartsdag. Tja, en vrijdag 11 mei wordt mijn oude moedertje 88 jaar. Ik wil erbij zijn. Ze trakteert de familie ‘s avonds op een etentje in Breda. En … die dag halen we dan ‘s morgens onze nieuwe auto op…

Owja, het filmpje! Ik hoor in de verte een gierend geluid. Het komt snel naderbij. Ik pak snel mijn iPhone en …..

 

Coos op Reis: WIJ DUITERS BEGRIJPEN ELKAAR

Het is 20 april. (We publiceren hier het 52e verhaal in onze serie Coos op Reis. Coos reist drie maanden door Zuid-Europa, schreef bijna dagelijks een verslag, en wij pubiceren ze wat trager hier)

Ik word wakker op Campeggio Villa Doria in Genua, Italië. De wekker loopt af. Verrek, het blijft pikkedonker als ik mijn ogen open. Ik ben dood, denk ik. Maar dan zou ik de wekker niet horen. Pisnijdige Italiaanse automobilisten hebben mij levend begraven. Samen met mijn piepwekkertje. Omdat zij nu nog steeds in de file aan de Cote d’Azur staan en ik ze gisteren met mijn ronkende kasteel allemaal heb ingehaald.

Ach welnee jôh, de luiken van het slaapkamerraam zijn buiten nog gesloten… Ik begrijp dat wel, want het uitzicht is niet heel erg boeiend. Ze waren mij gisteravond trouwens helemaal niet opgevallen. D’r uit, met je luie reet!

Deur open en …. prachtig weer! Strakblauw! Ontbijt op de camping bij een aardige jongedame die wel vijf of zes talen spreekt en nu ff Duits studeert. Croissants en koffie. Wat een luxe. We hebben een leuk gesprek samen over het goede leven in Italië en in Nederland.

Ik kijk vanaf het terras geamuseerd toe hoe twee corpulente heren plus drie ongeïnteresseerde stevige dames een gehuurde Spaanse Ford Fiesta (!) volladen. Ze moeten drie keer opnieuw beginnen om het passend te krijgen. Ik moet even aan mijn eigen bagage denken…

Ik verbaas mij over de enorme hoeveelheid flessen limonade die ze meenemen. Ik maakte eerder al even een praatje met de grootste dikkerd. Het gezelschap komt uit Argentinië en gaat nu naar Valencia. Heeeele prettige reis! roep ik ze nog na… Teringjantje. Ik ging voor geen goud mee. En dan moest ik onderweg vast al die grote flessen vieze limonade opdrinken… Jakkes.

De campingmevrouw beweert dat Genua een prachtige oude stad is met een rijk verleden. En dat het een hele grote haven heeft. Nou, dat zullen we dan wel eens zien. Ik koop op de camping voor € 4,50 een heen-en-weertje. Dat is 24 uur geldig en daarmee kan ik van al het openbaar vervoer in de omgeving gebruikmaken, inclusief een lift die mij boven de stad tilt. De Genuanen weten precies hoe ze de toeristen met hun auto’s uít de stad houden…

Ik wandel vanaf de camping een kilometertje naar beneden en pak de trein naar Genua. Die gaat elk kwartier. In twintig minuten sta ik in het centrum van Genua: station Genova Sestri Ponente. Perfect.

Het is hier 29°. Ik loop in een mouwloos shirt, korte broek en keurig geknipte blote tenen in sandalen. Lekker luchtig. Nu kan het nog. Morgen moet ik mijn motorpak weer aan.

Mensen kijken mij maar raar aan. Dat zijn ze hier allemaal niet gewend. De Italianen lopen hier met een lange broek en sommigen dragen zelfs een warme jas. Maar goed, ik denk dat die Italianen niet op vakantie zijn. Wellicht is dat het. Hoop ik dan maar.

Via Le Strade Nuove loop ik langs gebouwen die op de Unescolijst staan. Ik stap gewoon doelbewust overal naar binnen en als ik er niet in mag, dan houden ze mij wel tegen, stel ik mij zo voor. Ik kom zo overal.

In de kerk dus niet! Daar houden ze mij tegen. Omdat ik geen mouwen aan mijn shirt heb. Klopt, het is buiten ondertussen 31 graden en ík hoef niet te werken en ook niet persé een warme jas aan en ik ben toevallig wel op vakantie. Ik begrijp trouwens die hele kerkelijke redenering ook niet. Jezus heeft naakt aan het kruis gehangen, maar mijn blote schouders mogen ze in de kerk niet zien.

Maar … men heeft een praktische oplossing bedacht. Ik krijg een gouden gewaad om mijn schouders in de dezelfde kleur als het plafond. Haha! Klaarblijkelijk mag ik er als prins carnaval wel in. Mij best. Zou … uh… d’r een foto van zijn..? Nou?

Ik loop trouwens ook nog tegen Het Laatste Avondmaal aan. Uit 1618! Heel bijzonder.

Met een lift kan ik via mijn openbaar vervoerkaartje naar het hoogste punt van Genua, lees ik ergens. Aldaar heb ik een fenomenaal uitzicht, belooft men mij. Ik kijk verder nergens naar en loop met behulp van Google Maps naar de lift. Ik klim een trap op, nog een trap op, nog eentje en nog eentje. Pfff.. Niet normaal. Afijn, sta ik helemaal boven, bij de lift dus. Handige Harry. Heb ik de lift maar naar beneden genomen. Kon ik toch nog mijn vervoerkaartje gebruiken.

De deuren van de lift gaan open en ik kom beneden uit in een hele andere wijk. Ik loop via het oude centrum terug naar mijn route en dan word ik plots aangesproken door een feestelijk uitgedoste mevrouw. Haar rokje en truitje zijn allebei erg kort en haar truitje goed gevuld. Wat was het kamernummer op dat label van een poosje terug, nou ook al weer?

Ze zegt in het Duits dat ik hele mooie benen heb en dat ik daarom vast een Duitser ben. Dat zijn twee leugens in één zin, dat zou je bij mijn motormaat Henk eens moeten proberen, zeg ik haar. Want die gelooft nooit iets.

Verderop zie ik nog meer uitdagende dames staan. Of ik met haar mee ga, vraagt ze. Nee joh, het is veel te warm hoor, roep ik en vlucht snel bij deze half ontblote verleiding vandaan.

Ik dwaal door hele smalle straatjes. Als ik mijn armen spreid, dan kan ik gemakkelijk allebei de muren raken. Maar het zegt wellicht ook iets over de spanwijdte van mijn armen.

Ik wandel weer verder en ik kom door de vrolijkste straatjes van mijn reis. Quanto è bella la vita, roep ik. Wat is het leven mooi. Elke dag weer.

In de buurt van een groentemarkt vind ik bij een gezellig restaurant een rustig terrasje. Ik bestel een lauwwarme pasta als lunch. Ik zit heerlijk in de schaduw op een heel koel pleintje waar een zalig briesje waait. Ik zit er zowaar een uurtje in mijn e-reader te lezen. Mijn boek is spannend want Jack Reacher is weer iets aan het slopen…

Plotseling sta ik voor het huis van Columbus. Niet één of andere Tinus de Zoveelste. Nee, Columbus, himself! Super om daar te zijn. Het huis blijkt een 18de-eeuwse reconstructie van het orsinele huis van Christoffel Columbus te zijn. Hij woonde hier rond 1460. Een poossie terug.

Ik slenter verder door de havens. Het is prachtig. De campingmevrouw had gelijk. Genua is zeer de moeite waard.

In de haven kijk ik naar een boot die op het punt van vertrekken staat. Whale Watching, staat er met grote letters op. Het kost drie euro heen en drie euro terug. Waarheen dan? Nou, naar Perli, precies naar het plaatsje waar ik weer moet zijn en waar mijn camping is. Wat een geluk, hè.

Weet je wat? Ik doe het. Lekker met de koele boot in plaats van met de warme trein. Ik laat mijn 24-uurskaartje nog even zien, maar dat zit er helaas niet in. Stelletje krenten…. Haha.

Géén walvis gezien natuurlijk, tja, wat wil je voor drie euro? Zal ik mijn geld terugvragen? Wel lekker om op zee 40 minuten lang geen last van die kutbomen en de pollen te hebben. Ik heb gelijk weer lucht. Dan is het leven nog mooier.

Ik stap aan de haven uit, slechts op korte afstand van de camping. Goed gepland.

‘s Avonds eet ik op een terrasje aan zee. Ik zie het zachtjes donker worden terwijl ik een mooie droge witte Italiaanse wijn drink en Trofie al pesto Genovese eet: een typisch Ligurisch gerecht van hier, heb ik zonet geleerd.

Ruim 17 kilometer en 43 verdiepingen van mijn sandalen afgesleten. Op blote voeten d’r in. Ik heb wel wat hete voetzolen. Yeah…

Morgen reis ik weer verder. Via Viareggio (Altijd Viareggio; heb je het boek van Rick Nieman gelezen?) en Pisa naar Livorno.

Ik probeer morgen waarschijnlijk wel een beetje de kust te vermijden. Dat schiet wellicht wat meer op.

WIJ DUITSERS BEGRIJPEN ELKAAR

Aan het einde van de avond heb ik in het restaurant nog even een gesprek met een echte Duitser.

We zijn samen van mening dat die spaghettivreters hier maar hele kleine kuttafeltjes hebben. Koelere. Wij passen er nooit onder.

Woefff…!

Coos op Reis: MICHEL VAILLANT

(Het vervolg in de serie Coos op Reis, aflevering 51)

Het is half april. En prachtig weer. Het is strakblauw. Het is om 08:30 uur al 21 graden. Dit wordt een warme dag.  Ik veeg het huis, schraap mijn zooitje bij elkaar en pak alles op mijn motorfiets. Das elke keer een uurtje werk. En ik verstop een eierdopje achter een beker. Beetje paniek zaaien. Vanwege die code en dat hek. Haha. Nee, hoor.

Ik verwijder maar gelijk in de caravan de goretex-voeringen uit mijn motorpak. Het maakt van mijn pak bijna een doorwaaipak. Als het erg warm wordt, dan kan ik op mijn borst nog twee grote ramen openzetten en de mouwen nog helemaal openritsen. Verder trek ik een dunne nekkraag aan, dunne sokken, een hightech hardloophempie en mijn Rukka doorwaaihandschoenen. Ik ben er klaar voor. Burn baby, burn!

Een extra probleem is wel dat ik de kleren, die ik bij kou en regen droeg, nu ergens moet zien op te bergen. In mijn koffers heb ik geen plek en mijn tassen zitten vol. De extra aangeschafte waterdichte zak lost echter alles op. Hij zit met twee rete slimme bandjes op mijn topkoffer. Die zak  weegt niks, zorgt voor een extra zee van ruimte en alle spullen zijn snel bereikbaar. Wérelds!

Ik controleer of alle koffers goed gesloten zijn, de bagage stevig vastzit, de rits van mijn tanktas dicht is, doe mijn oordopjes in, zet mijn helm op en vertrek. Vroemmmm! Heerlijk!

Ik ontbijt twee dorpen verder bij een bakker. Ontbijt! staat er in het Frans met grote letters en een uitroepteken op een bord. Stokbrood en verse croissants en vruchtenprut uit blik en hete koffie.

Wees eerlijk, als je nou met een heel groot bord je voorbijgangers naar binnen lokt voor een ontbijt, hoe groot is de kans dan dat ze bij je komen ontbijten? Is die kans klein, gemiddeld of groot? Nou, ik zal je helpen: héél groot, want ik was daar zeker niet de enige. We stonden in de rij.

Potver, is het dan héél veel moeite om de boter op kamertemperatuur te serveren? Nondeju. Ze komt zó uit de vriezer. Hakken moet ik. Er is tegenwoordig ook bijna geen goed horecapersoneel meer, jôh. Ze hebben alleen maar geen zin om bij de Blokker of McDonalds te werken.

Whoehaa. Het is net 10:30 uur en ik heb het eerste deel van mijn reisverslag al klaar. Gewoon ff zeiken over iets. Lukt altijd. Lekker, man.

Ik wil heel graag de kustweg bij Nice en Monaco af. Die is prachtig. En ook retedruk. Maar als ik nou net doe alsof het niet druk is, dan is er verder geen enkele belemmering. Toch? Ik neem de kustweg.

En hij is prachtig! Ik kijk echt mijn ogen uit. De luxe, weelde en rijkdom die huizen, tuinen en opritten uitstralen. En steeds dat magnifieke uitzicht over het eindeloze azuurblauwe water. En afwisselend schitterende rotspartijen. En die prachtige gebouwen en luxe hotels onderweg en in Nice. Helemaal super. Ondertussen is het 25 graden.

Monaco slaat alles. Twintig jaar geleden dacht ik al dat het daar helemaal was volgebouwd, maar de kranen draaien nog steeds volop. Ze hebben nog wat meters gevonden om te bebouwen. Niet normaal. De kustweg is daar nog mooier en daar zijn ze helemaal immens rijk.

Voor autoliefhebbers is het hier zeker een walhalla. Al je dromen gaan hier in vervulling. Als ik eens goed naar zo’n auto kijk, dan ontdek ik dat MC van MC Zegveld helemaal niet voor MotorClub staat. Het betekent héél wat anders..

Jôh, ik wilde het persé zien en ervaren. Maar nu heb ik het gezien en nu mag ik dus ook ff zeiken over de drukte. Echt niet normaal. Er is geen doorkomen aan. Ik doe twéé uur over een traject van 38 kilometer. Het is geen doen. En dan kon ik er met de motor nog vaak langs.

Bij Ponte San Ludovico wip ik de grens over en rijd Italië binnen. Aan de grens tref ik een overmacht aan militairen. Ik rijd zelfs tussen twee zwaarbewapende mannen door. Ik steek zittend op mijn kasteel 50 cm boven die kleine Italiaantjes uit. Haha. Vroemmmm, op weg naar Ventimiglia!

De kustweg blijft prachtig. Maar de stadjes zijn een ramp om door te komen. Bij Alassio is het 30 graden. Maar het gaat verder wel goed. Ik heb mijn helm lekker open, maar snuif natuurlijk een paar pond stuifmeel van die KUT-bomen naar binnen. Dat moet ik vanavond bezuren.

Vlak bij Genua vind ik een hutje. Simpel. Verder niks. Geen verwarming, maar dat is niet nodig. Het is warm zat. En geen keukenspullen. En die heb ik ook niet nodig. Ach, wat maakt het uit.

Op advies van de campingboer wandel ik door een park langs de resten van een oude Romeinse villa naar beneden, naar de kust. Hij heeft mij het adres van zijn favoriete restaurant gegeven waar eigenlijk geen toeristen komen. Prachtige, orsinele Italiaanse tent. Ik eet een pizza voor 6 euro. Aan de Cote d’Azur kost zoiets gewoon 18 euro.

Mooie dag. Ik wil persé niet elke dag rijden, maar de rijdagen blijven altijd het mooist.

Ik kijk wel wat ik morgen doe. Ik weet het nu nog niet.

MICHEL VAIILLANT

Uit een zijstraat komt met veel kabaal een wel heel aparte auto. Hij kan zo van Michel Vaillant, mijn stripheld van de Franse tekenaar Jean Graton, uit Kuifje zijn. De carrosserie van de auto ligt heel laag boven de grond. Hij heeft een soort cockpit voor de piloot, een grote vleugel achterop en is in giftige kleuren van spiegelend materiaal gewrapt. Wat een auto! Niet normaal.

Mijn collega’s beschuldigden mij er vroeger nog wel eens van dat ik een tienerbrein heb. Op dit soort momenten denk ik dat ze gelijk hebben, hoor.

Heb ik een foto voor jou? Wat denk je? Is de paus…?

Ik rij kilometerslang achter de auto en zie dat voorbijgangers blijven staan, naar de auto omkijken of naar hun telefoon grijpen.

Mijn momentje-van-de-dag komt als de bolide in een bocht met bulderend lawaai twee streepjes gas geeft, we vervolgens samen aan de overkant een Rolls Royce cabrio én een Bentley tegenkomen en ik rechts in de diepte twee cruiseschepen van 15 verdiepingen zie liggen. Wôw! Hier zijn ze compleet gek, denk ik.

In Monte Carlo is het 28 graden. Die temperatuur hoort gewoon bij de waanzin hier.

Coos op Reis: IEDEREEN LEVEND VERBRAND OP DE CAMPING

Het is 17 april. (Redactie: Coos reist drie maanden door Zuid-Europa, wij publiceren zijn dagelijkse verhalen een keer of 2 per week.) Ik ben op een camping in Villeneuve-Loubet, aan de Côte d’Azur in Frankrijk. Het is al weer prachtig weer. Zoals verwacht. Strandweer!

Vandaag ben ik een man met een missie: mijn allereerste boek van deze vakantie helemaal uit lezen. Ik heb duizend boeken bij mij op twéé E-readers en, je gelooft het niet, te weinig tijd om veel te lezen. Ik ga snel op pad.

Mijn ontbijt scoor ik in de supermarkt. Hier verkopen ze ook bruin stokbrood en lekkere sapjes. Ik sla gelijk wat appels, bananen en tomaten in. Allemaal tegen de scheurbuik. Ik neem ook brood en kaas mee voor de lunch. Ik heb geen idee welke voorzieningen er op het strand zijn.

Het strand blijkt voor 80% kiezelstrand. De andere 20% bestaat uit zwerfhout en zand. Rechts in de verte zie ik een heel luxe jacht met de afmetingen van een fregat van de Franse marine voor de baai bij Antibes liggen, links arriveren in hoge frequentie de vliegtuigen met nog ongebruinde toeristen in Nice en steken de besneeuwde bergtoppen boven de huizen uit. Achter mij raast het verkeer op een drukke tweebaansweg en daar weer achter rijdt de trein. Maar …. ik hoor de zee en de zon schijnt en …. ík vind het een fantastisch strandje.

Gewoon een lekker dagje niks doen. Op mijn vouwstoel. Aan het einde van de middag is mijn boek uit. Missie geslaagd. Ik ben gelijk aan een nieuw boek van Lee Child begonnen. Heerlijke favoriete schrijver met zijn verhalen over Jack Reacher. Ik zou graag zijn kracht en slimheid willen hebben. Hij kan alles. Reacher demonteert met één arm een Frans fregat met een nagelvijl en redt ondertussen de honderdkoppige bemanning in een handomdraai.

Pas om halfzeven wandel ik van het strand af. Het lijkt wel vakantie!

Terug naar de camping, even douchen en dan op jacht naar een restaurant om een deel van de avond warm en gezellig door te brengen. Mooie dag!

IEDEREEN LEVEND VERBRAND OP DE CAMPING.

Nog even terug naar gisteravond…   Ik wandel naar de haven om daar bij een Indiaas restaurant te gaan eten. De eigenaar van het restaurant heeft zijn prijzen afgestemd op het gemiddelde inkomen van de booteigenaren in de haven. Jeetje joh, ik moet ff twee keer slikken. En daar kom ik dan aanzakken in mijn eenvoudige motorkloffie. Maar ja, wat kan mij het schelen, dus stap ik zelfverzekerd naar binnen. Ik voel mij gelijk thuis in deze prachtige omgeving met fraai gesneden massief houten stoelen, linnen servetten, prachtige borden en bestek en een oase van planten. Het is hier prachtig. Wow! Mijn vader was vroeger maar gewoon chauffeur, maar van zijn smaak heb ik weinig meegekregen, hoor. Mijn vader hield meer van de kwantiteit, ik houd meer van de kwaliteit. Ik houd erg van mooie dingen. Ik kies iets lekkers met twee pepertjes. Lekker pittig en heet zat voor de morning-after op de caravandoos… Regeren is vooruitzien.

Ik heb na het eten geen haast en kuier nog wat door de omgeving. Op de terugweg schiet ik een paar mooie plaatjes voor the Catch of the Day.

Enfin, rond 23:00 uur kom ik bij de camping en … sta voor een héél gróót gemeen gesloten tweedeurs Duits smeedijzeren hek van een paar meter hoog en wel tien meter breed. Het is elf uur geweest. Dusss … is de campong dicht, vergrendeld, afgesloten, sperrzeit!

Wat denk ik? Juist…! Jij snapt het.

Niemand kan er in en niemand kan er uit. Als er brand uitbreekt, dan zitten alle bewoners gevangen en zullen hun huid, organen en lichaamssappen borrelend tot een kookpunt komen en het sissende vocht daarvan zal zich mengen met het slijk der aarde en vervolgens zullen de vlammen aan hun reeds geblakerde gebeenten likken. Ashes to ashes, dust to dust.

Het is elf uur, lock them up!

Tja, ik wil verder niet zo heel erg overdrijven, maar de enige die daar echt in en uit kan, is de campingpoes. Zij doet het ff voor en komt gewoon onder het hek door gedag zeggen en loopt miauwend weer terug de camping op. TYPE DE CODE IN, staat er op een display, aan de zijkant van het hek. Mij is geen code bekend. Men volgt alle procedures rondom de eierdopjes strikt op, maar we geven de toeristen níet de code van het hek. Stel je voor.

BEL AAN, als je de receptie wilt spreken, staat er bij het belletje. Dat doe ik een paar keer. Niemand reageert. De receptie is vanaf morgenochtend 09:00 uur (!) weer open zie ik in de verte op een bord staan.

Ik roep en ik fluit een paar keer hard op mijn vingers. Gelukkig kan ik dat. Niemand reageert.

Zo, daar sta ik dan. In het pikkedonker. Ik kijk eens om mij heen. Ik zou willen dat ik Jack Reacher was, die alleskunner uit mijn boek. Maar ja, ik ben Coos, ik schrijf een boek en kan niet alles.

De poes kijkt mij vanachter het hek hoopvol aan. Zij wil best even geaaid worden. Nou heb ik een klein beetje geluk. Ik ben namelijk niet zo dik. Das overigens een kwestie van niet teveel eten. Dat helpt.

Ik ga plat op mijn rug liggen en pers mij snel onder het hek door. Want als nu iemand het hek wel plots opent, dan smeren ze mij over straat uit. Probleem opgelost! De poes kijkt mij goedkeurend aan. En of ik haar gelijk even wil aaien…

NIEMAND WIL EEN HARLEY-DAVIDSON

We vervolgen onze serie “Coos op Reis”, met hier verhaal nummer 48 van Coos van der Spek. Momenteel vanaf de kust in Zuid Frankrijk.

Zonnig en droog. Prachtig weer. Het wordt 22 graden. Ik blijf lekker nog een dagje hier. En pas morgen is het, daar waar ik naartoe wil, ietsje beter weer. Dan doe ik het allemaal net effe slimmer.

De receptionist van de camping vertelt dat hij mijn verhaal op Facebook heeft gelezen. Hij heeft het via Google Translate naar het Frans vertaald en las zijn uitleg over de duivelsweg weer bij mij terug. Het is allemaal zó ver weg, maar de techniek brengt ons zó dichtbij… Mooi!

Ik besluit om vandaag naar het volgende plaatsje te wandelen: Bandol. Dat ligt via de kust circa 8 kilometer hier vandaan. Er is een parking met de naam DeFerrari. Ik ben benieuwd. En ik zie in de verte dat er ook een eiland vlak bij Bandol ligt: Ile de Bendor.

Het wandelen gaat deels door een prachtige woonwijk langs zee, waar ik wel heeeel erg graag zou willen wonen, deels over en langs het strand en deels over het voetpad langs de doorgaande weg. Het uitzicht over zee is overal fantastisch. De zee is super en maakt mij steeds blij.

Ik kom nog langs een aardig hotelletje. De prijs per nacht (!) gaat daar tot € 1.108,-. En dan kost het parkeren van je auto ook noges € 15,- extra. Ja hallo, iedereen moet toch zijn auto parkeren? Als je hier slaapt, dan kom je echt niet met de bus, hoor. Dat parkeergeld moet toch gewoon in de kamerprijs zitten? Er zijn daar duidelijk geen marketeers aanwezig.

In tegenstelling tot het autovrije Sanary-sur-Mer rijdt in Bandol het verkeer nog wel over de boulevard en door de straten. Op een mooie zondagmiddag is dat boulevardrijden bijzonder aantrekkelijk voor de Lambo’s, de Ferrari’s en honderden motorfietsen. Het is een constante stroom van flanerend verkeer. Veel motorrijders hebben duo’s achterop en ik zie een erg hoog spijkerbroekgehalte onder dat publiek. Straks sexy op een terrasje zitten lijkt belangrijker dan je eigen veiligheid. Niks erg, zolang je maar niet valt.

De gemeente wordt eerst stinkend rijk als je langer dan drie uur parkeert en kort daarna zuigen ze je compleet leeg. Als scholen nog eens een praktisch voorbeeld nodig hebben wat nou precies ‘een progressief tarief’ is, dan heb ik er hier eentje voor ze. Let vooral even op wat de laatste driekwartier per kwartier kosten… En na vier uur krijg je ook noges een bekeuring. Deze aanpak degradeert Amsterdam tot een achterlijk plattelandsdorpje.

Jôh, ik moet óf wat aan mijn Frans gaan doen, of ik heb een nieuw gebitje nodig. Ik bestel in mijn beste Frans een koffie met een appeltaartje. Of heet dat tegenwoordig geen tartes aux pommes meer? In elk geval krijg ik heel wat anders. Nou ja, hier zit ook vast fruit in. Kan mij het schelen.

Bandol is aardig. Een grotere versie van Sanary-sur-Mer. Maar met teveel verkeer. Ik lunch op een prachtig zonnig terras met een heerlijke charcuterie Italienne en een glaasje rosé. Wat kan het leven heerlijk zondig zijn. Ik lijk wel jarig. Jôh, ik lijk al weken lang elke dag jarig!

‘s Avonds eet ik, op advies van TripAdvisor, in een Polynesisch restaurant bij de haven. Ik heb geluk dat zij wel open zijn. Op zondagavond zijn in Frankrijk veel restaurants dicht. De Fransen gaan graag op zondagmiddag met de familie aan tafel en dan is er ‘s avonds voor de horeca weinig omzet meer te halen. Dan liggen de Fransen al op één oor, hun middageten te verteren.

Prachtige dag met schitterend weer. Achttien kilometer weggetikt. Lekker! En onderweg nog wat plaatjes geschoten en weer een nieuwe vriendin gevonden.

Morgen reis ik verder. Eerst de bergen in en dan richting Italië. Het lijkt er op dat het weer daar wat minder is, maar ik gok het er op. Het weer moet niet teveel een bepalende factor zijn, zoals je weet.

“NIEMAND WIL EEN HARLEY-DAVIDSON”

Iemand heeft een paar Harley-Davidson motorfietsen bij de vuilcontainers neergezet. Snap ik wel, hoor. Want morgen komt de vuilnisman, staat op de borden. Iedereen loopt er gewoon voorbij. Niemand wil die pokkendingen hebben…

Tja… Ik ben er ook maar gewoon voorbij gelopen. Wat moet je met die dingen? Ze staan thuis alleen maar in de weg, want rijden kun je er niet mee.

Note: let op! Nou gaan er een paar helemaal uit hun fontanelletje!