Tag archieven: motorverhaal

Mijn grote liefde

(een motorverhaal van Coos van der Spek)

In 1970 kocht ik mijn Honda CB250 nieuw in 1970 bij Motorhuis Safe in Rotterdam. Hij kostte 3300 gulden. Mijn vader pingelde er een paar honderd gulden af. Ik was zielsgelukkig en zo trots als een aap met zeven lullen.

Kort na de geboorte van mijn dochter (1978) verkocht ik de Honda terug aan dezelfde dealer voor 1000 gulden contant. Er stond toen ruim 80.000 km op de teller. Tranen over mijn wangen toen ik in mijn eentje terug naar de metro liep. Het voelde als verraad en het geld als Judaspenningen.

Jaren en jaren dacht ik met weemoed aan mijn trouwe Honda en aan onze avonturen tijdens kampeervakanties in Zwitserland, Frankrijk, Oostenrijk en Italië.

Rond 2010 vond ik op Finnik mijn trouwe Hondaatje terug. Virtueel zwaaide ik haar gedag. Maar waar o waar zou zij toch zijn? In het kouwe Friesland? In het heuvelachtige Limburg? Of in een donkere garage in Drente?

Ruim twee jaar terug kreeg ik plotseling een gouden tip. Van een goede fee. Mijn emoties maakten eenzelfde soort rit als op de achtbaan Joris en de Draak in de Efteling. Een paar dagen later drukte ik, bij een wildvreemd huis in Dordrecht, zenuwachtig op de deurbel van de stiefvader van mijn Honda.

En ja hoor, hélemaal achteraan, stijf tegen een deur en klem tegen een muur en onder stapels spullen en dekens, trof ik haar aan, onder een dikke oude laag stof: mijn Honda CB250 uit 1970.

Ik trok schaamteloos haar rokken omhoog, zag haar benzinekraan, haar enorme cilinders, haar kickstarter en checkte haar kentekenplaat. Wow. Ik raakte haar aan en aaide haar. Een schok. Ik voelde haar. Zij was het. Zeker weten. Wat een emotie… Prachtig.

Ik hield contact met de eigenaar, maar toch verwaterde het contact. Via Curtain kwam de Honda in bezit bij Theo. En Theo maakte met zijn broer en een paar vrienden een groots plan en reviseerde de motor.

Vorige week kreeg ik een appje en een foto van Theo: je grote liefde is bijna klaar. Zij is bijna weer als nieuw.

Hij is WAAAANZINNIG MOOI geworden. Wat zijn die mannen artiesten. NIET NORMAAL!

Joke en ik gaan binnenkort naar Theo in Overijssel. Om te kijken. Naar mijn grote liefde…

Links de huidige BMW van Coos en rechts zijn oude liefde, de Honda CB 250.

Motorkleding testen

(Een motorverhaal van Coos van der spek)

Op mijn eettafel ligt een lange ToDo-lijst. Van ouwe meuk naar de stort brengen, het gras maaien, een formulier i.z. mijn zonnepanelen invullen tot een pasfoto laten maken voor een nieuw paspoort.

Máár….het is mooi weer. Het zonnetje schijnt en ik hoor mijn motor in de garage erbarmelijk kermen: ‘Ik wil d’r uit, ik wil een stukkie rijden!’

Dat snap ik wel. Ze is eenzaam. Mijn lief en ik hebben onlangs de garage opgeruimd en schoongemaakt, dus het galmt daar van de ledigheid.

Een stukje motorrijden. Mmmm. Dat komt mij eigenlijk wel goed uit. Ik kocht namelijk, samen met Joke, voor een hele mooie prijs een nieuw Rukka Armacor Stretch motorpak en een nieuwe Schuberth C5 helm. En dit is een toffe dag om alles effe te testen.

Een half uur later dender ik door polders. Ik zing in mijn potje. De zon buldert aan de hemel. Mijn zonnepanelen maken mij rijk terwijl mijn BMW en ik wat liters fossiele brandstof aan de frisse lucht offeren. Een een kleine twee uur later zit ik in mijn favoriete viswinkel Schmidt Zeevis in Rotterdam twee heerlijke haringen naar binnen te douwen. Wat een traktatie.

Ik gluur naar iemand met een glaasje witte wijn. Maar alcohol en motorrijden gaan absoluut niet samen. Daarnaast zijn Joke en ik de hele maand november alcoholvrij.

De Schuberth helm knelt nog wat van de nieuwigheid. Heb ik altijd met een nieuwe helm. Dat komt omdat ik een raar hoofd heb. Het komt wel goed. Met die helm, hè. Mijn hoofd blijft zo.

Het motorpak is gelamineerd en zalig warm. Dat komt goed uit, want het wordt mijn winterpak. Er zit zo’n los donzen jasje in, een soort ski-jack. En de buitenjas is voorzien van een borstprotector. Extra veiligheid kun je gewoon in de winkel kopen.

Na 150 km zet ik de motor in de garage.
We zijn allebei weer opgeladen en zielsgelukkig….

Vallen in vertraagde tijd

(Een motorverhaal van Gijs van Hesteren)

Het is een jaar of twintig geleden dat ik met lotgenoten bijeenzat in de kantine van het Circuit van Zandvoort. De instructeur van de TOMS-wegracecursus zei tegen ons: ”Je hebt motorracers die zijn gevallen en je hebt motorracers die zullen gaan vallen.” We lachten er smakelijk om. Het voorval gaat door mijn hoofd, terwijl ik op mijn buik over het Meerkerkse asfalt glijd. Ik denk nog meer dingen. Zoals: nu gaat ie breken. Dat slaat op mijn linkeronderbeen, dat in een rare positie onder mij meeschuift. En ik denk ook: daar gaat de tank, mijn tank. Want betekent deze crash het einde van de oh zo zeldzame aluminium benzinetank van mijn XS650 Yamaha met Rickman Metisse-chassis?

Rennerskwartier Meerkerk. Ik tank de Rickman af. Tajan rolt nog een peukje. Hier weten we nog niet wat er te gebeuren staat. (Foto: Teus Korevaer)

Racers die bezig zijn met vallen weten het: de klok gaat steeds langzamer tikken. Elke seconde duurt tien keer zo lang. Steeds stroperiger verloopt de tijd. Dat heb ik bij eerdere valpartijen al eens gemerkt. Ook nu is het zo. Ergens in de verte kiest de Rickman koers stuurboord. Krassend aluminium, ook vertraagd klinkt dat echt niet fijn. Vanuit een andere ooghoek kijk ik kleine onderdeeltjes na; ze begeven zich traag naar een baan om de aarde.

Zelf ga ik bakboord uit. Als een zak met aardappelen hobbel ik bijzonder onelegant nog een stukje door. Eindelijk lig ik stil. Mijn rug wordt gestopt door de airfence. Die heeft de SAM daar vooruitziend neergelegd.

Pijn voel ik niet. Mijn lijf zit vol adrenaline. Een tikje duizelig kijk ik om me heen. Recht in de verschrikte ogen van Michiel Versteegh. “Ik zag op dat moment eigenlijk niet dat jij het was, maar ik heb je leven gered”, zei hij later, “ik kon nog net remmen.” Dat kan je wel zeggen. Veel verder dan een halve meter is het dampende voorwielrubber van zijn Triumph Trident niet van mij verwijderd. En dat met trommelremmen van anno 1968. Een tikje onbenullig steek ik mijn duim op. Ik check meteen even of er nog andere onverlaten zijn die over me heen willen rijden. De baco’s zwaaien al met rode vlaggen. Race geneutraliseerd.

Daar zijn mensen uit het publiek, die me vriendelijk vragen of het gaat. Ja hoor. “Blijf maar even liggen”, zeggen ze. En daar is ook Tajan van der Wiel, sinds de Drie Uren van Oss in 2010 mijn vaste racemaat. Mijn acrobatiek voerde ik blijkbaar vlak voor zijn ogen uit. “Ik ben me rot geschrokken. Gaat het wel?”

Ja, ja, ik ben er nog. Het gaat. Dat leg ik in één moeite door uit aan de mensen van de ambulancedienst. Die arriveert met zwaaiende lichten ter plaatse. Handschoenen uit, helm af. Alles doet het nog. Even kijken. Mijn linkerbeen voelt niet helemaal lekker. Rechterknie beetje beurs. Rechterschouder ook. Ik ga staan. Dat mag nu van de dokter. “Oké?” vraag hij. “Ja, oké!”

Op eigen voeten wandel ik naar het rennerskwartier en naar Tajan. Samen bekijken we de schade aan de Rickman-Yamaha. Het valt mee. Een piepklein deukje in de aluminium tank (Aaarrrgh!), kromme voetsteun en rempedaal, krassen op uitlaatdemper en oliefilterdeksel. Nog steeds lichtelijk verdoofd door adrenaline wandel ik nog zeker een kilometer, heen en weer naar de ambupost, om me nogmaals te laten vertellen dat ik echt naar de huisarts moet gaan, maandag.

Chicane

Wat was er eigenlijk gebeurd, in deze Meerkerkse chicane? We proberen het terug te halen. Altijd fijn als je weet waarom iets is misgegaan. Ik moest weer zo nodig iemand inhalen. Dat was Michiel, denk ik. Ik had hem eruit geremd, maar daardoor was mijn rijlijn anders dan anders. Kwam het achterwiel op één van de spekgladde stroken bitumen, die de ijverige wegenbouwers overal hadden aangebracht tussen scheuren in het asfalt? Of was het zoals Tajan later zei: “Met je voetsteun raakte je het stoeprandje.” Dat laatste lijkt het meest waarschijnlijk, want schetsplaat van de voetsteun was na afloop volledig naar binnen omgebogen. Het effect was hetzelfde: de motor zette een stap opzij, de band kreeg weer grip, de motor bokte en floep, weg was ik.

Och, ik was niet de enige die viel. Het hierboven beschreven voorval vond plaats in de 500cc-klasse, waar ik met de Rickman in mocht starten. Echter, in de eerste manche van de 750cc reed ik met de andere XS, ‘de gele’. Vlak voor mijn neus viel Arnold Philipsen met zijn Honda VFR. Hij was aangetikt door een andere rijder. Ik wist nog net te voorkomen dat ik over zijn hoofd reed. Leek me niet de bedoeling.

En in de zijspanklasse greep de bakkenist van Rob de Jong even mis. Achter de stoeprand en de struiken bevindt zich kennelijk een diepe sloot. De Benelli Tornado-combinatie verdween op het achterwiel na onder water. We lachten er allemaal smakelijk om, Rob en bakkenist inbegrepen.

Fractuurtje fibula

Een paar dagen later. Tajan is al bezig aan herstel van de Rickman. Wat mijzelf betreft: ik breng bezoekjes aan het huisartsenspreekuur, de afdeling radiologie in het Medisch Centrum en de gipskamer. De radioloog vertelt me dat er toch een botje gebroken is. “Fractuurtje fibula”, bevestigt de bottendokter. Het kuitbeen dus; daarom kan ik nog op mijn been staan. Het dikkere scheenbeen draagt de last. Gelukkig krijg ik een drukverband, geen gips. Gips is zó onhandig! De races te Chimay en Zwaagdijk moet ik overslaan. In augustus dan maar naar Gedinne.

Over Gijs van Hesteren

Journalist, redacteur, spreker, schipper, motorrijder. Meer lezen van Gijs? Klik dan op: Gijs van Hesteren 

Het verhaal achter de foto

(Een verhaal van Hans den Ouden)

Ruim dertig jaar en een kleine miljoen motorkilometers terug haalde ik mijn rijbewijs. Ik herinner me nog dat ik enkele jaren nadien mijn rijinstructeur tegenkwam en hij verbaasd opmerkte dat ik nog reed. Hij had mij ingeschat als zon Yup die vond dat een motorrijbewijs wel leuk was om er dan vervolgens nooit meer wat mee te doen. Ik kocht mijn eerste motor bij Daytona motors in Schiedam. Ik was altijd al onder de indruk van BMW motoren, misschien ook, omdat de dealer (Breeman) om de hoek zat van mijn studentenkamer op de Oostzeedijk in Rotterdam. Ik kwam er dagelijks langs. De eerste motor was een K100, loodzwaar en vol storingen. Dat kwam vooral door de kabelboom. Inmiddels was ik verhuisd naar de zuidkant van de stad en daarom werd de storing dan steeds verholpen bij motorhuis Safe. Niet mijn beste ervaring zullen we maar zeggen.

Na zo een twintigduizend kilometer was ik er helemaal klaar mee en wilde ik een betrouwbaardere motor.

Op zekere dag reed ik langs bij Houtrust in den Haag en zag de, net uitgekomen, rode, R1100RS staan. Hij werd net uitgepakt in de showroom als het ware. Ze hadden een stapel posters over en ik mocht er een mee nemen. De R1100RS in vol ornaat. De poster hing ik op in mijn werkkamer, achter de clientele, zodat ik er de hele dag naar kon kijken. Dat heb ik een jaar volgehouden en toen ben ik naar Houtrust gereden en heb ik hem gekocht. De R1100RS was fantastisch, de nieuwe boxer. De motor was daarbij uitgerust met een Corbin zadel, voor en achter. Dat achterzadel kon je dichtklappen en dan was het net een mono, klapte je het open, dan had de passagier een fijne ruggesteun. Het is de motor die ik het langst bezeten heb, want ik ruilde hem pas na 8 jaar weer in.

Wouter naast de rode BMW R1100RS

De afgelopen maand werd mijn oudste dochter veertig en moest ik fotos aanleveren voor het album dat vrienden van haar aan het maken zijn. Zo kwam ik deze foto tegen van Wouter naast de rode R1100RS. De foto is ergens op een parkeerplaats in Duitsland gemaakt. Het was mijn eerste lang weekend op de motor en Wouter ging mee. Ik had inmiddels een ander pak gekocht, dus Wouter heeft mijn jas aan, die zoals je ziet iets te groot was.

Het was de tijd voor de GPS, dus we navigeerden op de kaart naar Rheinland Pfalz waar ik een hotel had geboekt en van daaruit reden we dagtochten.

Op dag twee maakte ik een navigatiefoutje en nam een weggetje te vroeg. Dat bleek ongelooflijk steil te zijn en in de eerste bocht was het spiegelglad. Het voorwiel gleed weg, de motor draaide 180º om en pa en Wouter lagen er naast. Er was geen schade, maar het was mijn eerste val partijtje en Wouter was behoorlijk onder de indruk. Ik sprak er met hem over en het stond nu na bijna dertig jaar nog goed in zijn geheugen gegrift.

Als ik het kenteken op zoek op de bekende sites, heeft de motor tot 2016 in Nederland rond gereden en is toen geëxporteerd. Het is dus niet meer na te gaan wat er van is geworden nadien.

🏍️🏍️🏍️

Wil je alle verhalen van Hans den Ouden lezen?

Klik dan op zijn naamtag hieronder, of op: //ikzoekeenmotor.nl/tag/hans-den-ouden/

17-daagse Motor Marathon

EEN TOELICHTEND GESPREK.

De Lange Man kijkt moeilijk, haast verwijtend, met een gefronst, geïrriteerd voorhoofd als we tegenover hem aan tafel zitten en hem vragen:

‘Hoe was het, die 17-daage motor-marathon die je onlangs reed?’

Een onmogelijk te beantwoorden klein trut-vraagje om een intense motorbeleving in een korte one-liner samen te vatten. Hij weet ook wel dat het niet kan tippen aan een wereldreis of een diverse continenten-omvattende oertocht die hij bij andere fanatiekelingen ziet, bescheiden als hij is. Hij is gewoon binnen Europa gebleven, de traditioneel goed te berijden asfalt-landen ook nog eens, maar heeft wel ‘zijn ass off’ gereden zoals hij ergens in het gesprek ongenuanceerd laat vallen.

‘Europa is groot en mooi, en dan heb ik nog maar een fractie van die fantastische hoop binnendoor-wegen in de vele landen aangeraakt deze keer’ zo meldt hij. Ruim 31 Jaar geleden begon hij met wat vrienden motor-weekenden en -weken te organiseren waarbij prachtige kronkelwegen ‘in de buurt’ gepakt werden tot aan De Dolomieten en De Pyreneeën toe, maar waarbij tevens elke keer opnieuw zijn drang naar meer en intensiever de kop op stak. Hij organiseerde ‘Beuldagen’ waarin getracht werd 1000 km op een dag zonder snelweg te rijden, op 40km na nooit gehaald. Ze hebben er veel om gelachen, die vrienden van hem tijdens nabeschouwende biertjes in tenten en WC-gebouwen bij ernstige regen. Mooie tijden, prachtige tijden met een stuk of 20 motor rijdende vrienden. Gaandeweg krimpt zo’n groep altijd, andere dingen, het leven, maar bij een kern rijders zit de jeuk diep. Zo ook bij De Lange Man.

De Lange’s vriendenkring bevat trouwens inmiddels meerdere ‘Johnnen’, een stuk of 4 zelfs, grappig, hij zit nu tegenover John van Ikzoekeenmotor, den Mensch met Baard die relatief laat de motor als uitlaatklep in zijn leven ontdekt heeft en zijn nieuw gevonden passie vorm geeft in het succesvol verhalen- en belevingsplatform waar u dit nu op leest. Dat doet hij goed. De Lange Man voelt zich hier op zijn gemak, als in een familie. Bij zijn tweede aangeboden kop koffie wil hij dan ook een geliefde Agio Gouden Oogst zeppelin sigaar opsteken, wat meteen afgeremd wordt. ‘Eeej’, roept de Baard onverwacht vals, ‘dat doen we hier binnen niet jongen, verdomme. Op een berg of in je atelier moet je zelf weten, hier op de redactie (zijn keuken) gaat dat niet gebeuren’. ‘Sjeezus, sorry John, ik zal het nooit meer doen’ zegt De Lange zachtjes met een geniepige grijns op zijn hoofd die anders doet vermoeden. De Baard kalmeert, het kennismakingsgesprek gaat verder.

‘Maar even over die tocht’ zo vervolgt De Lange zelf, ‘het zat al jaren in mijn kop, een tocht waarin ik mezelf volledig leeg kon rijden, tot het gaatje kon gaan, een marathon zo u wilt. Uiteraard met de begrenzingen van vakantiedagen op het werk, centen en de te missen kleine menschen in mijn opa-leven. Jaja, ik ben inmiddels 3-voudig toegewijd opa. Dat die tocht in mijn uppie zou moeten zat er in eerste instantie dik in. Het lange rijden, alleen noodzakelijke stops, met je hardwerkende machine op pad, het jezelf uitputten, eenvoud in kamperen, het kon eigenlijk niet anders dan solo.

Tot mijn verbazing omarmde vriend John Ackermans (ja, 1 van de 4) dit initiatief en hebben we tezamen met wat bieren op tafel een ambitieuze route gepland die ongetwijfeld gaandeweg aangepast diende te worden, wisten we toen al eigenlijk. Klote, maar John A kon uiteindelijk niet mee door andere baldadige verplichtingen in zijn traditionele Carbage Run. Ik heb mijn sluimerende drang om toch te gaan naar hem geuit, hij gunde mij de tocht alleen’. Friends. ‘Luister’ zegt De lange, ‘met de milieu-mensen heb je met zo’n tocht al per definitie wrijving, veel motorliefhebbers hebben al snel vragen omtrent genegeerde terrasjes met bijklets-momenten na elke 50 kilometer rijden, dan wel rijzen vragen over het telkens overnachten in een tent…, een tent…., ‘sjeezus, doe dat jezelf niet aan Oomens’ riepen ze in koor, terwijl zijn niet motor rijdende vrienden en bekenden zich verbazen over ‘de niet bezochte mooi-heden op je route’.

De Lange Man relativeert al die commotie. ‘Ik snap het wel, die verbazingen, maar het is allemaal goed gekomen, lees mijn verslag (wat binnenkort op de site komt hier) met een serietje foto’s hierna maar eens, genoeg moois gezien’.

De Baard en De Lange kletsen en lachen nog een eind na, de Agio Gouden Oogst gaat buiten alsnog in de fik terwijl ze bij De Rooie Duitser staan die De Lange Man een kwartiertje later huiswaarts zou brengen. Ze blijken behoorlijk dicht bij elkaar te wonen, dit was niet de laatste kop koffie.