Richard Busweiler van RB Motorhandel ken ik al uit de tijd dat er – gevoelsmatig – in Nederland ruim drie of vier Ural of Dnepr eigenaren waren. Die ex Sovjet hobbelpaarden waren of onbekend, of als heeeeel slecht bekend. Wat later was een tripje van de UralDneprClub eigenlijk inkompleet als er niet serieus gesleuteld moest worden onderweg. Er kwamen wat meer liefhebbers. En het bleek dat een goed in elkaar gezette en respectvol bereden Dnepr of Ural best heel kon blijven.
Er waren Ural/Dnepr rijders die afhaakten toen toerritjes probleemloos gingen verlopen. Maar ten opzichte van de rest van de motorwereld scoorden de voormalige commiedriewielers toch het meest op eenvoud en vertedering.
Intussen zijn we zo’n kwart eeuw verder en Richad Busweiler uit Genemuiden onganiseerde onlangs weer zijn jaarlijkse Ural/Dnepr weekend met toerrit en BBQ. Er waren zo’n veertig combinaties vanaf M72 zijklepper tot een ZGAN 2023 Ural (nu uit Kazachstan ipv Irbit), plus zo’n zeventig mensen/bestuurders/passagiers. De aftrap was vanaf de Sisalstraat in Genemuiden, van waar uit Richard de wereld overstroomt met gebruikte, ZGAN en heel nieuwe Urals plus Dneprs met ervaring.
Vanaf 10.30 uur konden de deelnemers een leuke afwisselende route (175 km) rijden. De tussenstop was in Teuge, op het vliegveld waar een voorbeeldige lunch was geregeld. Na de lunch, eindigde de rit in Belt-Schutsloot. Daar stond een BBQ klaar en kon er nagepraat worden. Ural en Dnepr liefhebbers zijn gezellige mensen zonder pretenties. En hun driewielers zijn intussen zo goed dat de bezemwagen voor niets mee reed. Het werd laat in Belt Schutsloot.
Druk op de agenda: Het weekend van de toerrit van Richard Busweiler was er ook het Najaarstreffen van de UDCN op 6, 7 en 8 september 2024 aan de zuidkant van de Veluwe. Dus berijders van oud Soviet erfgoed hoeven hun dagen nooit in eenzaamheid te slijten.
De mannen stapten op hun motoren. Startten de spullen. Keken nog een keer in het rond. En knalden op het achterwiel weg van het parkeerterrein, de weg op. Zelf heb ik in 50 jaar motorrijden twee keer een wheelie gemaakt. Per ongeluk. Een keer omdat de koppelingskabel van mijn T150V brak. De andere keer puur per ongeluk en op vermogen op een 1200 cc Bandit. Mijn knee down resulteerde trouwens in een ingezwachtelde knie. Waar ik me bij al die achterwielerij over heb verbaasd hoe de olie aanzuigpomp zijn werking kan blijven doen als de motor in kwestie zo’n kwartslag gedraaid is ten opzichte van zijn gewone positie.
Dolf Peeters, de schrijver van deze column. Klik je onderaan op de tag van zijn naam, dan kom je meerdere artikelen van Dolf tegen.
Van mijn vroegere docent calorische werktuigen herinner ik me de opmerking dat olie dient ter koeling, als geluidsdemping en als smeermiddel. Dan kan je wel zeggen ‘two out of three ain’t bad’, maar met de prijs van een blokrevisie in gedachten… Techniek moet je net als je partner met repect en liefde behandelen. Toch?
Maar die kennis komt je niet aanwaaien. Je moet leren van je fouten. Dat is ook de reden waarom het ‘vroeger’, toen we nog jong en onbezonnen waren nogal eens mis ging in de relatiewereld tussen mens en mens M/Ven waddannook of mens en machine. Want welke waus zou het nu in zijn hoofd halen om op de Afsluitdijk op en neer te blazen op een Kawasaki 500 driecilder waarvan, natuurlijk om hem nog sneller te maken, de luchtfilters zijn verwijderd? En hoe zouden we er nu over denken om in Renesse tegen het opkomen van de zon de nieuwe dag te verwelkomen door een CB750 K2 op de zijstandaard staand zoveel toeren te laten maken dat de kleppen gingen zweven? Hoe feestelijk zouden we het nu vinden om op een treffen van Britse klassiekers een Honda, Suzuki of Kawasaki met hamers in elkaar te slaan en in de brand te steken?
Wat vroeger ook heel anders was, was de ‘après motorritten’ tijd, denk aan het befaamde ‘après ski gebeuren’. Een poosje geleden was ik als meerijder gevraagd op een paar daagse trip. Dat was een leuke route en de deelnemers waren – net als ik – vijftig plussers. Er was een hoog percentage recente allroad- en adventurefietsen. Allemaal fris, zwaar spul. Niet de biotoop waar je met een 640 Guzzi NTX indruk maakt. Maar iedereen had schik. Voor het avondeten bleek een fors deel van de mensen alcohol en tabaksvrij.
Om tien uur lag bijna iedereen in zijn mandje. We zaten met wat fossielen onder elkaar te praten over vroeger: ‘Kratje (van Oude Adelijke afstemming met bijbehorende naam met ‘ae’s en ‘ck’s) die pas soepel ging sturen na een half kratje. De rest was voor na het tent opzetten. De befaamde foutrijder C’ die na een rit van 180 kilometer ’s avonds om half tien kwam aankakken met dik 400 km op de klok. Over Wil, die in nacht en nevel (en beneveld) had gefocussed op de achterlichten van de auto voor hem. Die automobilist ging naar huis. Toen hij daar stopte werd hij op het garagepad aangesproken door een bozige Wil: “Wie ben jij in Godsnaam en waar zijn we?.
Kleine Koos die net weer single was en die op een treffen nattigheid voelde naar aanleiding van allerlei snaakse opmerkingen. Zijn kompaans hadden een opblaaspop in zijn tent gelegd. Maar Kleine Koos was wat paranoia. En besliste dat er iets heel erg fouts met zijn tent moest zijn. Hij ging dus naast zijn tent slapen terwijl er laat in die nacht of vroeg in de ochtend een enorme regenbui over de Schellingwouder camping trok. Over Martin die ’s ochtends met een kater en een tattoo in zijn gezicht wakker werd. Over Gekke Fredje wiens voeten tijdens zijn roes door ratten waren aangevroten. (Ze zullen er toch niet ziek van zijn geworden?)
Over de veelstejaars student die zijn Norton in zijn slaapkamer zette en hem daar startte omdat hij op het geluid zo lekker in sliep. Over Tim die door zijn vriendinnetje overhoop werd gestoken toen ze hem kussend met een ander trof. Over winterritten in de tijd dat winters nog winters waren. Dan had je een literfles jenever in je zak. Plus een slangetje tussen de fles en je bevroren mondhoek. Groningen was erg ver weg in die tijd. Wel een liter ver.
We proostten op het verleden toen motorrijders nog geen Spa rood dronken.
“Met een abolute voorliefde voor kleine motorzaken kom je in een fijnmazig netwerk van mensen die net zo denken als jij. Mensen die ook een beetje giechelig worden van financieringstrajecten boven de 20 miel voor een Avontuurlijke Allroad met satellietverbining en automatische bandenspanningscontrole systemen.
Dat soort bedrijven bestaat doorgaans uit maximaal twee manlijke cisgendes waarbij de zuiverste 20W50 door de aderen stroomt. Ze adverteren doorgaans niet eens echt en ze krijgen hun werk via mond tot mond reclame van tevreden klanten.
Rijk, beroemd of De Grootste worden staat niet in hun Plan van Aanpak. En via de tamtam kwam ik zo in contact met Raymond van der Molen, voormalig coureur en volbloed technicus. Zijn verdienmodel zit hem in onderhouds- en reparatiewerk, hij bouwt verantwoorde caferacers en customdigesten. Maar het meest hartveroverrend is dat de otoren die hij in de verkoop heeft staan vaak BMW K100’s en K75’s zijn. Dat zijn nog steeds de beste BMW’s aller tjjden en de vliegende bakstenen zijn feitelijk nog steeds spotgoedkoop.
En in een tijd waar in deze BMW’s nog vaak herwedergeverbouwd worden tot scrambler, caferacer, bobber of ander ongerief is de adoptie van een goeie, originele K75 of K100 ook nog eens iets dat je vol overtuiging kan verdedigen binnen de familie en kennissenkring.
Je vindt Raymond van der Molen in Wijhe waar je voor klassiekere BMW’s tegen aanzienlijk optimistischer prijzen natuurlijk al bekend bent bij Beck. Maar de conclusie was immers al dat de aanschafprijs niets met het plezier van je aankoop te maken heeft. “Genieten voor ‘weing’? “Kan het nog listiger? En wat kan er duurzamer zijn dan een groene K75? Voor maar 1150 euro?”
Dit verhaal is geschreven door Dolf Peeters. Dolf is geboren met de helm.
Een valhelm.
Omdat het leven een avontuur is.
Motorrijdend Nederland kent Dolf vooral van zijn unieke columns en verhalen
in AUTOMOTOR Klassiek.
De motorrijder die op het terras was aangeschoven zei: “ik rij nu alweer een jaar motor. Maar ik heb nog steeds niks mee gemaakt”. Ik keek naar zijn glimmende fiets en zijn keurige motor outfit. Ik keek naar mijn motorfiets waarvan de meeste mensen alleen maar denken “Wat een oud ding” en bedacht dat het net vrij fris rijden was in mijn T shirt en sandalen. Maar de boeren omelet op mijn bord deed zijn best om me weer blij te maken.
Avontuur gezocht
“Wat dacht je dan mee te maken?” ”Nou ja, je leest van alles. Motorrijders maken van alles mee. Ik rij alleen maar rondjes”. Vrouwen claimen vaak het recht op emoties. Wij jongetjes hebben ook emoties. Niet dat we doorgaans weten wat we daar mee aan moeten. Maar toch. In het diepst van onze psyche – let even op: bij mannen is er pas vanaf bouwjaar 1960 een psyche gemonteerd, voor die tijd deden we maar wat – willen we graag leven zoals in jongensboeken uit de jaren vijftig en zestig. Maar dan wel met een sexleven. Want dat was in die lectuur een wat ondergeschoven onderwerp.
Allemaal valse romantiek
Motorrijden, trucker- en rechercheur zijn, dat zijn hoogst overgewaardeerde (plus in geval van de laatste twee, onderbetaalde) bezigheden. Voor ‘die hard’ motorrijders is motorrijden de belangrijkste bijkomstigheid in het leven. Voor veel mensen is motorrijden een lifestyledingetje. En boven alles is motorrijden nu iets voor 50-60+ ers. Dat is ‘where the nostalgia kicks in’. Wegdromen over je jeugd. De dingen die je hebt gedaan of had willen doen. Maar toen kwamen de kids. Kwam de carrière en de optionele scheiding en het tweede huwelijk.
Modern times
Na die blessuretijd kun je dan in de herkansing. Het realiseren van jongensdromen met de motor van je dromen. Of het moderne equivalent daar van. Want ook de meest gedomesticeerde mannen hebben doorgaans nog ergens een sluimerend Bokito gen. Dat hebben drie emancipatie tsunami’s er nog niet helemaal uit gekregen in een wereld waar wij mannen onze ‘zachte kant’ vroeger alleen maar gebruikten om op te zitten.
Avontuur valt tegen
“Er ligt olie onder je motorfiets” duidde mijn verse tafelgenoot bezorgd. “Ben je nou niet bang dat je met zo’n oude machine onderweg met pech komt te staan?” “Dat is geen pech. Dat is avontuur” corrigeerde ik hem vriendelijk. En dat wij hier zitten te ouwehoeren is ook avontuur. Kijk maar eens hoe vriendelijk dat serveersterje is. En daar staat een lief Moris Minortje”.
“Het zijn keuzes. Een kennis van me kreeg op een motortrip in Moldavië trombose in zijn been. De doktoren in het plaatselijke ziekenhuis spraken alleen Russisch. En in de OK stond er een raam open vanwege de frisse lucht. Hij heeft er een fantastisch litteken aan over gehouden. Een andere kennis ging off road en brak in Schotland een been. Hij heeft twee uur in de regen liggen wachten tot dat hij werd opgehaald in een Landrover van een landheer. In het landhuis werden de patiënt en zijn maat hartelijk ontvangen.
De lokale dierenarts keek naar het gebroken ben en gaf de gevallen ridder een stevige shot morfine. Ze kregen een dubbele borrel. De dochter des huizes had kostschool verlof en was hoogst onder de indruk van de stoere Dutchies. Eenmaal in het gips en in Nederland besliste de echtgenote van de brekebeen dat het nu afgelopen moest zijn met dat gedoe met die motorfietsen.
En een bekende van me, die op wereldreis is, zit nu al meer dan drie maanden vast in Nepal in verband met de Coronakriebels. Hij is al vijftien kilo af gevallen en wil naar huis” .
Dat was niet het soort avontuur dat mijn tafelgenoot zocht. Hij besloot dat het vooralsnog avontuurlijk genoeg was om in zijn eentje te blijven rijden. “Want als ik in een groep had gereden hadden we dit gesprek niet gehad”.
Het geheim: reis alleen
Motorrijden is van oudsher wat individualistisch. Rijden doe je in je uppie. Of maximaal met twee man. Als eenling ben je daarbij niet bedreigend en staan de kansen op onverwachte ontmoetingen open. Ik vertelde hoe ik een keer na een motorongeluk, een echtelijke ruzie en wat telefoonwerk in het Lake District in een tweepersoonstentje tussen een lesbisch koppel naar dromenland was gedeind. Mijn tafelgenoot keek dromerig weg. “Pech voor je dat ze lesbisch waren mijmerde hij”. “Pech dat de ene verschrikkelijk snurkte” antwoordde ik. Want met al die jongensboekendromerij moet je wel realistisch blijven.
Deze column is van Dolf Peeters. Zijn boek ‘Mannen, motoren en wat meisjes’ is helaas uitverkocht. Alle artikelen van Dolf op onze site, vind je hier.
Motorrijden in de Randstad? Een must! Geen files, alleen dolle pret! En zo vertrek je dan vrijdagmiddag van uit Dieren naar Amsterdam. Op de A12 ter hoogte van de afslag A2 hoor ik opeens het geluid van iemand die met dikke, slappe lippen ‘blubblubblub’ geluiden maakt. De altijd zo strak sturende Guzzi voelt opeens aan als of ik op een riant met pindakaas besmeerde boterham rijdt. En welke kant ik nu op ga heb ik even ook niet meer in de hand.
Gelukkig schiet me iets te binnen: ‘Klapband’.
Dus in de verte blijven kijken en de motor vederlicht met de toppen van de pinken dirigeren.’ Kijk; dat gaat prima! Maar het is natuurlijk meer geluk dan wijsheid dat ik overeind blijf. Op de vluchtstrook sta ik pal naast een praatpaal. Handig. De GSM ligt immers weer thuis. Mijn beschermengelen landen met verstuikte vleugels op de vangrail en kijken me bozig aan. Mijn moeder vond motorrijden ook maar niks. Na een uurtje in een milde regen komt er een wegenwachter. Die geeft me direct een oranje fluo hesje. Zo’n ding waar op gefrustreerde pedaalemmerrijders beter kunnen mikken. Er zijn 11 motorfietsen en drie motorscooters gepasseerd. Ze zwaaiden niet. Ze stopten niet. Wegenwachters plakken geen binnenbanden meer op de vluchtstrook tijdens de spits. Mijn WegenWachter probeert nog wat motorzaken te bellen. Maar die hebben geen tijd. Ik heb geen sigaren bij me. Dat maakt me wat narrig, Ik ben niet verslaafd, maar mijn systeem kan nu eenmaal niet 100 % functioneren zonder nicotine. Het begint zachtjes te sneeuwen. Elke seconde passeert er een auto. Mijn kop wordt koud. Kaalheid is een vloek. Ik zet mijn trouwe ROOF botspet op en voel me wat Willempie-achtig. Met dank aan André van Duin.
Na een uurtje komt er een lepelwagen.
Er zijn intussen weer 17 motorfietsen en twee scoots gepasseerd. Een motorrijder toeterde bemoedigend. Een autodebilist deed grappig als of hij op mij instuurde. Op de praatpaal staat dat je achter de vangrail moet blijven. De berger zegt dat hij de verwarming in zijn auto al hoog heeft gezet. We sjorren de motor aan dek. De berger is blij met ouwe Cali II. Het ding is tenminste met goed fatsoen vast te sjorren zonder dat er allerlei plestik breekt. De doorleefde Guzzi wordt in Utrecht bij de ANWB op het parkeer terrein gestald. Zaterdag hebben we eerst een crematie. Pas daarna kunnen de Guzzi repatriëringplannen beademd worden. Mijn lokale dumpdealer Gekra wordt gebeld. Gerrit hoort mijn verhaal aan en zegt dat ik zijn aanhanger niet nodig heb. Hij moet zondag toch naar Utrecht en pikt mijn motor wel even op. Dat is tekst. Mijn tweede belronde is naar TLM in Nijmegen. Daar ben ik al jaren een klant waar ze weinig aan verdienen. Wil hoort mijn huilverhaal aan en concludeert: ”Dat wordt te moeilijk. Ik druk wel een bandje om een gebruikt wiel. En morgen heb ik bij jou in de buurt een verjaardag. Oh ja; er ligt hier nog een stel handschoenen van je.”
Dit verhaal is geschreven door Dolf Peeters. Dolf is geboren met de helm. Een valhelm. Omdat het leven een avontuur is. Motorrijdend Nederland kent Dolf vooral van zijn unieke columns en verhalen in AUTOMOTOR Klassiek.