Tagarchief: Spanje

Coos op Reis: SEARCH AND DESTROY

We volgen de avonturen van Coos van der Spek.

Bij het ontbijt begint zijn volgende verhaal in onze serie “Coos op Reis”. We rijden drie maanden met hem mee door Zuid-Europa.

Strálend weer. Joepie! Ik ben hélemaal opgewonden. En het is pas 09:15 uur!

Met een grote grijns rollen mijn dikke 1200cc twee-cilinder BMW GS Adventure Liquid Cooled en ik samen naar mijn ontbijt, hier aan het einde van de straat in Los Alcázares in Spanje. Ik strijk neer bij een leeg tafeltje en geniet op een door de zon verschoten roodplastic stoeltje van het zonnetje.

De ober brengt mijn café Americano en zet met een zwaai een héél gróót glas bier op de tafel bij een Duitser naast mij. Het is 09:20 uur…

Ik ben nog niet van mijn bier-verbazing bekomen als de Engelse mijnheer verderop een brandy bestelt. Pfff….

Nou, díe twee gaan vast niet lekker motorrijden vandaag, grijns ik. Na mijn ontbijt wens ik die twee alcoholisten een fijne dag en vertrek voor mijn rondrit in de omgeving.

De route van vandaag loopt via Casas Nuevas, gedeeltelijk óm en dóór het regionale park Humedal del Ajuaque y Rambla Salada. In één keer goed getypt. Olé. Het is een superroute om lekker relaxed te rijden, een beetje rond te kijken en gewoon wat te genieten. Het is een prachtig gebied, maar het asfalt is ruk. De héle dag trouwens. Ik maak met dit droge weer zelfs twee uitstapjes aan de achterkant. En ik heb aan extra gewicht bijna niks bij mij, want mijn reserve onderbroekies liggen allemaal opgevouwen in mijn appartement.

Als ik met mijn motorclub www.elbacon.nl op pad ga, dan houden we ons strikt aan de route. Maar nú, in mijn uppie, hóeft dat niet… Ik sla gewoon af en toe spontaan eens een weg in.

Eén zo’n weg brengt mij bij hardwerkende sinaasappelplukkers. Ik stop voor een praatje. Ze zijn blij met mijn onderbreking en met wat afleiding van het saaie werk. Een uit de kluiten gewassen Afrikaanse man vraagt of hij mee achterop mag. Ja, hoor, héb ik weer…. De patron vindt het allemaal wel leuk, maar kijkt ook zuinig op zijn horloge, dus ik vervolg mijn weg.

Ik rij genietend tussen de vele sinaasappel- en citroenboomgaarden door. Grappig, die dingen horen in zakkies in de schappen bij Albert Heijn in Woerden en nou rij ik er met mijn BMW langs, bedenk ik mij. Ik kan mij zo vaak dan op een kinderlijke manier over dit soort zaken verbazen.

Alles wat we thuis eten, groeit hier gewoon aan de kant van de weg. Zo kan ik mij ook verbazen over de verkoop van de enorme stapels vis in de Spaanse supermarkten. Wáár komen al die vissies in hemelsnaam allemaal vandaan? En er zijn zóveel supermarkten in de héle wereld…

Ik sta in een wat grotere en drukkere plaats, als een gehelmde kasteelheer in zijn metalen maliënkolder óp zijn kasteel, vooraan bij een stoplicht. In mijn spiegels wringt een jonge vrouw op een scooter zich tussen de auto’s door naar voren. Zij eindigt pal naast mij, kijkt opzij en glimlacht. Zij heeft een kort rokje aan en, óf verbeeld ik mij dat nou, een doorkijkblouse. Zij heeft donkere ogen, donker haar en haar lippen zijn felrood gestift. Ik krijg het Spaans benauwd. Potver, bij mij wil natuurlijk alleen zo’n hele grote kerel achterop…

Twintig kilometer verderop staat aan de linkerkant van de weg een kudde schapen. Ik stuur de Beamer de weg af en rij voorzichtig richting de schapen voor een fotomoment. Er komen gelijk twee honden op mij af. Eentje op een sukkeldrafje die goedmoedig whoehoefff zegt, maar het zelf eigenlijk allemaal niet meer zo gelooft. Hij is aan zijn pensioen toe. Heel herkenbaar… Hond Twee is echter nét in dienst en heeft nog héél wat te bewijzen. Zijn poten raken nauwelijks de grond en achter zijn lijf ontstaat een turbulente draaiing van lucht en stof als hij op topsnelheid als een Shrike-raket récht op mij, zijn indringer, af stormt. Search and Destroy staan, samen met mijn coördinaten, in zijn reptielenbrein geëtst.

Vanaf mijn kinderjaren waren bij ons flinke herdershonden in huis. Hollandse herders, Belgische herders en Duitse herders. Mijn vader trainde ze als verdedigingshond en haalde er diploma’s mee. Ik ben niet bang voor honden, hoor. Als ze maar groot genoeg zijn om mee te vechten. Dan vreet ik ze op. Maar deze aanstormende hond is zo’n tussenmaatje. Geen tafel én geen servet. Maar wél twee rijen blinkende tanden. Dat mooie nieuwe mes van mij is te ver weg én zit onhandig ingepakt in mijn tas en op mijn motor. Alhoewel, motor, onhandig…

Dus geef ik een vreselijke dot gas en dender, met drie koplampen aan, récht op Hond Twee af. We zijn als ridders met lange lansen in een steekspel. Het recht van de sterkste en de grootste. En de meeste moed. Hond Twee gooit zijn anker uit en zet alle vier zijn poten schrap. De hond is geen merkhond. Het is een bastaard en heeft van huis uit geen ABS meegekregen. Zijn achterkant schiet weg en hij komt als een honkbalspeler, op weg naar zijn home, met zijn achterlichaam naar voren tot stilstand. Hij bijt in het stof. Hij is verslagen. Hond Twee druipt af. En dan blijkt ook gelijk definitief de hiërarchie bepaald te zijn. Ik kan rustig wat plaatjes van zijn schaapies schieten.

Kort in de middag stop ik in een dorp bij een kruideniertje voor een broodje. Ik organiseer met handen en voeten bij moeder en dochter iets eetbaars bij elkaar. Moeder komt met mijn 1.95 meter ongeveer tot mijn navel. Ik reken twee euro af en krijg van dochter gratis twee sinaasappels mee. Wat leuk, hè. Maak een praatje met mensen en je zíet mensen. Én ze zien jou. Overigens kost een kilo sinaasappels daar 35 cent. Heel ander prijsnivo dan bij Albert Heijn…

Ik spoel bij de plaatselijke benzinepomp de eventuele pekel, wellicht opgelopen in de omgeving van Barcelona, van mijn motor. Zij is weer schoon en fruitig.

Onderweg doe ik nog even een wedstrijdje ‘wie heeft de grootste’, maar dat verlies ik echt hoor, ondanks mijn 1.95 meter…

Om 16:00 uur verschijnt er 21 graden op mijn dashboard. Een nieuw record. De lente is begonnen.

Als laatste nog even over herdershonden. Kijk eens wie er, héél relaxed, met zijn gitaar en mondharmonica, hier in het centrum, waar ik elke avond eet, een práchtige ouwe rockballad zit te spelen.

Het is zó móói en ik word er zó blij en vrolijk van. En kijk die grote herdershonden als makke schaapjes naast hem liggen. Ik geef de muzikant wat geld. Dat kan makkelijk, want gelukkig heb ik géén Belgisch pensioentje…

Het was een tóffe dag. Een culturele trip naar een stad is mooi, een wandeling door de natuur is super, máár….motorrijden is en blijft…..gewéldig….en ontroerend! Eén met de natuur, de geurtjes onderweg, het horen en voelen van je omgeving, de zon, de wind, de techniek, het sturen, het geronk van je motor, het donderen en trillen van het blok, het swingen in de bochten, gas geven, schakelen, remmen en gelijk die achterlijke gladiolen in die koekblikken in de gaten houden.

Machtig, man!

Coos op Reis: Saint Christopher

Coos van der Spek is bezig aan een motorreis van drie maanden door Zuid-Europa.

Hij deelt zo ongeveer 3 verhalen per week met ons op ikzoekeenmotor.nl. Hij is tien artikelen geleden begonnen met dit verhaal. Hier weer een deel van Coos op Reis: 

Saint Christopher is de patroonheilige van alle (motor)reizigers en geldt als één van de helpers die je in noodsituaties kunt aanroepen. Al in de vijfde eeuw werd hij, met name langs pelgrimroutes, vereerd.

Mijn dag begint wéér zonnig en stralend in Los Alcázares. Het is nog vroeg en mijn motorfiets staat er rustig en vredig bij. Ze slaapt vast nog. Stilletjes check ik het alarm, het stuurslot en het voorremslot. Ze staat nog gezellig in de buurt van de Hollandse Gazelle-fietsen. Morgen gaan we weer samen een rondje rijden, fluister ik haar toe.

Deze keer wandel ik de supermarkt in voor verse broodjes, versgeperste sinaasappelsap en luxe Spaans beleg.

Kort nadat ik met pensioen ging, gaf ik mijzelf een fors mes van Gerber kado. Als je op avontuur gaat, dan heb je een mes nodig. Ik ben het speciaal in Apeldoorn gaan kopen. Eenmaal uitgeklapt staat het mes veilig vast en opgevouwen past het risicoloos in zijn foedraal. Het ligt diep opgeborgen in mijn rugtas. Wellicht is het dan nét toegestaan. Want oei, je snijdt jezelf al in je duim door naar het mes te kijken. Niet normaal. Dus snijd ik mijn verse broodjes héél voorzichtig met mijn nieuwe mes op een bankje aan het strand mét uitzicht over zee. Werkelijk, de koning te rijk…

Ik neem voor € 1,49 de bus richting het noorden, naar Lo Pagán, stap uit, zoek een café op, bedank voor de kusjes van de harige barman, kies voor een simpele café solo en geniet op het terras van het weer en het uitzicht. Zie foto.

Zes Spaanse gevechtsvliegtuigen oefenen formatievliegen boven zee en zwenken links en rechts. Het is een indrukwekkend gezicht en ze maken een enorm kabaal als ze overkomen.


Later zie ik een zwerm vogels precíes hetzelfde kunstje doen. Zo grappig. De vliegtuigen komen van de militaire luchthaven, hier in de buurt. Het vliegveld werd een jaar of tien geleden gebruikt voor de opnames van de oorlogsfilm Green Zone met o.a. Matt Damon.

Ik wandel het beoogde natuurgebied Parque Regional Salinas de San Pedro in. Het is een enorm uitgestrekt moerasgebied van dik 800 hectare met veel zoutvlaktes, water, zand, stuwen, duinen, zandbanken en vogels. Ik begin aan een kilometerslange gecultiveerde dam. Aan de ene kant liggen modderbaden en aan de andere kant kabbelt de zee. Zo’n modderbad zet ik gelijk op mijn bucketlist. Héérlijk in je blote tokus in de prut, bruin van de modder laten opdrogen en dan lekker afspoelen en vervolgens zwemmen in het zoute water.

Verderop wordt zout in zoutmijnen gewonnen. In dit gebied overwinteren flamingo’s. Net als al die Engelse bejaarden… Ik zie de flamingo’s in de verte. Eentje staat vlakbij, helemaal alleen. Net als ik, bedenk ik mij. Maar bij zijn appartement staat géén dikke motorfiets te wachten, glimlach ik. Hij verschalkt snel zijn schelpdier en vliegt weg.

Na flink wat kilometers versmalt de dam en verandert de ondergrond. Er zijn hier beduidend minder wandelaars en fietsers. En na nóg een flink stuk dam zie ik iedereen weer terugkomen.

Plotseling is er niemand meer. Ik ben hier helemaal alleen. Maar de dam loopt nog verder…

Ik wil graag in het natuurgebied een rondje lopen en in het volgende dorp eindigen, dus vervolg ik de dam en sla helemaal aan het einde linksaf. De dam verandert langzaam in een zandweg en kort daarna in een heuvelachtig zandpad. De vraag is of het allemaal wel kan wat ik wil. Kan ik hier inderdaad wel in het rond lopen? Ik heb ondertussen geen ontvangst meer op mijn iPhone, dus ik kan het ook niet onderzoeken. Is het gebied verderop wel toegankelijk? Ik zie soms in de verte wat hoge hekken staan. Ik heb inmiddels ruim 10 kilometer gewandeld en ben het point-of-no-return gepasseerd….

Wat zal ik doen? Ga ik dóór of ga ik terug? Er moet natuurlijk vlak bij het eind géén hek staan… Of een diep kanaal liggen… Ik besluit de gok te nemen. Ik ga dóór. Het moet ook een beetje spannend zijn, nietwaar?

Er is hier niemand. De natuur en de natuurlijke stilte overheersen. De zon blijft schijnen ondanks alle dreigende donkere wolken om mij heen. Ik wandel langs een sinistere poel en gooi er een grote steen in. De steen zakt borrelend weg. Het is drijfzand…

Aan de rand van het bassin lopen schuchtere, vederlichte en vliegensvlugge watervogels. Bij de grens van het water ligt een soort koraal. Ik krabbel er wat van af en proef het. Het is ruw zout. Ik vervolg mijn weg verder door het ruwe terrein. Het gaat hier omhoog en omlaag. Meeuwen vliegen krijsend met mij mee. Waarschuwen ze mij ergens voor?

Verderop zie ik in het zand afdrukken van grote poten met dikke nagels. Kort daarna ligt een dode, aangevreten meeuw. Ik vind de botten van een opgepeuzeld dier. Er liggen enorme keutels, zo groot als Engelse cokes, her en der verspreid. Mijn hand zoekt dat grote mes uit Apeldoorn…

Ik moét dóór! Ik ben de 15 kilometer gepasseerd. Terug betekent nog eens 15 kilometer.

Jôh…. potver….loop ik een duin over en precíes tegen het bordje ‘Playa Mojon, links af’ aan. Whoehaaa!

Binnen de 22 kilometer wandel ik het busstation in San Pedro binnen.

Vlak vóór aanvang van mijn reis schonken onze oude vrienden van de Dinerclub mij een Saint Christopher. Die kan je voor jezelf niet kopen. Dan werkt hij niet. Nee, je moet hem kado krijgen van dierbaren. Hij hangt sinds de aanvang van mijn reis aan mijn rugtas, die ik altijd bij mij heb.

SAINT CHRISTOPHER heeft mij vást en zeker geholpen, makkers…!

Coos op Reis: Hij ziet alles

Verhaal 9, in de serie “Coos Op Reis

Vandaag blijft de BMW R1200 GS Adventure in Los Alcazares tussen de Gazelle-fietsen staan. Vindt ze best fijn, denk ik. Even uitrusten. Tijdens het langslopen streel ik haar over haar ronde, zachte buddyseat. Ze kirt. Dónders dingetje, fluister ik haar toe, terwijl ik het enorme slot van het hek van het complex openmaak.

 Het zal vandaag vást zondag zijn, want de zon schijnt. Monter wandel ik in mijn korte broek in de ochtendwarmte naar het centrum om in een restaurant mijn ontbijt te scoren.

Groot of klein?, vraagt de dame. Ik aarzel.

Ik organiseerde mijn lunsjes de afgelopen dagen niet zó goed en ik weet op dit moment niet wanneer ik vanmiddag weer iets kan eten. Ik kies tóch voor de kleine versie. Gelukkig maar…

Ik heb de hele dag lopen boeren.

Vandaag ga ik naar Cartagena. Met de bus. Hier haken alle motorrijders af. Einde ‘Reisverhalen van Coos’. Maar ja, dán komen zij nooit te weten ‘wie HIJ is en wie alles ziet’, dus als ik hen was….

Janny is bij ons thuis de puzzelaarster en normaal besteed ik het uitzoeken van lijnen en tijden met het openbaar vervoer in steden als Rome en Parijs graag aan haar uit. Maar ze is hier niet, dus ik moet aan de bak.

Ik puzzel wat met de timetables, onderzoek wat haltes, kijk op Google Maps waar Cartagena ten opzichte van Los Alcazares ligt en schiet een zonnetje voor de rijrichting van de bus. Das belangrijk, anders sta je aan de verkeerde kant van de weg op de bus te wachten.

Omdat de bus er nog niet is, geniet ik van wat muurtekeningen in de buurt. Ze zijn prachtig. Daarna mag ik veertig minuten in de bus hobbelen en om mij heen kijken. Voor slechts € 2,16. Het is heerlijk relaxed rijden. Ik vind het erg leuk.

In de bus babbel ik met een Belgisch echtpaar die mij binnen vijf minuten vraagt hoeveel ik netto per maand aan inkomen ontvang. En dan ík mijn hele leven maar denken als Rotterdammer brutaal te zijn en een grote mond te hebben. Ik besluit spontaan hun dag te verpesten en noem met droge ogen een astronomisch bedrag per maand. Ik laat ze verbijsterd achter. Ik vroeg ook hun inkomen en heb de héle dag plezier trouwens… Géén idee hoe ze voor dat schijntje in Spanje gekomen zijn. Ik denk te voet, op water en brood en in twee dagen. Hahaha.

Cartagena is ruim 2300 jaar oud. De stad is bekend om de zoete likeur Cuarenta y tres, Licor 43, die tegenwoordig naar ruim 60 landen wordt geëxporteerd. Het is mierzoet. De vullingen springen al uit je kiezen als je de dop van de fles draait.

Cartagena is in bezit van de Romeinen en Moren geweest en één van de belangrijkste havenplaatsen van Spanje. De stad is omringd met een muur met daarin acht poorten. Cartagena bewaakt haar historisch centrum en conserveert haar voorgevels goed. Ik zie onderweg diverse lege voorgevels wachten op een nieuwe toekomst en daar achter ruimte voor een nieuw leven.

Met behulp van de offline-kaarten van GoogleMaps en een papieren kaartje bezoek ik de stad en al haar verzamelde oude stenen.

Ik ontdek prachtige opgravingen uit de Romeinse periode, een fraai Romeins amfitheater, schitterende gebouwen, klim naar een hoog gelegen Castillo de la Concepción met een imponerend uitzicht over de stad en zie mooie straatjes en gevels. Ik geniet van een lekkere café solo tijdens een pittige regenbui.

Mooie stad voor een dagje. Ik heb 18 kilometer gewandeld. Pies of keek trouwens.

‘s Avonds aan de bar klets ik met de barman. Ik volg het stokoude reizigers-protocol: wie ben je, waar kom je vandaan en waar ga je naar toe? Ik vertel hem mijn verhaal van mijn pensioen, mijn motorfiets en mijn motorreis van drie maanden door Zuid-Europa.

Hij vertelt mij dat hij zijn héle leven al in Los Alcázares woont en werkt. Vanaf zijn schooltijd werkte hij in bijna alle restaurants en bars hier in zijn woonplaats. En in deze bar werkt hij nu een jaar. Ik vraag hem of hij ook de eigenaar is van deze bar. Lachend ontkent hij. Maar hij zou dat zéker erg graag willen, beaamt hij.

“Wáár is de baas dan?”, vraag ik hem.

De barman wijst met zijn vinger veelbetekenend omhoog.

“Is je baas dood en in de hemel?”, vraag ik, niet begrijpend…

“Néé”, lacht hij, “mijn baas heeft méérdere bars en restaurants en houdt met zijn computer vanuit zijn villa aan zee alles en iedereen in de gaten.”

Ik kijk omhoog en zie tegen het dak aan vier camera’s hangen.

“HIJ ZIET ALLES”, zegt de barman…

Coos op Reis: SCHOONVADER

SCHOONVADER

(We vervolgen de verhalen in onze serie “Coos op Reis“, de trouwe lezers kennen hem inmiddels. Coos reist drie maanden door Zuid-Europa, op zijn motorfiets. En wij volgen hem in het wiel. Kom je nieuw binnen op onze website, klik even op deze tag)

“Help mij s.v.p. onthouden dat ik je straks over mijn reeds lang overleden schoonvader vertel…

Éérst breng ik alle meuk vanaf de vijfde verdieping van het hotel in Valencia (Spanje) naar de lobby en via de lobby naar min twee om de zooi in de garage op mijn brommer te binden. Ik word er al handiger en systematischer in. En kan het nu meestal zonder vloeken. Mijn Garmin zit inmiddels op de motorfiets, maar ik wacht nog even met het laden van de route. Yes! Garmin 0 – Coos 2 punten.

De dag begint met strálend weer. Het is nu al 18 graden. Ik heb de wintervoering van mijn Stadler-jas achterop gebonden. Zichtbaar voor alle weergoden. Als ik dat niet doe, dan denken ze dat ik hem niet bij mij heb. En dan laten ze het koud worden. Maar nu weten ze dat ze kansloos zijn.

Ik laat Valencia achter mij en rij gelijk verkeerd. Wegen die alle kanten op gaan, complexe afslagen en Spanjolen in mijn nek die daar de weg wél weten terwijl mijn kasteel en ik een ingewikkelde puzzel proberen op te lossen. Ik moet kiezen. Rechts of rechtdoor. Ik gok. Ik gok mis. F@ck! Ik moet terug naar de route, ondanks het kanaal en de spoorlijn die er inmiddels tussen liggen. Maar het lukt. Mijn motorclub zou niet anders van mij verwachten, maar ik heb deze keer écht gewoon geluk.

Het eerste stuk tot Gandia is een beetje saai. Veel rechtuit, geheel in plastic opgetrokken kassen met onzichtbare inhoud, wellicht smaakloze tomaten voor de supermarkt in Nederland, aankondigingen van snelheidscontroles en sukkelaars met Dacia Lodcy’s die niet kunnen rijden. En het nooit gaan leren. Kansloze missie.

Ik verveel mij, dus knal ik een paar keer over de doorgetrokken streep. Haasje-over spelen. De politie rijdt hier standaard met zeer opvallend niet-flikkerend blauw zwaailicht aan. Das reuzehandig als je een paar streken wilt uithalen…

Ik nader een rotonde. Daar staan wat felrode pionnen op en achter de rotonde staat een opgedirkte bromsnor. Hij heeft de weg afgezet vanwege een wielerwedstrijd. Ik moet dus van mijn voorgeprogrammeerde route af. De vriendelijke agent legt uit hoe ik handig een stukje om het afgesloten wegdeel kan rijden, steekt zijn witte handschoen op, blaast op een fluitje en zet ál het verkeer voor mij stil zodat ik mijn nieuwe weg weer kan vervolgen. Vroeeemmm, dáár ga ik, ál die Dacia’s verbluft achterlatend. Kicken, jôh! Ik zit er nu nog van na te genieten…

In een dorp koop ik een grote koffie en een…tompouce! Écht waar. Ik dacht dat ze bij de klompen en de pindakaas hoorden. En gróót dat ding! Ik kan mij erachter verstoppen. Samen met de koffie voor nog geen drie euro. In dit land blijf ik ééuwig rijk! Of ik een foto heb van die tompouce? Hé, is de paus katholiek?


Bij Gandia verlaat ik de kust. Het neusje in de landtong bij Benidorm laat ik links liggen om wat lekkere bergroutes te pakken. Mijn motorvriend HendrikJan straft onmiddellijk omdat ik vannacht daar niet bij hem kom slapen. Het gaat eerst zachtjes regenen en daarna harder en harder. De wegen worden zeiknat en spekglad. Als ik twee keer een uitstapje met het rubber maak, wint mijn verstand het van mijn moed en ga ik tuttig rijden. Er is hier bijna niemand. Als ik in zo’n verlaten gebied op mijn plaat ga moet ik éérst midden op de weg mijn kasteel steen voor steen afbreken voordat ik hem kan oprapen en weer kan opmetselen. En vallen kost een berg knaken, leerde ik onlangs in Duitsland. Boehoe! Ik moet plots weer even huilie-huilie doen. Whoehaa!

Op 1000 meter hoogte is het nog maar zes graden. Het is koud. De goden hebben echt niet goed naar mijn duidelijk zichtbare wintervoering gekeken. Zij zijn ook al niet meer wat ze zijn geweest. Net als die Chinese toko’s, die alleen maar troep schijnen te verkopen. Ja hoor! Dat schrijven mijn vrienden pas nu via Facebook, nu ik alles al heb.

Ik kan niets te eten vinden, dus ik val terug om mijn reservevoedsel: gedroogde Spaanse vijgen. In Barcelona op de markt gekocht. Lekker hoor. Je kunt ze tegenwoordig ook in Nederland kopen.

Op verbindingswegen kom ik een paar keer op grindwegen terecht. Ik moet gelijk aan mijn motorvriendin Gerda denken, een ‘groot liefhebster’ van rommelige, puttige weggetjes met steenslag. Ze zou mij nu direct om mijn oren slaan. Ik rijd door desolate stukken waar vast nog oude spaghettiwesterns zijn opgenomen. Ik zit Once upon a time in the west te neuriën en te fluiten van genot. Bij Penàguila tref ik nog wat prachtige haarspeldbochten. Daar draai ik weer naar het zuiden om via Relleu weer terug naar de kust te zakken.

Beneden aan de kust wordt het droog en loopt de temperatuur verder op. Bij Los Alcazares rijd ik onmiddellijk door naar het strand om naar de zee te kijken en van de zilte lucht te genieten. De bergen staan bij mij absoluut op de tweede plaats, maar strand en zee zijn echt nummer één. Ik heb hier trouwens nét een wolkbreuk gemist; het water klotst tegen de stoepranden. Mazzel.

Ik heb zo’n 900 km intensief gestuurd deze dagen. Het was lekker. Ik zit de komende week in een appartement in Los Alcazares, op loopafstand van de zee. Het appartement heb ik via Facebook van een vriendelijke Belg voor een schappelijk bedrag gehuurd.

Hier eerst eens goed aarde maken met Spanje. Even geen motorrijden. De BMW staat op het alarm achter een groot ijzeren hek met een dik slot, veilig tussen de Gazelle-fietsen. Ik ga wat plannen maken voor het vervolg. Lekker 20 kilometer wandelen. Langs het strand. Met de motor hier de heuvels in. Met de bus ergens heen. Met ouwe mensen wauwelen. Stukkie hardlopen. Ik heb niet voor niets mijn hardloopschoenen bij mij. Met maat 46 bijna een halve koffer vol! Nou, en nog meer leuke dingen zoals met een grote salade lunchen, in mijn e-reader lezen, al in de middag een glas bier drinken, op mijn opvouwbare stoel zitten etc. Weet ik van veel.

Owja, mijn schoonvader. Bedankt voor de reminder. Hij was al heel wat jaartjes gepensioneerd. Janny en ik bezochten pa en ma natuurlijk regelmatig. Dat deden we in het weekend, op zondag. Vroeg hij eens op zo’n zondag: wat voor dag is het eigenlijk vandaag?  Zóndag natuurlijk pa, ánders was ik hier niet want op doordeweekse dagen moet ik werken, antwoordde ik. Voor mijn  gepensioneerde pa was élke dag een zondag, realiseerde ik mij toen. Enfin, dender ik vanmorgen rond tienen over de door zon geblakerde, diepzwarte Spaanse wegen, kom ik steeds maar racefietsers tegen. Elke keer weer.

Veel solo, maar ook veel groepen. Niet normaal. “Héééé, moeten jullie niet werken?”, roep ik in mijn potje….

Wat voor dag is het eigenlijk vandaag?, denk ik plots. Verrek, het is zóndag! Je zal toch maar gepensioneerd zijn… Teringjantje!”

COOS OP REIS: IK TREK Z’N KOP VAN Z’N ROMP

Het vorige verhaal van “Coos op Reis” eindigde met een kwizvraag, over dat batterijtje… 

We gaan lezen of ze het hadden. En we volgen Coos en zijn avonturen  op zijn reis door Europa.

“Je hebt motorroutes én je hebt motorroutes. Maar jongûh, dít was een súperroute. Wát zat ik te genieten op deze fraaie dag….  Maar hooo, éérst even een stappie terug.

Ik heb gisteravond laat nog gezellig een biertje met de eigenaar gedronken, daarna lekker geslapen en vanmorgen uitstekend ontbeten. Ik neem vervolgens afscheid van het uiterst vriendelijke Zwitserse echtpaar van de B&B in Peñiscola.

Ik laad de route van deze dag en kom vervolgens in hun ondergrondse garage in gevecht met mijn Garmin-navigatie: ik probeer een track te converteren naar een route zónder GPS-signaal. Het is een kansloze missie. Vijftig jaar ICT-ervaring en steeds weer pakt dat verrekte zwarte kassie mij bij mijn…uh… oorlelletjes… Maar buiten ben ik ‘m strakkies snel de baas, let maar op.

Bij de benzinepomp (1,25 euro, dus het kán best, stelletje dieven in Den Haag…) haal ik de Garmin van mijn motor en reboot het apparaat. Ein neuer boot macht alles gut, zeggen onze Duitse ICT-vrienden. Na tien minuten is de route gegenereerd en ga ik op weg. Stand : Garmin 0 – Coos 1 punt.

Het belooft een mooie dag te worden. Het is strakblauw en nu al warm. Ik zal vandaag 20 graden gaan zien. Niks schaatsen, sneeuw en natte neuzen. Want dit is Spanje. Olé!
Ik laat de toeristen met hun fraaie witte plastic campers achter mij en storm met mijn zwaarbepakte muilezel de bergen in. Kale rotsen, roodgekleurde gronden, dorre struiken maar óók práchtig gekleurde bomen, wisselen elkaar in een moordend tempo af. Ik kijk mijn ogen uit. Wát een prachtig land, wat een fraaie streek en wát een mooi seizoen. Ik voel mij een gelukkig en bevoorrecht mens.

Mijn grijns van oor tot oor moet ook in mijn gesloten Schubert-helm zichtbaar zijn, want tanig gekleurde oude mannetjes in dorpen lachen hun tandeloze monden bloot en zwaaien met hun stramme armen naar mij, terwijl ik als een kasteelheer bovenop mijn zwaarbeladen kasteel hun dorp bestorm. Ik zie ze in mijn spiegels instemmend naar elkaar knikken als ik met een extra toefje gas hun kasseien teister en het eeuwenoude stof onder de zwartgeblakerde dakpannen van hun huizen uit roffel. Whoehaaa, I am the King of the Road. Ik bedoel…Ivanhoeeee…..!

Via Sant Mateu dender ik langs Albocasser en vlak voor L’Arcorla draai ik nogmaals verder de heuvels in. Pas in de buurt van Pedralvilla is het bergfestijn afgelopen. Wát is dit een vreselijk mooie route. Heb ik trouwens zelf gemaakt. Afgelopen winter. Met Basecamp en lekker warm achter mijn peeceetje. Eigen roem stinkt, zeggen ze toch? Jammer dan. Dan maar minder lekker ruiken. Het is gewoon net als met eten dat je zelf maakt, das ook véél lekkerder! Toch?

En wat een prachtige dag vandaag in de bergen. Ik heb er bijna niemand gezien. Strak en zwart asfalt, als een privé-loper naar mijn eindbestemming van deze dag. Runter vom gas? Gelul. Volle bak! Ik heb inmiddels weliswaar nog wat minimale schaamrandjes op mijn achterband, maar het is niet veel meer. OK, ik weet het, ik ben een mietje, maar veel verder durf ik écht niet… Teringjantje, wát is die motor zwaar! Ik moet ècht werken met dat ding. Ik voel het zelfs als mijn tandpasta van links naar rechts in mijn tas klotst… Whoeeiii!

Maar dan…! Dán enter ik met bolgesneden driehoekzeilen op mijn galei de stad Valencia. Ik ben er! De dag is omgevlogen.

Voordat ik naar mijn hotel pruttel, rijd ik echter eerst met mijn motor een rondje Valencia. Even de stad voelen, even aantrekken. Kennen jullie dat gevoel ook? Of ben ik nu te hyper? Tja, een vleugje ADHD heb ik wel, denk ik, soms…

Valencia, das een beregrote stad, weet ik nu. Een soort Parijs, maar dan met hele brede wegen en dertig miljoen stoplichten. Nee, véértig miljoen! En drúk! Ik heb twaalf ogen nodig om te overleven als ik een rotonde neem. Voetgangers en fietsen krijgen heel vaak groen, maar tóch stappen veel mensen in de auto. Ik snap er niks van. Het is een hele mooie stad, met práchtige gebouwen. Ik kom er vast noges…

Er zijn veel toeristen in Valencia vanwege de voorbereidingen van Las Fallas Valencia.

Tip van Coos: Las Fallas is het grootste straatfestival van Spanje. Het is een overweldigende, wondere wereld van gigantische, geknutselde beelden, fallas genoemd. De elegante falleras hebben zich op hun allermooist gekleed en lijken wel prinsessen in hun schitterende jurken. Voeg hier een enorme dosis vuurwerk aan toe en het feest is compleet.

De route van vandaag eindigt bij mijn hotel. Wat een toeval. Het is retedruk in het hotel. Ik sta in de rij bij de receptie. Het is warm in de lobby. Veel te warm voor mij in mijn Stadler-motorpak. Ik zweet mij de tandjes.

Omdat ik niemand vertrouw, sleep ik al mijn tassen en zakken van mijn motor naar mijn kamer. Ze zullen je onderbroekies maar stelen. Dan is je motor plots heel licht en heb je niks om de hele dag te sjouwen. En op te schelden. Ik sta straks met mijn motor in de parkeergarage van het hotel. Op min twee. En mijn kamer is op de vijfde verdieping… Pfff…

Ik ben moe van een hele dag sturen en ik heb het warm. Het water loopt van mijn rug. Ik wil onder de douche. En ik verlang naar zo’n heel groot glas koel Spaans bier waarvan het glas beslaat en de condensdruppels als parels aan de buitenkant hangen én ik wil het blonder schuim tegen mijn bezwete bovenlip voelen… Dus ik ben een beetje aan het haasten. Dat snap je best…

Kom ik weer buiten, heeft iemand een sinaasappel op mijn motor gelegd!

Nondeju! Nu werkelijk tot het uiterste getergd, kijk ik om mij heen. Deze Hollandse kaasboer heeft plotseling heel veel zin om van een Spaanse Valenciaan de kop van zijn romp af te trekken. Gaan we dan hier de tachtigjarige oorlog opnieuw beginnen? WIE neemt deze kasteelheer in de zeik? Sodemieters!

Maar kijk! Midden in Valencia. Op slechts een paar meter van de voordeur van mijn hotel en recht boven mijn koffers? Whoehaa!

Vanavond ga ik door Valencia dwalen, een lekker bordje eten scoren en van de stad genieten. Ik hoef van mijn moeder niet vroeg naar bed en van mijn vrouw morgenochtend niet vroeg op. Heerlijk joh, in je eentje op reis. Alweer zo’n goeie tip van Coos.

Owja, kut. De kwis! Over dat batterijtje van mijn afstandsbediening en die Chinese toko. Bijna vergeten. Nou, probleemloos, hoor. Hij verzette geen stap, graaide zonder te kijken onder de toonbank en had ‘m zo te pakken. Voor twee euro of zo.”